Op 20 september 2011 sloeg verdachte met grote kracht met een stok van ongeveer een meter lang op het hoofd en lichaam van het slachtoffer, waarbij het slachtoffer een bloedende hoofdwond en meerdere contusies opliep. Het hof achtte bewezen dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel en deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard, waarmee sprake is van voorwaardelijk opzet.
De verdediging voerde aan dat het bewijs van meermalen slaan niet uit de bewijsmiddelen volgde en dat de verklaringen van de getuige onbetrouwbaar waren. Het hof oordeelde echter dat het totaal aan slagen op hoofd en lichaam meermalen was en dat de verklaringen betrouwbaar waren. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en zag geen reden tot vernietiging.
De zaak betrof een poging tot zware mishandeling met een stok, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring en het oordeel over het voorwaardelijk opzet.