Conclusie
eerste middelwordt geklaagd dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair onbegrijpelijk is, dan wel niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. In de kern komt het middel erop neer dat het onbegrijpelijk is dat het hof in navolging van de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, het veroorzaken van een verkeersongeval zoals bedoeld in art. 5 WVW Pro 1994, vanwege het ontbreken van causaal verband tussen het rijgedrag van verdachte en het ongeval, maar dat het hof wel tot een bewezenverklaring is gekomen van het subsidiair tenlastegelegde feit, gevaarzettend rijden (art. 6 WVW Pro 1994), met name voor zover daarin is bewezenverklaard dat verdachte door dit gevaarzettend rijden het ongeval en het letsel van [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
derde middelwordt ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3 geklaagd dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte op het moment dat hij de plaats van het ongeval verliet, wist dat letsel of schade aan een ander was toegebracht.
tweede middeltenslotte bevat de klacht dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
nieteen beroep wordt gedaan op de eigen schuld van het slachtoffer maar dat die omstandigheid enkel van belang is voor de vraag naar het causale verband tussen het verkeersgedrag van verdachte en het verkeersongeval. [4] Bovendien is in hoger beroep niet expliciet aangevoerd dat de eigen schuld van het slachtoffer zou moeten leiden tot vermindering van de schadevergoedingsplicht voor de verdachte. Er is enkel gesteld dat “rekening moet worden gehouden met de gedragingen van de benadeelde partij” zonder aan te geven op welke gedragingen dan wordt gedoeld, noch waartoe dat zou moeten leiden. Gelet op het voorgaande meen ik dat het hof het aangevoerde niet heeft hoeven opvatten als een verweer waarop het gehouden was uitdrukkelijk te reageren. Reeds daarom leidt het uitblijven van een uitdrukkelijke reactie op hetgeen is aangevoerd mijns inziens niet tot cassatie.