Conclusie
1.Procesverloop (voor zover van belang)
2.Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing
3.Bespreking van de middelen in het principaal cassatieberoep
eerste middelis gericht tegen het oordeel dat de schadeloosstelling niet op basis van reconstructie zal plaatsvinden en dat de waardevermindering van het overblijvende op een bedrag van € 5.000 moet worden gesteld, het
tweede middelkeert zich tegen de toegekende vergoeding voor de windsingel en het
derde middelkomt op tegen het oordeel dat de kosten van dr. Dierendonck niet voor vergoeding in aanmerking komen.
op andere grond dan het onteigendewordt uitgevoerd (of gemaakt). De gangbare ratio is, dat de onteigende niet krachtens zijn eigendomsrecht waardevermindering ten gevolge van het gehele werk had kunnen voorkomen. Hij is in dit opzicht gelijk aan zijn buurman, van wie niets onteigend wordt en wiens goed ook in waarde kan dalen door het gehele werk. Voor de vergoeding van schade van het werk in zijn geheel is de onteigende slechts aangewezen op het planschadeartikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro), dus niet op art. 40e Ow. [12]
buiten het onteigendevoor rekening van De Bruyn c.s. diende te blijven. In cassatie beriepen De Bruyn c.s. zich op het arrest Railinfrabeheer/Sweeres ten betoge dat ook de waardeverminderende invloed van de gedeelten van dijk die buiten het onteigende zouden worden aangelegd in aanmerking moest worden genomen bij de begroting van de te vergoeden waardevermindering. Uw Raad heeft dat beroep verworpen met de volgende uitleg:
1 tot en met 6lees ik geen klachten.
onderdelen 8 en 9klagen dat het oordeel van de rechtbank dat met eventuele nadelige invloeden van het werk buiten het onteigende alleen rekening mag worden gehouden indien het betreffende nadeel op en buiten het onteigende redelijkerwijs te splitsen is, onjuist en gekunsteld is. Het middel klaagt dat de rechtbank miskent dat in het Tracébesluit ‘A4 Dinteloord-Bergen op Zoom, gedeelte Steenbergen’, op grond waarvan de onderhavige onteigening heeft plaatsgevonden, de aanleg van de weg in kwestie is voorzien, inclusief alle daarbij behorende werken en voorzieningen. Dat op het onteigende niet de hoofdrijbaan, maar een watergang, bermen en een parallelweg wordt verwezenlijkt, wil volgens het middel niet zeggen dat een minder vergaande beoordeling aan de orde is. Volgens het middel is de ‘knip’ die de rechtbank in navolging van de deskundigen maakt tussen enerzijds de aanleg van de watergang, bermen en parallelweg en anderzijds de aanleg van de Rijksweg, en in het bijzonder het verschil in schadetechnische consequenties dat daaraan wordt verbonden, niet juist.
onderdeel 10wordt daaraan toegevoegd dat het feit dat de rechtbank in navolging van de deskundigen vergoeding van de kosten voor het plaatsen van een windsingel nodig acht, aangeeft dat de deskundigen ook aannemen dat er wel degelijk van het werk als zodanig invloed uitgaat op het overblijvende, die voor vergoeding in aanmerking komt. Het onderdeel stelt dat de deskundigen zelf ook de relatie leggen tussen zowel het overblijvende als het onteigende, zodat de geleden nadelen redelijkerwijs niet te splitsen zijn, en klaagt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van [eiser] dat er ofwel sprake is van nadeel en dat er moet worden voorzien in een deugdelijke schadeloosstelling dan wel adequate voorziening, ofwel geen sprake is van nadeel en dat er dan ook geen windsingel hoeft te worden aangelegd.
onderdeel 12dat de Hoge Raad in het arrest van 21 november 2008 [18] (De Bruyn c.s./Waterschap Rivierenland) de lijn uit het arrest Railinfrabeheer/Sweeres niet heeft losgelaten. Volgens het middel dienen de arresten van elkaar te worden onderscheiden. Het stelt in dat verband dat in het arrest Railinfrabeheer/Sweeres de aanleg van de Betuwelijn aan de orde was en dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat hinder als gevolg van treinverkeer (geluid, trillingen) naar haar aard niet valt te splitsen. In
onderdeel 13stelt het middel dat in het arrest De Bruyn c.s./Rivierenland verminderd uitzicht als gevolg van een verhoging van een dijk speelde, hetgeen volgens het middel splitsbaar is in een deel dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van het werk op de onteigende grond en een deel dat het gevolg is van de aanwezigheid buiten die grond.
onderdeel 15concludeert het middel dat de schade die wordt geleden op het overblijvende zonder meer een onteigeningsgevolg is en dat dit gevolgen heeft voor de berekening van de schadeloosstelling, en dan in het bijzonder de gekozen grondslag.
