In deze zaak gaat het om een ontnemingsprocedure verbonden aan een bewezenverklaarde witwaszaak. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had vastgesteld dat betrokkene € 29.274,99 aan wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten, omdat hij meer contant had uitgegeven dan ontvangen in de relevante periode. Dit bedrag was gebaseerd op een vermogensvergelijking van contante ontvangsten en uitgaven, waaronder contante stortingen op eigen bankrekeningen, de aanschaf van twee auto’s en investeringen in een restaurant.
De advocaat van betrokkene stelde cassatie in en klaagde dat het Hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd, met name dat contante stortingen op eigen rekeningen niet zonder meer als wederrechtelijk voordeel kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onjuist had aangenomen dat deze stortingen automatisch als wederrechtelijk verkregen voordeel gelden, zonder nadere motivering.
De Hoge Raad benadrukte dat het enkel voorhanden hebben van geld uit witwassen niet gelijkstaat aan daadwerkelijk voordeel en dat dit laatste nader moet worden gemotiveerd. Wel achtte de Hoge Raad het aannemelijk dat uitgaven aan de aanschaf van auto’s en het opstarten van een restaurant wel als persoonlijke investeringen kunnen worden gezien die daadwerkelijk voordeel opleveren.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling, waarbij het Hof de motivering over het daadwerkelijk genoten voordeel nader moet onderbouwen.