ECLI:NL:PHR:2015:39

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2015
Publicatiedatum
3 februari 2015
Zaaknummer
13/03063
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 SrArt. 338 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 81 ROArt. 242 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest afpersing en diefstal met bedreiging wegens onvoldoende motivering

De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf wegens afpersing en diefstal met bedreiging met geweld, gepleegd in vereniging met anderen op 12 november 2009 te Delft. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op verklaringen van het slachtoffer, getuigen, mede-verdachten en proces-verbalen van politieonderzoek.

De verdediging stelde vier cassatiemiddelen voor, waaronder dat de bedreiging met geweld niet voldoende was gemotiveerd en dat de bewijsmiddelen innerlijk tegenstrijdig waren. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het hof niet expliciet motiveerde waarom het gedrag van de verdachten als bedreiging met geweld moest worden aangemerkt, uit de omstandigheden en bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat de bedreigde in redelijkheid vrees kon hebben voor geweld.

Echter, de Hoge Raad stelde vast dat er een innerlijke tegenstrijdigheid bestond in de bewijsmiddelen over de rol van de verdachte bij de beroving, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Andere middelen faalden, waaronder het middel over de strafmotivering betreffende het gebrek aan fysiek contact met het slachtoffer.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 13/03063
Zitting: 6 januari 2015
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Den Haag wegens “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 13/03063 en 13/03065. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag, vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 12 november 2009 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met inhoud, toebehorende aan Pizza [A] en/of [betrokkene] en/of [slachtoffer], welke bedreiging met geweld bestond uit het:
- met bedekt gelaat en dreigend met de handen in de zakken agressief tegen die [slachtoffer] zeggen “geef mij je geld”;
en
hij op 12 november 2009 te Delft tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit de box van de bromfiets van pizzabezorger [slachtoffer]) heeft weggenomen pizzas en pakjes sigaretten, toebehorende aan Pizza [A] en/of [betrokkene] welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het:
- met bedekt gelaat en dreigend met de handen in de zakken agressief tegen die [slachtoffer] zeggen “geef mij je geld”.
5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2013 verklaard - zakelijk weergegeven-:
Ik was in het bezit van een Opel Omega.
Mijn roepnaam is [verdachte].
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 50 ev):
als de op 14 december 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene]:
Ik ben namens Pizza [A] te Delft gerechtigd tot het doen van aangifte. Tussen 19 november 2009 te 21.30 uur en 22.00 uur werd op de Bilderdijkhof te Delft een straatroof gepleegd.
Ik ben eigenaar van Pizza [A] te Delft. Ik doe tevens aangifte namens mijn medewerker [slachtoffer].
Op 19 november 2009 omstreeks 21.30 uur kwam ik op de zaak. Ik hoorde van een van mijn medewerkers dat er nog een bestelling was van 5 pizza's en 2 pakjes Marlboro op de Willem Bilderdijkhof. Ik weet dat er een nummer was doorgegeven, maar dat het nummer niet bestond. Ik weet dat we anoniem gebeld werden om de bestelling door te geven. Het telefoonnummer wat was opgegeven was niet in gebruik.
Omstreeks 22.00 uur werd ik in paniek gebeld door [slachtoffer]. Hij was beroofd. In de portemonnee zat een bedrag van 250 a 300 euro. Verder zijn er 2 pakjes sigaretten a 4,60 euro weggenomen en 5 pizza's ter waarde van 40 euro.
3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 28 december 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 56):
als de op 28 december 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene]:
Ik weet voor 100 procent zeker dat het op een donderdag is gebeurd. Ik denk dat het dan 12 november 2009 is geweest.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 december 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 58 ev):
als de op 15 december 2009 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Ik ben werkzaam als bezorger bij Pizza [A] te Delft.
Ik ging de laatste bestelling bezorgen Ik kreeg te horen dat dit een bestelling was van vijf pizza's en 2 pakjes sigaretten op de Willem Bilderdijkhof.
Ik ben op mijn bromfiets naar de Willem Bilderdijkhof gereden. Ik zag dat het nummer zich niet op de flat bevond. Ik heb geprobeerd het nummer te bellen. Ik hoorde toen dat dit nummer niet in bereik was. Vanaf achteren naderde 3 jongens. Ik zag dat twee jongens hun gezicht bedekt hadden en 1 jongen was hiervan goed zichtbaar. Dader 1 zei op zeer agressieve wijze "Geef mij je geld". Ik heb daarna mijn portemonnee afgegeven aan dader 1. Ik zag dat hij de box van mijn bromfiets opende en daar de bestelling uithaalde. Dit waren vijf pizza’s en twee pakjes sigaretten. In de portemonnee zat ongeveer 250 euro. Dader 1 zei: "Hou je bek of ik doe je wat teringlijder".
