Conclusie
2.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
De (overige)grieven
subonderdeel 1.4onderdelen 1.2 en/of 1.3 op als bovendien de statuten bepalen dat de omvang van de uittreedvergoeding op basis van grondslagen die in het huishoudelijk reglement zullen worden vastgesteld, moet worden vastgesteld door een door het bestuur van de coöperatie aan te wijzen deskundige. Daarmee is de omvang van de uittredingsvergoeding, althans de grondslagen waarop die moet worden vastgesteld, afhankelijk van nadere beslissingen door het bestuur of een door hem aan te wijzen deskundige. Dat is onverenigbaar met (de strekking van) art. 2:60 BW Pro.
met de beperking, dat aan de voorwaarden, mogelijk bij de statuten aan de uittreding verbonden, moet zijn voldaan. Bestaat hieromtrent verschil, dan zal,
zoo in de statuten geen rechtsgeldige wijze van beslissing is voorgeschrevenen partijen niet tot overeenstemming kunnen geraken, de rechter moeten beslissen.
, kan men niet te voren zeggen, welke voorwaarden aan die vrijheid van uittreding gesteld zijn [25] . Bovendien wenscht art. 12 een Pro rechterlijke controle op de gestelde voorwaarden; wanneer deze voorwaarden niet bekend behoeven gemaakt te worden, ontbreekt iedere mogelijkheid van beoordeling door den rechter: of de voorwaarde de vrijheid van uittreding laat bestaan en of zij in overeenstemming is met doel en strekking der vereeniging.” [26] .
dat de uittreedverplichting duidelijk statutair was vastgelegd. Bovendien waren
de kaders voor de vaststelling van de hoogte van de boete eveneens in de statuten vastgelegd.
Leden konden derhalve voor hun toetreding als lid op de hoogte zijn welke verplichtingen op hen rusten en wat de (maximale) hoogte van de op te leggen boete kon zijn. In algemene zin onderschrijft deze uitspraak het belang van een duidelijke omschrijving van de bevoegdheid om verbintenissen aan de leden op te leggen. Een notaris die betrokken is bij het opstellen van de statuten zal cliënt er op moeten wijzen dat een algemene bevoegdheid om boetes op te leggen tot juridische problemen kan leiden indien deze regeling niet nader wordt uitgewerkt bij reglement of bij bestuursbesluit.” (cursivering A-G)
betaling van schadevergoeding [47] is tot maximaal 4% van de gemiddelde jaarlijkse melkprijs, waarbij statutair ook het mechanisme wordt aangegeven hoe die uittreedvergoeding wordt gekwantificeerd, namelijk door een door de directie aan te wijzen deskundige. Dat is de benadering van het hof, die met uitleg van de statuten hiertoe komt en daar valt mijns inziens veel voor te zeggen. Zo ook de hiervoor in 2.1.14 genoemde “wenk”-schrijver over precies deze hofbenadering in onze zaak. In hoofdzaak is voldoende duidelijk waar men aan toe was. Ik zie geen duidelijke aanwijzingen in parlementaire geschiedenis, rechtspraak of literatuur voor de eerste benadering dat alleen een min of meer integraal in de statuten uitgewerkte uittreedregeling toelaatbaar is of dat de omvang van de uittredingsvergoeding helemaal in de statuten moet zijn vastgelegd. Ik denk dat dat ook een te rigide opvatting is.
schade dient te vergoedendie DOC leidt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap (lees: tot het aangegeven maximum van 4%). De aard van de verplichting staat dus ook voldoende kenbaar in de statuten. Deze statutaire bepaling geeft de mogelijkheid van flexibel en deskundig maatwerk binnen de statutaire kaders van het 4%-maximum. Dat de statuten voor de berekening van de ontstane schade een door het bestuur in te schakelen deskundige voorschrijven, is gelet op de complexiteit van deze schadebegroting niet vreemd. Binnen de coöperatie zal de voor complexe schadebegrotingen vereiste kennis dikwijls ontbreken, waarbij goed is te zien dat de melkveehouders uiteindelijk niet aan deze schadebegroting gebonden zijn, omdat dit in rechte is aan te vechten, zoals ook het hof bij tussenarrest aangaf in rov. 34.
