Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
from 1st of January 2004and shall be concluded for an unlimited period. (…)”
an item in transit with no influence on the profit-and-loss account.
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Geding in cassatie
eerste middelkomt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat de handling fee en de provisiebedragen, die bestemd zijn voor de wederverkopers van de goederen, een voorwaarde vormen voor de verkoop en dat deze door [A] B.V. aan [C] worden betaald.
tweede middelheeft betrekking op het beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. In dit middel bestrijdt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het Hof dat procedurele fouten bij de totstandkoming van een besluit, gelet op zowel het nationale als het communautaire recht, niet tot vernietiging van het desbetreffende besluit leiden, nu belanghebbende niet is benadeeld door het onaangekondigd uitreiken van de utb’s.
derde middelbetoogt belanghebbende dat het Hof met zijn oordeel dat de Inspecteur zonder schending van het zorgvuldigheidsbeginsel van belanghebbende kon navorderen, het recht – in het bijzonder het bepaalde in artikel 201, lid 3, van het CDW – heeft geschonden, dan wel dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
vierde middel, ten slotte, komt op tegen het oordeel van het Hof dat het bepaalde in artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW in het onderhavige geval navordering niet belet.
5.(De gevolgen van) schending verdedigingsbeginsel (middel II)
een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat zelfs bij ontbreken van elke regeling betreffende de procedure in acht moet worden genomen.” [23]
in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst,
maar niet daarbuiten. In zoverre heeft het Hof er reeds aan herinnerd dat het een nationale regeling die niet binnen het kader van het Unierecht valt, niet aan het Handvest kan toetsen. Wanneer daarentegen een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, moet het Hof, (…) alle uitleggingsgegevens verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of deze regeling verenigbaar is met de grondrechten waarvan het de eerbiediging verzekert (…)
voor de lidstaten wanneer deze optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie.”
wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, (…)
en alvorens een besluit wordt genomendat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden (zie arrest M., EU:C:2012:744, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals vermeld in punt 31 van het onderhavige arrest moet dat recht worden geëerbiedigd, ook al voorziet de toepasselijke regeling niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit (zie arrest G. en R., EU:C:2013:533, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze
werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belangdie met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en (…) niet zijn te beschouwen als een
onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (…) [26] .”
het nagestreefde doel in aanmerking genomen, geen onevenredige en onduldbare ingreep impliceren waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie in die zin reeds aangehaald arrest Dokter e.a., punt 75, en arrest van 18 maart 2010, Alassini e.a., C-317/08 – C-320/08, Jurispr. blz. I‑2213, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
automatischmoet worden verleend in geval van bezwaar, ook niet indien de belanghebbende niet voorafgaand aan de utb is gehoord (cursivering en onderstreping MvH):
het maken van bezwaar of instelling van administratief beroep tegen die uitnodiging tot betalingnoodzakelijkerwijstot gevolg moet hebben dat de uitvoering van die uitnodiging tot betaling automatisch wordt opgeschortom de eerbiediging te verzekeren van het recht om te worden gehoord in het kader van dat bezwaar of beroep.” [28]
6.De douanewaarde – provisiebedragen en handling fee (middel I)
voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijsindien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33 (…)”
in beginselgehanteerd als douanewaarde. De transactiewaarde kan namelijk alleen als douanewaarde worden gehanteerd, indien (met mijn cursivering): [34]
geenenkel deel van de
opbrengstvan elke
latere wederverkoop of overdracht, onderscheidenlijk van elk later gebruik van de goederen door de koper,
direct of indirect de verkoper ten goede zal komen, tenzij krachtens artikel 32 een Pro geëigende aanpassing kan worden uitgevoerd, en
allebetalingen door de koper omvat:
7.Schuldenaarschap (middel III)
aangever. (…) [40] . Wanneer een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, kunnen
de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt,
terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen
eveneens als schuldenaarworden beschouwd.”
ookdegene die haar onjuiste gegevens heeft verstrekt, door de Inspecteur had moeten worden aangesproken, dan wel dat zij bedoelt dat de verstrekker van de onjuiste gegevens
in haar plaatshad moeten worden aangesproken. Ik ga uit van dat laatste. Indien belanghebbende zou bedoelen dat de onjuiste gegevensverstrekker ook had moeten worden aangesproken – naast haar, als aangever – zou dat belanghebbende immers niet baten: zij is en blijft in die lezing immers douaneschuldenaar en daarmee gehouden tot betaling. Ik ga er derhalve van uit dat belanghebbende beoogt te betogen dat niet zij maar de onjuiste gegevensverstrekker de utb’s had moeten krijgen.
eveneensworden aangemerkt als douaneschuldenaar (mits de nationale bepalingen daarin voorzien). Deze formulering suggereert dat de verstrekker van onjuiste gegevens een ‘extra’ douaneschuldenaar kan zijn, niet dat hij in de plaats komt van de andere in de bepaling vermelde douaneschuldenaren.
mechanisme van de hoofdelijkheid vormt immers een aanvullend juridisch instrument dat de nationale autoriteiten ter beschikking is gesteld om de doeltreffendheid van hun maatregelen op het gebied van de invordering van de douaneschuld te versterken.”
waarborging van een daadwerkelijke invordering van de douaneschuld, en aldus, met eerbiediging van die doelstellingen en het
evenredigheidsbeginsel, in voorkomend geval regels kunnen vaststellen ter precisering van de toepassingsvoorwaarden van de in die regeling neergelegde bepalingen (zie in die zin arrest van 23 september 2004, Spedition Ulustrans, C‑414/02, Jurispr. blz. I‑8633, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
de schuldeiser vrij is in de keuze alle dan wel slechts één of sommige van de hoofdelijke schuldenaren tot betaling van de gehele schuld aan te spreken. Weliswaar is de ontvanger, als overheidsorgaan, daarbij gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar bij de beantwoording van de vraag of deze in acht zijn genomen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen de aansprakelijkstelling en de daarop volgende stappen. (…) in overeenstemming met het zojuist genoemde beginsel van de hoofdelijke aansprakelijkheid, [zullen] uiteenlopende verhaalsmogelijkheden al spoedig voldoende grond opleveren om niet alle bestuurders te dagvaarden.”
8.Artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW (middel IV)
actieve gedraging, (…) van de tot navordering
bevoegde autoriteiten, (…).
Uitgeslotenzijn derhalve de vergissingen die zijn veroorzaakt door
onjuiste verklaringen van de belastingschuldige, behoudens de gevallen waarin de onjuistheid van die verklaringen slechts het gevolg zou zijn van door de bevoegde autoriteiten verstrekte onjuiste gegevens waaraan die autoriteiten gebonden zijn.”