Conclusie
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
ten tweede -dat, voor zover de beslissing van het hof in rov. 3.8 over het gezag van gewijsde voortbouwt op zijn beslissing in rov. 3.7 dat niet van belang is of “het exacte bedrag van de meerbedoelde aanspraak” van [verweerder] in de eerste procedure tussen partijen aan de orde is geweest, die beslissing rechtens onjuist is, omdat wel degelijk van belang is in hoeverre dat bedrag in de eerste procedure in het debat is betrokken, omdat dat (mede) bepaalt of dat bedrag onderdeel uitmaakte van de rechtsbetrekking (in de zin van art. 236 Rv Pro) die in de eerste procedure aan de orde was.
en het daarmee gemoeide bedrag”. In de eerste procedure was het met de opties gemoeide bedrag juist geen onderwerp van geschil omdat daarin slechts een verklaring voor recht werd gevorderd dat [verweerder] recht had op de opties. De beslissing is volgens het middel eens te meer onbegrijpelijk nu het hof in rov. 3.7 heeft overwogen voor de hele beoordeling van het beroep op het gezag van gewijsde irrelevant te achten of het exacte met de opties gemoeide bedrag in de eerste procedure aan de orde was.
vorderingis ingesteld. [10]
en het daarmee gemoeide bedrag” (curs. A‑G)(rov. 3.8, slot). Met andere woorden: in het bestreden arrest is het eerdere arrest van 16 maart 2010 aldus uitgelegd dat hierin wel degelijk ook de hoogte van het met de opties gemoeide bedrag is betrokken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan - nu het een feitelijk oordeel betreft - in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. Reeds hierom faalt deze rechtsklacht.
voor zoverde bestreden beslissing in 3.8 over het gezag van gewijsde
voortbouwtop de overweging in rov. 3.7 dat niet van belang is of het exacte bedrag van de aanspraak van [verweerder] in de eerste procedure is genoemd.
voortbouwensprake is, is de context van de overweging in rov. 3.7 van belang. Rov. 3.7 gaat over het vermeende nadeel dat TomTom c.s. zouden hebben geleden als gevolg van het feit dat [verweerder] in de eerste procedure slechts een verklaring voor recht heeft gevorderd. Volgens het hof is van dat nadeel geen sprake, omdat - kort gezegd - TomTom c.s. wisten om welk bedrag het ging. In dát verband heeft het hof vervolgens overwogen dat niet van belang is of het exacte bedrag van de betreffende aanspraak al dan niet is genoemd. Ik zou, gelet hierop, menen dat rov. 3.8
nietvoortbouwt op de betreffende beslissing in rov. 3.7, en dat dus aan de voorwaarde waaronder de klacht is aangevoerd niet is voldaan.
de hoogte van het met de opties gemoeide bedraggeen recht doet aan het feit dat [verweerder] nauwelijks heeft gewerkt. Dit verweer faalt. (…)” (curs., A-G).
onderdeel 2van het cassatiemiddel bouwt rov. 3.20 voort op de beslissingen van het hof die door onderdeel 1 zijn bestreden en getuigt ook rov. 3.20 daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ook rov. 3.20 daarom onvoldoende gemotiveerd.
de matigingsbevoegdheid van art. 6:109 BW Pro. Voor zover TomTom c.s. hiermee een - zelfstandige - cassatieklacht hebben willen aanvoeren tegen het arrest van het hof, voldoet deze klacht niet aan de daaraan te stellen eisen. In de cassatiedagvaarding, die de middelen van cassatie dient te bevatten, is een dergelijke klacht immers niet te vinden. [14]