2. Aanvullende gegevens ter onderbouwing
3.Werkelijk geleden schade
6.081
24.32
(897,8)
vaste kostengedefinieerd als kosten die
onafhankelijk zijn van de verwerkte hoeveelheid melk, waaronder personeelskosten, afschrijvingen, verzekeringen en rente (rov. 2.7 (p. 7)). Volgens het rapport staan
vaste kosten in een vaste verhouding tot de normale productie. Daarbij wordt onder
normale productie of normale capaciteitverstaan de te verwachten gemiddelde productie over een aantal perioden of seizoenen onder normale omstandigheden (rov. 2.7 (p. 7-8)) [51] . Wanneer de normale productie wordt verlaagd bij een gelijk blijvend kostenpatroon, stijgen de vaste kosten per product en is er minder dekking voor vaste kosten. Het rapport vervolgt daarop met de stelling dat “[d]e te verwachten schade (…) derhalve (is) bepaald op basis van minder dekking vaste kosten als gevolg van de ten gevolge van de opzeggingen verminderde aanvoer van veehoudersmelk.” (rov 2.7 (p. 8)). Op grond daarvan is overwogen dat onder
veehoudersmelkde aan DOC geleverde
melk van leden van de coöperatie, alsmede van de veehouders die - geen lid maar - vaste leverancier zijn van de coöperatiemoet worden verstaan (rov. 2.9). Nu [A] als niet-vaste leverancier niet behoort tot de normale productie (van de coöperatie), maakt deze melk dus geen deel uit van de melkplas waaraan de dekking van vaste kosten wordt toegerekend. Dat is wellicht contra-intuïtief, maar dat lijkt mij dwingend te volgen uit de door de deskundige gekozen bedrijfseconomische schadebenadering, een enigszins “theoretisch” model, zoals het hof dat in rov. 2.11 kwalificeert. Het hof heeft daarbij in navolging van het rapport wel rekening gehouden met tot de coöperatie
toegetreden nieuwe leden en nieuwe vaste leveranciers en hun melkvolume(rov. 2.7 (p. 8, zie ook rov. 2.9). Overigens heeft DOC de
kosten van de aankoop van melk van [A] als een aparte kostenpostopgevoerd en heeft het hof daarover in rov. 2.12-2.19 [52] ook een apart oordeel gegeven. Dat is de tweede schadepost uit het rapport. Deze benadering voorkomt zo een “dubbeltelling” met betrekking tot de [A]-melk.
veehoudersmelkbij deze schadepost: melk van leden van de coöperatie (waaronder ook nieuwe leden) en vaste leveranciers van de coöperatie (waaronder ook nieuwe vaste leveranciers). De van [A] aangekochte melk dient dan buiten beschouwing te blijven. Subonderdelen 2.1 en 2.2 stuiten op het voorgaande af.
€ 831.383. Nu deze post door DOC in de procedure evenwel op € 700.000 is gesteld, is het hof daar ook van uitgegaan. Het hof is tot dat hogere bedrag gekomen door het dekkingsverlies niet, zoals uit het rapport volgt, te baseren op een verminderd melkvolume van 19,2 miljoen kg maar van 23 miljoen kg. Het verschil hangt samen met het niet volgen van DOC in haar stelling dat moet worden uitgegaan van de budgetkilo’s van 2008 en de door het hof gehanteerde definitie van het begrip veehoudersmelk. Subonderdeel 2.4 moet daarom stranden, er is geen sprake van buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden.
de inleidende dagvaarding onder 40 (i.h.b. het zevende gedachtestreepje)
rechtstreeks van veehouders in ontvangen: 858.477.000 kg.’.”
de akte van 16 april 2013 (onder 26)
Schade als gevolg van bijkoop melk?” betogen de melkveehouders dat het rapport van Ernst & Young de schade als gevolg van meerkosten bijkoop melk, becijferd op € 2.188.000, De berekening is op meerdere onderdelen en om meerdere redenen onjuist: (…) Bovendien: uit bijlage 12 van het rapport (pagina 25 jaarverslag 2008) blijkt dat er in 2008 bijna 8 miljoen kilogram minder van veehouders is ontvangen dan in 2007. De vermeende schade als gevolg van meerkosten bijkoop kan dan hooguit over dit volume worden berekend.”
