Conclusie
1.Procesverloop
2.Inleiding en kernpunten van het debat; oordeel van de rechtbank
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.1klaagt dat de rechtbank daarin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling van de vraag of serieus is onderhandeld te oordelen dat er geen sprake van was dat de Provincie een zodanig laag bod heeft gedaan dat dit niet meer serieus kan worden genomen en bij dit oordeel niet kenbaar het door [eiseres] bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte taxatierapport te betrekken maar uitsluitend het door de Provincie in het geding gebrachte taxatierapport. Althans is het oordeel volgens
onderdeel 1.2onbegrijpelijk, omdat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom uitsluitend de in opdracht van de Provincie uitgevoerde taxatie moet worden gevolgd en niet (ook) de in opdracht van [eiseres] uitgevoerde taxatie bij de oordeelsvorming moet worden betrokken.
als ware het voorschrift van art. 17 Ow Pro een vrijwel te verwaarlozen formaliteit”. Positief geformuleerd: de onteigenende partij dient een serieuze poging tot minnelijke verwerving te hebben ondernomen [5] . Dat brengt mee dat de onteigeningsrechter in het kader van het verweer dat art. 17 Ow Pro zou zijn geschonden niet behoeft te onderzoeken wat de waarde van het te onteigenen is. Na een vonnis van vervroegde onteigening wordt in het vervolg van de procedure over de waarde van het onteigende geprocedeerd. [6] Opmerking verdient verder dat de beantwoording van de vraag of serieus is onderhandeld bij uitstek ligt op het terrein van de feitenrechter, zodat de beantwoording daarvan in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan getoetst. [7]
moet worden gevolgd, maar is slechts op grond van die taxatie (zoals de rechtbank vaststelde een taxatie van een onafhankelijk taxateur, die in een onderbouwd taxatierapport heeft geresulteerd) tot het oordeel gekomen dat het aanbod van de Provincie niet zodanig laag was dat het niet meer serieus te nemen is. Naar mijn mening was de rechtbank niet, op straffe van nietigheid van haar vonnis, gehouden uiteen te zetten waarom de in opdracht van [eiseres] uitgevoerde taxatie haar niet tot een ander oordeel had gebracht. De rechtbank heeft kennelijk, en volkomen terecht, geoordeeld dat zij in dit stadium van het geding geen uitspraak behoefde te doen over de kwestie welke taxatie de werkelijke waarde van de te onteigenen grond dichter benaderde.
Onderdeel 3.1klaagt dat de rechtbank daarin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken wat de nadelige gevolgen op korte termijn voor [eiseres] zouden zijn en (met name) of die gevolgen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn als het voorschot uitsluitend zou worden bepaald op basis van de taxatie in opdracht van de Provincie. Althans is het vonnis volgens
onderdeel 3.2ontoereikend gemotiveerd, omdat de rechtbank niet heeft aangegeven waarom zij dit aspect niet heeft onderzocht in verband met haar oordeelsvorming betreffende het voorschot.