Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen rov. 9 t/m 12 van het bestreden arrest, alsmede – zo blijkt uit de laatste alinea van het eerste middel – tegen rov. 13. Samengevat heeft het hof het volgende overwogen. In art. 3 lid 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst is sprake van een contractuele vervaltermijn met betrekking tot het recht om vaststelling en afrekening te vorderen ter zake van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Na verloop van de vervaltermijn vervalt de overeengekomen bevoegdheid. Het is aan de man te stellen en zo nodig te bewijzen dat het beroep van de vrouw op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov. 9). In hoger beroep is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de man voor de periode van 1 januari 2005 tot het einde van de samenleving op 1 november 2009 terecht een beroep op het verrekenbeding heeft gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw zich terecht beroept op het vervalbeding met betrekking tot de periode van 1991 tot en met 2004 (rov. 10). Hiertegen heeft de man grieven gericht en heeft zich onder meer erop beroepen dat de vrouw jarenlang moedwillig haar inkomenssituatie voor hem heeft verzwegen en dat het haar niet vrij staat zich op het vervalbeding te beroepen. De vrouw heeft een en ander bestreden (rov. 11). Het vervalbeding heeft blijkens tekst en strekking betrekking op een afrekening van de kosten van de huishouding over het voorliggende jaar. De door de man overgelegde overzichten betreffen de vaststelling van hetgeen de vrouw het komende jaar maandelijks dient bij te dragen aan de kosten van de huishouding, zodat van een vordering tot vaststelling van ieders bijdrage over het afgelopen jaar in de zin van de samenlevingsovereenkomst geen sprake is geweest en de vrouw een en ander ook niet aldus had behoeven opvatten. De overzichten laten zich evenmin interpreteren als vorderingen van de zijde van de man tot afrekening van de bijdrage van de vrouw over het afgelopen jaar als bedoeld in de samenlevingsovereenkomst (rov. 12). Niet gezegd kan worden dat het beroep van de vrouw op de vervaltermijn voor de jaren 1991 tot en met 2004 onaanvaardbaar is. De man heeft niet gemotiveerd betwist dat hij al die jaren de belastingaangifte(n) van partijen verzorgde en heeft zijn stelling dat de vrouw voor hem inkomen verzweeg niet voldoende onderbouwd (rov. 13).
geensprake is van een tussen partijen overeengekomen vervaltermijn. [7] De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.