Conclusie
1.Feiten
deposito rekening) Deze rekening staat tevens onder beheer van voormelde notaris, en zal door het notariskantoor worden aangewend voor huurbetaling bij in gebreke blijven van [A].”
‘per omgaande de gewijzigde tekst in de brochure- de notarissen willen dat iedere verwijzing naar de bankgarantie zal worden geschrapt en dat uitsluitend zal mogen worden gesproken over een depositorekening waarop minimaal zoveel geld wordt geparkeerd als nodig is om te voldoen aan de verplichtingen (voor de huurbetalingen) -
en een overzicht van de overeenkomsten’te doen toekomen. Bij brief van 6 april 2004 herinnert [verweerder 1] [A] eraan dat “deze” nog niet op de brief van 16 maart 2004 heeft gereageerd. [verweerder 1] verzoekt alsnog binnen 2 weken aan het verzoek in die brief te voldoen en stelt als sanctie dat [A] bij gebreke daarvan op geen enkele wijze de naam van de notarissen meer mag gebruiken.
Omschrijving van de huurgarantie
2.Procesverloop
‘de “voorvraag” of sprake is van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers (een zogenaamde “Peeters/Gatzen”- vordering) en de vraag of, indien daarvan sprake is, de curator tot het instellen van de vordering ook bevoegd is, gezien r.o. 2.3.5 van het vonnis waarvan beroep.’
‘dat zijn medewerking aan een of meer van de litigieuze transport- en hypotheekakten een ernstig gevaar voor insolventie van de THB zou meebrengen’.
3.Het fenomeen Peeters/Gatzen-vordering
moetworden onderzocht of het gewraakte handelen,
indien bewezen,
daadwerkelijkals onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. Dat het Hof dit zo ziet, blijkt onder meer uit rov. 3.5.2. Ook dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
4.’s Hofs oordeel over de beperking van de rechtsstrijd
en de vraag of, indien daarvan sprake is, de curator tot het instellen van de vordering ook bevoegd is,gezien r.o. 2.3.5 van het vonnis waarvan beroep
.”
meerheeft gedaan dan hiervoor vermeld. Het heeft wellicht tevens een oordeel over de onrechtmatigheidsvraag
ten grondegegeven. Zelfs als dat zo zou zijn, doet dat er niet toe. Het Hof heeft immers in elk geval (ook) de onder 3.3 vermelde vraag beoordeeld. [16] Die beoordeling viel, als gezegd, binnen de door partijen gemaakte afspraak. Voor zover daarover al anders zou kunnen worden gedacht, kan dat de curator niet baten. ’s Hofs uitleg van deze afspraak is van feitelijke aard. Onbegrijpelijk is deze allerminst.
5.Het dictum van ’s Hofs arrest en de consequentie daarvan
ookde overweging in rov. 3.6.6 dat het Hof tot geen andere conclusie komt dan de Rechtbank.
met succesheeft bestreden dat geen sprake is geweest van een benadeling van de gezamenlijke schuldeisers. Hij laat evenwel na aan te geven waaruit dat zou blijken. Bij lezing van het bestreden arrest kan ik voor zijn stelling ook geen steun vinden.
6.Afdoening van de klachten
onderdeel 1ziet, naast hetgeen hierboven reeds is geschetst, eraan voorbij dat ’s Hofs oordeel in belangrijke mate is gebaseerd op een mededeling van de curator ter comparitie in prima (rov. 3.6.4). Bovendien blijft het steken in algemeenheden en wordt in het geheel niet uit de doeken gedaan welke andere of gedetailleerdere stellingen de curator had kunnen of willen ventileren. [18]