Onderdeel 17bevat geen klacht doch benadrukt het belang van [eiser] bij het middel. In de kern wordt aangevoerd dat, indien [eiser] aangewezen zou zijn op nadeelcompensatie, [19] dit betekent dat hij zijn schade hoogstwaarschijnlijk niet volledig gecompenseerd zal krijgen.
onderdeel 14) dat de op het onteigende aan te leggen watergang, bermen en parallelweg onlosmakelijk met de aanleg van de A4 verbonden zijn, snijdt geen hout, omdat het er in de rechtspraak van Uw Raad nu eenmaal om gaat of
het overlast veroorzakende gebruikvan het werk plaatsvindt
op het onteigende. Zie Uw arrest inzake Keetels/Noord-Brabant, in een zaak waarin zelfs een deel van het talud van de verkeersweg voor de aanleg waarvan onteigend was, op het onteigende rustte. Het lijkt mij heilloos als Uw Raad dit in zijn rechtspraak ontwikkelde zeer duidelijke criterium zou loslaten.
onderdeel 10het volgende. Als ik het niet gemakkelijk te begrijpen onderdeel goed versta, wil het betogen dat de aan de onteigende toegekende vergoeding voor het plaatsen van een nieuwe windsingel erop wijst, dat de rechtbank (in het voetspoor van de deskundigen) oordeelde dat de op het overblijvende te ondervinden hinder van het verkeer op de A4 (en de daardoor teweeggebrachte waardevermindering van het overblijvende) wel degelijk een onteigeningsgevolg is, en dat de rechtbank aan het daartoe strekkende ‘verweer’ van de onteigende ten onrechte is voorbijgegaan. Waar een verwijzing naar de plaats in de processtukken waar dit ‘verweer’ is gevoerd ontbreekt, ontbeert de klacht de nodige bepaaldheid. Maar nog afgezien daarvan vind ik het argument allesbehalve sterk. Hetgeen de rechtbank in de rov. 2.20-2.23 heeft overwogen moet naar mijn mening aldus worden begrepen, dat de nieuwe windsingel (in rov. 2.20 genoemd: windhaag) voor de aanplant waarvan aan [eiser] een vergoeding is toegekend, niet bedoeld is als remedie tegen de verkeershinder van de A4, maar ter vervanging strekt van een windsingel die verwijderd is. [20] De verwijdering van die oude windsingel heeft de rechtbank kennelijk aangemerkt als onteigeningsgevolg. Bij dat laatste kan men een vraagteken zetten, vooral als men nog in aanmerking neemt dat de oude windsingel blijkbaar op aan de Staat toebehorende grond stond, [21] maar dat vraagteken is in cassatie niet aan de orde, nu noch [eiser] noch de Staat klagen over de toekenning als zodanig van een vergoeding voor de aanplant van een nieuwe windhaag.
onderdelen 19 en 20dat de rechtbank heeft miskend dat de in navolging van het rapport van de deskundigen vastgestelde schadeloosstelling voor de aanplant van een nieuwe windhaag (€ 3.000) niet voldoende is om de gevolgen van de onteigening zoveel mogelijk het hoofd te bieden, en dat haar oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ter toelichting stelt het middel dat de door de deskundigen geadviseerde windsingel als oplossing verre van afdoende is en dat zal moeten worden voorzien in een grondwal die zal maken dat de licht-, trillings- en geluidhinder zoveel mogelijk zal worden weggenomen. Het middel klaagt in
onderdeel 21dat de rechtbank in dit verband geen (voldoende) oordeel heeft gegeven over hetgeen [eiser] heeft aangevoerd omtrent de reflectie van zonlicht door het geluidsscherm en de schittering van de verlichting van voorbijrijdend verkeer. Daarnaast heeft de rechtbank volgens het middel geen (voldoende begrijpelijke) overweging gewijd aan de door [eiser] gestelde omstandigheid dat is gebleken dat de geluidswering van de woning onvoldoende is, zoals blijkt uit een onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat en de overige door [eiser] in dit kader aangevoerde omstandigheden.
onderdeel 23dat de rechtbank miskent dat de kosten voor deskundige bijstand door dr. Van Dierendonck de dubbele redelijkheidstoets ingevolge art. 50 lid 4 Ow Pro en de daarop gebaseerde rechtspraak doorstaan. In
onderdeel 24wordt vervolgens geklaagd dat de rechtbank miskent dat de vergoeding van bepaalde deskundigenkosten niet staat of valt met de gegrondheid van het verweer waartoe de deskundigenkosten zijn gemaakt. Ter toelichting wijst het middel erop dat de inhoud van het deskundigenrapport nu juist de reden was dat [eiser] dr. Van Dierendonck als deskundige heeft ingeschakeld. Het middel klaagt dat die mogelijkheid hem niet mag worden ontzegd met een redenering die erop neerkomt dat [eiser] op voorhand al bepaalde verweren zou moeten laten varen. Het middel wordt nader toegelicht in
onderdeel 25, waarin geklaagd wordt dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft aangelegd, althans haar oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.