Ik heb later samen met [betrokkene] op internet de site Hyves bekeken en ik zag een foto. Ik herkende de jongen voor 100 procent. Ik hoorde van [betrokkene] dat de jongen [medeverdachte 1] heet.
5. Een proces-verbaal van verhoor (mede)verdachte d.d. 2 maart 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-12.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 88 ev):
als de op 2 maart 2010 afgelegde verklaring van [medeverdachte 1]:
Op 12 november 2009 had ik afgesproken met [medeverdachte 2].
[medeverdachte 3] was bij [medeverdachte 2] thuis. Begin van de avond kwam [medeverdachte 4]. We bedachten een plan om een pizza en sigaretten te bestellen bij een pizzatent. Vervolgens zouden we de pizzakoerier opwachten en beroven van zijn geld en sigaretten.
Het plan was om de pizzakoerier op een vals adres te laten bezorgen aan de Willem Bilderdijkhof te Delft. Ik hoorde dat [medeverdachte 4] pizza [A] belde. Hij bestelde pizza's en twee pakjes sigaretten. Omstreeks 21.00 uur kwam een andere jongen die ik ken als [verdachte] naar de flat van [medeverdachte 2]. [verdachte] had een personenauto van het merk Opel Omega 2.0 16v. We zijn allen in de auto gaan zitten. [verdachte] vertelde dat hij wel zou bellen naar pizza [A] om extra pizza's te bestellen.
Op een gegeven moment kwam de pizzakoerier aanrijden. Hij reed vlak langs mij en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] droeg een capuchon over zijn hoofd. De pizzakoerier reed verder en we zijn in de auto van [verdachte] gaan zitten. De pizzakoerier kwam weer aanrijden en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] stapten uit de auto en kwamen als eerste bij de pizzakoerier. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte] iets later uitstapten en ook naar de pizzakoerier liepen. [verdachte] ging weer achter het stuur zitten en de rest achterin. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hielden een aantal pizzadozen vast. Zij hadden ieder een pakje sigaretten. In Rotterdam parkeerde [verdachte] de auto.
Ik zag dat de jongens een aantal bankbiljetten van 10 euro in hun hand hielden, in totaal wel 200 euro. We zijn in Rotterdam naar het casino gegaan. Ik kreeg van [verdachte] geld.
6. Een proces-verbaal van verhoor (mede)verdachte d.d. 10 maart 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-18.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 168 ev):
als de op 10 maart 2010 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2]:
Op een donderdag, u zegt 12 november 2009 dat is goed mogelijk, was ik thuis aan de [a-straat] te [plaats].
Daar waren ook een aantal vrienden van mij, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. [medeverdachte 1] of [medeverdachte 4] belde naar Pizza [A]. We zouden de bezorger overvallen. Later kwam [verdachte] met een Opel Omega. Hij had honger en we hebben weer naar Pizza [A] gebeld om een nabestelling te doen. De pizza's zouden komen aan de Willem Bilderdijkhof te Delft op een verzonnen nummer. Wij besloten in de auto te wachten. Wij zagen de pizzakoerier voorbij rijden. [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] beroofde de pizzakoerier van pizza's en grote portemonnee. We zijn daarna naar Rotterdam gereden.”
6. Volgens het
eerste middelkan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat – zoals is bewezenverklaard – verdachte of (één van) zijn medeverdachten dreigend de handen in de zakken had(den).
7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan inderdaad niet worden afgeleid dat verdachte en/of (een van) zijn mededaders de handen dreigend in de zak had(den),
8. Het middel is terecht voorgedragen doch behoeft op de hierna op bij de bespreking van het tweede middel onder 15 vermelde gronden niet tot cassatie te leiden.
9. Het
tweede middelhoudt in dat het met bedekt gelaat en dreigend met de handen in de zakken agressief tegen die [slachtoffer] zeggen "geef mij je geld" niet als een bedreiging met geweld aangemerkt kan worden.
