Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
3 december 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, waarbij het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel schatte op circa €1.070.758,-.
Het hof legde aan betrokkene de verplichting op om een bedrag van €237.500,- aan de Staat te betalen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte zonder nadere motivering aannam dat de bedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde misdrijf reeds als wederrechtelijk verkregen voordeel konden worden aangemerkt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep. De motivering van het hof voldeed niet aan de vereisten om het voordeel als zodanig te kwalificeren, waardoor de ontnemingsmaatregel niet in stand kon blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.