ECLI:NL:HR:2007:BA5831
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie na herziening Schiedammer Parkmoord
Deze zaak betreft het cassatieberoep van verzoeker tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaarde in de vervolging van verzoeker. Dit volgde op een herzieningsprocedure na een eerdere veroordeling voor ernstige strafbare feiten, waaronder doodslag en verkrachting, in de zogenaamde Schiedammer Parkmoord.
De Hoge Raad overwoog dat het hof het OM niet-ontvankelijk verklaarde omdat het onherroepelijk vaststond dat verzoeker de tenlastegelegde feiten niet had gepleegd. Dit bleek uit een onherroepelijk arrest van het Hof Den Haag en DNA-onderzoek dat een andere dader aanwees. Hierdoor was het vervolgingsbelang komen te vervallen en was verdere vervolging uitgesloten.
Verzoeker stelde dat nader feitenonderzoek nodig was naar het handelen van het OM, mede gelet op fouten die waren gemaakt tijdens de opsporing en vervolging, en dat het hof daarom niet tot niet-ontvankelijkheid had mogen besluiten. De Hoge Raad verwierp dit standpunt, stellende dat een dergelijk onderzoek in deze herzieningsprocedure geen strafvorderlijk belang dient en dat verzoeker andere rechtsmiddelen heeft om het optreden van het OM aan te vechten.
De Hoge Raad concludeerde dat verzoeker geen rechtens te respecteren belang had bij het instellen van cassatie en verklaarde hem niet-ontvankelijk. Hiermee werd bevestigd dat hernieuwde vervolging uitgesloten is en dat het strafprocesrechtelijke belang van vervolging is komen te vervallen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in cassatie, waarmee hernieuwde vervolging is uitgesloten.