10. Vooropgesteld moet worden dat de wet niet zegt wat onder “geweld” dient te worden verstaan. In Noyon-Langemeijer-Remmelink wordt als definitie van geweld gehanteerd: “de aanwending van fysieke kracht (tegen personen of goederen), welke met zo’n hevigheid geschiedt, dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen.” [1] Lindenberg merkt op dat de inhoud en reikwijdte van het geweldsbegrip voor art. 284 Sr Pro niet van fundamenteel belang is, nu de bestanddelen “geweld” en “bedreiging met geweld” in art. 284 Sr Pro geflankeerd worden door de ruimere bestanddelen “enige andere feitelijkheid” en “bedreiging met enige andere feitelijkheid”. Volgens hem kan het “geweld” in art. 284 Sr Pro beperkt blijven tot de kernbetekenis, welke in de context van art. 284 Sr Pro het eenvoudigst kan worden omschreven als een “krachtdadige feitelijkheid”, zodat daarmee het geweldbegrip zijn primaire betekenis behoudt en de grens met “een andere feitelijkheid” eenvoudiger te bepalen is. [2]
11. Voorts dient het volgende in aanmerking te worden genomen. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met geweld is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld jegens hem zou worden uitgeoefend. [3] Van bedreiging met geweld kan ook sprake zijn indien de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd, dat de vrees van de slachtoffers voor geweld van hun zijde gerechtvaardigd is. [4]
12. Keijzer merkt in zijn noot bij HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6391, NJ, 2012, 148 op dat feitenrechters zijns inziens in gevallen, waarbij de bewezenverklaring niet de omstandigheden inhoudt op grond waarvan de bewezenverklaarde gedraging kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld, bij veroordeling verplicht zouden moeten zijn tot een bijzondere bewijsmotivering waarin zij omtrent die omstandigheden verantwoording afleggen. Die eis stelde de Hoge Raad overigens niet in het geval dat aan genoemd arrest ten grondslag lag. Daarin overwoog de Hoge Raad:
“3.4.1. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het volgende vastgesteld. De verdachte is op aanwijzing van twee getuigen, [slachtoffer] en [betrokkene 1], aangehouden wegens zijn betrokkenheid bij een brandstichting. Onmiddellijk na zijn vrijlating is de verdachte samen met zijn vader bij [slachtoffer] en [betrokkene 1] langsgegaan. De politie heeft begrepen dat [slachtoffer] van dit bezoek erg onder de indruk was. Hierop is door de recherche besloten een camera te plaatsen gericht op de woning van [betrokkene 1] en [slachtoffer]. [Betrokkene 1] heeft besloten de nacht elders te gaan doorbrengen. Nog diezelfde avond is de verdachte nogmaals bij [slachtoffer] langsgegaan, dit keer samen met een drietal anderen met de mededeling dat [slachtoffer] hem had verraden en dat [slachtoffer] diens voor de verdachte belastende verklaring moest aanpassen. De verdachte zou daartoe met [slachtoffer] mee willen gaan naar de politie. Verder zijn door een of meer van de anderen opmerkingen gemaakt als: "werk gewoon mee, anders gaan we dingen doen die je niet leuk zal vinden" en "luister meneer, luister naar die jongen en ga mee naar het politiebureau". [Slachtoffer] heeft na dit bezoek tegen zijn vriendin gezegd dat hij zijn verklaring zou gaan intrekken.
3.4.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring omschreven uitlatingen van de verdachte, waarbij het kennelijk - en terecht - ook de context van het geval mede van betekenis heeft geacht, een poging tot bedreiging met geweld van [slachtoffer] opleveren. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld en de vaststellingen van het Hof, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen de aard van het strafbare feit (brandstichting) dat de verdachte volgens [slachtoffer] had gepleegd. De bewezenverklaring is dan ook naar de eis der wet met redenen omkleed.”
13. In het onderhavige geval bestond de bedreiging met geweld in “met bedekt gelaat en dreigend met de handen in de zakken agressief tegen die [slachtoffer] zeggen "geef mij je geld". Voor wat betreft de omstandigheden waaronder die bedreiging plaatsvond heeft het Hof vastgesteld, dat de verdachte en zijn mededaders pizza’s bij de bedreigde hebben laten bezorgen op een, zoals de bedreigde ontdekte, niet bestaand adres, dat de verdachte en zijn mededaders met drie personen waren, dat de bedreigde alleen was en door een van de mededaders tegen hem gezegd is "Hou je bek of ik doe je wat teringlijder".
14. Laatstgenoemde, door het Hof kennelijk als vaststaand aangemerkte uitlating heeft het Hof, hoewel deze wel is tenlastegelegd, niet bewezenverklaard. Dat lijkt mij op een vergissing te berusten. Aan de vaststelling van het Hof doet deze omstandigheid dan ook niet af.
