Conclusie
1.Procesverloop
3.Bespreking van het principale middel
onderdeel 1.2terecht betoogt, niet zijn vastgesteld als de ‘juridisch-planologische onderbouwing’ voor het werk waarvoor thans is onteigend. Reeds daarom meen ik dat in de onderhavige zaak de vierde en vijfde herzieningen van het bestemmingsplan, die lang voor de onteigening van toepassing zijn geworden, niet behoren te worden geëlimineerd bij de waardering van de onteigende gronden.
rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak(art. 40 Ow Pro) lijdt.
onderdeel 1.4, dat zich keert tegen de gevolgtrekking van de rechtbank in rov. 2.27 dat ook uit de aanwijzing door de Provincie van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker als transformatiegebied en een brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt.
onderdeel 1.7kan, tenslotte, buiten behandeling blijven indien Uw Raad de onderdelen 1.1-1.4 laat slagen. De door het onderdeel opgeworpen stelling dat ingevolge art. 40c Ow slechts één bestemmingsplan (het plan dat de grondslag vormt voor de onteigening) kan worden geëlimineerd en niet ook een of meer van de daaraan voorafgaande, lijkt mij in beginsel juist, maar er laten zich situaties denken, waarin het anders kan liggen. Wanneer bijvoorbeeld het bestemmingsplan dat de juridisch-planologische grondslag moet opleveren voor de voorgenomen aanleg van een verkeersweg, al vóór de onteigening wordt vervangen door een nieuw bestemmingsplan, dat in dezelfde verkeersweg op dezelfde traject voorziet, lijkt het mij wel mogelijk dat bij de waardering van het onteigende de daarop volgens beide bestemmingsplannen rustende verkeersbestemming moet worden weggedacht.
duurzame beleggingonvoldoende gemotiveerd.
niemand anderswaarde had dan voor [B] B.V. lijkt mij evenmin een zwaarwegend argument tegen de duurzaamheid van de belegging. Moeilijk valt immers te vatten dat/waarom opslagruimte in Berkel en Rodenrijs (midden tussen Den Haag, Zoetermeer, Rotterdam en Delft) aan geen ander dan [B] B.V. verhuurbaar zou zijn. Maar zelfs als dat zo zou zijn lijkt de verhuur van de hal aan die besloten vennootschap een zaak voor [verweerster] om (de onteigening weggedacht) tot in lengte van dagen mee door te gaan.
4.Bespreking van het incidentele middel
5.Conclusie
in het principale beroeptot vernietiging en verwijzing en
in het incidentele beroeptot verwerping.