ledenaangeboden veehoudersmelk [56] ” en verder wordt in de jaarverslagen gesproken over “melk rechtstreeks van veehouders [57] ”. De in de jaarverslagen opgenomen melkvolumes zien dus slechts op veehouders die lid zijn van de coöperatie en niet op vaste leveranciers en ook niet op de aankoop van melk bij derden. Ook uit rov 2.9 vloeit daarom voort dat het hof deze stelling van de melkveehouders (impliciet) heeft verworpen, terwijl het hof in rov. 2.10 bij het bepalen van het melkvolume expliciet uitgaat van een bijlage bij het rapport en daarmee dus niet de stellingen van de melkveehouders op dit punt volgt.
budgetuitsluitend door toedoen van de vertrekkende melkveehouders niet is gehaald en dat het niet halen van het budget te maken heeft met omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de melkveehouders vallen,
waaronder een krimpende afzetmarkt. In zoverre volgt het hof de stelling van de melkveehouders dat bij de berekening van de afname van veehoudersmelk niet moet worden uitgegaan van de door DOC voor 2008 begrote hoeveelheid, maar van het daadwerkelijk afgenomen melkvolume in 2008 ten opzichte van 2007. Het in de s.t. door DOC onder 76 bepleite gebrek aan belang, verliest uit het oog dat het hof de stelling van DOC, dat zij de begroting van 2008 ondanks de krimpende afzetmarkt zou hebben gehaald, juist van de hand heeft gewezen in rov. 2.8.
subonderdeel 3.2, had het hof (met aanvulling van rechtsgronden) ex art. 6:100 BW Pro dit voordeel bij de schadevaststelling in mindering moeten brengen. Als het hof dat niet heeft miskend, is sprake van ontoereikende motivering.
schadevergoeding in de vorm van een uittreedvergoedingis in ons geval rechtstreeks gebaseerd
op de statutenen vormt daarmee
geen wettelijke verplichting tot schadevergoedingwaar deze afdeling op van toepassing is. Daar strandt onderdeel 3 (voordeelsverrekening, art. 6:100 BW Pro) en onderdeel 4 (art. 6:101 schadebeperkingsplicht) op [58] . Daar komt bij dat deze afdeling op het matigingsrecht van art. 6:109 BW Pro na van regelend recht is en uit art. 13 van Pro de statuten kan niet worden opgemaakt dat (bepalingen uit) die afdeling rechtstreeks of naar analogie moet worden toegepast.
3.Beoordeling van het incidenteel cassatieberoep
bij voorbaat. Dat zie ik niet, omdat art. 13 lid 1 hier Pro niet eenduidig is. De schadevergoedingsplicht geldt volgens deze bepaling voor het gewone lid waarvan het lidmaatschap
is geëindigd– wat op schadevaststelling na afloop wijst, terwijl aan de andere kant het bedrag van die vergoeding wordt bepaald op de uittredingsschade die de coöperatie
zal lijden.Objectieve uitlegt dicteert volgens mij niet dat een zo concreet mogelijke begroting is
uitgesloten, want dat zou een eenzijdige nadruk op dat laatste aspect leggen en daar zie ik geen objectieve redenen voor (aangevoerd). Het hof heeft met zijn overweging dat art. 13 deze Pro manier(en) van concrete schadeberekening in zich bergt, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Subonderdeel 1.1 is dus tevergeefs voorgesteld.
Ad ii) Kosten bijkoop melk
nieterkend dat deze toeslag buiten beschouwing zou moeten worden gelaten, maar integendeel het omgekeerde: om een zuivere vergelijking te kunnen maken, moet de ledenprijs ook worden verhoogd met de algemene kosten, welke kosten DOC heeft berekend op € 1,08 per 100 kg melk.
subonderdeel 3.4rov. 2.18 zonder nadere toelichting rechtens onjuist/onbegrijpelijk, omdat door DOC in eerste aanleg al is aangevoerd dat de kwaliteit van de [A]-melk lager was dan de melk van de leden, waardoor [A]-melk in wezen duurder is. Nu de rechtbank niet is toegekomen aan begroting van de schade, maakt deze stelling door de devolutieve werking van het appel deel uit van de rechtsstrijd in appel. De stelling dat een correctie nodig is op de prijs van de [A]-melk in verband met vet- en eiwitgehalte daarvan, is een nadere uitwerking van die stelling, waarvan van DOC niet kon worden gevergd dat zij deze eerder zou hebben ingenomen, nu de omvang van de schade ten gevolge van de bijkoop van duurdere melk van derden pas na het tussenarrest actueel werd.