15. Hoewel de als bedreiging met geweld bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en zijn mededaders op zichzelf geen bedreiging met geweld inhouden, heeft het Hof niet gemotiveerd waarom die gedragingen bedreiging met geweld opleveren. Niettemin meen ik dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de gedragingen van verdachte en zijn mededaders, zoals het Hof kennelijk en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft geoordeeld, in de omstandigheden van het geval bij de bedreigde in redelijkheid de vrees hebben kunnen doen ontstaan dat geweld jegens hem zou worden uitgeoefend. Doorslaggevend daarvoor acht ik dat verdachte en zijn mededaders op het slachtoffer afkwamen toen deze had ontdekt dat hij naar een niet bestaand adres was gestuurd en dus kennelijk in de val was gelokt. Daar komt bij dat verdachte en zijn mededaders kennelijk kwaad in de zin hadden omdat twee van hen een bivakmuts droegen en dus kennelijk niet herkend wilden worden en één van hen dreigde de verdachte wat te zullen aandoen wanneer hij er niet het zwijgen toe deed. Gelet op al deze omstandigheden acht ik voor dit oordeel niet wezenlijk of verdachte en zijn mededaders de handen nu dreigend in de zakken hadden of niet.
16. Het middel faalt.
17. Het
derde middelklaagt over innerlijke tegenstrijdigheid van de gebezigde bewijsmiddelen.
18. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat volgens bewijsmiddel 4, de verklaring van de bedreigde, verdachte een van de drie personen was die hem heeft beroofd, terwijl volgens bewijsmiddel 5 de beroving is gepleegd door vier personen, anderen dan verdachte, volgens bewijsmiddel 6 door drie personen, eveneens anderen dan verdachte.
19. Hier is inderdaad sprake van een tegenstrijdigheid als in de toelichting op het middel beschreven, en nog wel op een essentieel onderdeel van de bewijsvoering, de rol van verdachte. Dit betekent dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd en dat het arrest dus niet in stand kan blijven.
20. Het middel slaagt.
21. Het
vierde middelis gericht tegen de strafmotivering voor zover luidende:
“De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het afpersen en beroven van een pizzabezorger. De verdachte en zijn mededaders hebben de pizzabezorger gedwongen geld, sigaretten en pizza's af te geven. De handelwijze van de verdachte en zijn mededaders getuigt van volkomen gebrek aan respect voor de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer.”
22. Dit oordeel, aldus de toelichting op het middel, is voor wat betreft het getuigen van gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer niet begrijpelijk, omdat door het Hof niet is vastgesteld dat er sprake is geweest van enig fysiek contact met of enige fysieke aantasting van het slachtoffer. Deze opvatting deel ik niet. Bedreiging met geweld is immers een vorm van bedreiging die bedreiging met inbreuk op de lichamelijk inhoudt.
23. Het middel faalt.
24. Het eerste en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 81, aant. 6 (suppl. 137, november 2006).
2.K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang in het bijzonder art. 284 Sr Pro, diss. Groningen 2007, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2007, p. 196 en 197.
3.Vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:961 (t.a.v. bedreiging met zware mishandeling), HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:775 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1562 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1106 (bedreiging met zware mishandeling), HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:686, NJ 2013, 564 m.nt. Keijzer (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling), HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5695, NJ 2013, 63 (bedreiging met zware mishandeling), HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6391, NJ, 2012, 148, m.nt. N. Keijzer, HR 20 september 2011, LJN BR0444 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 14 juni 2011, LJN BQ3717, NJ 2011, 285 (t.a.v. bedreiging met zware mishandeling), HR 15 maart 2011, LJN BP2215, NJ 2011, 227, m.nt. N. Keijzer (t.a.v. bedreiging met zware mishandeling), HR 25 januari 2011, LJN BO4022, NJ 2011, 226, m.nt. N. Keijzer (t.a.v. bedreiging met zware mishandeling), HR 25 januari 2011, LJN BP1858, NJ 2011, 225, m.nt. N. Keijzer (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 25 januari 2011, LJN BP1834 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 4 december 2007, LJN BB7104 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling), HR 19 juni 2007, LJN BA3135 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 18 april 2006, LJN AV4824, NJ 2006, 397, m.nt. Y. Buruma (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) en HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005, 448 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht).
4.Aldus HR 22 maart 1988, LJN AD0225, NJ 1988, 785 t.a.v. bedreiging met geweld als bedoeld in art. 242 Sr Pro en HR 29 september 2009, LJN BJ6967 t.a.v. bedreiging met geweld in art. 325 SrNA Pro (overeenkomend met art. 312 Sr Pro).