Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ter zake de feiten 3 en 4 op rechtens onjuiste gronden heeft aangenomen dat sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van art. 273f Sr waarbij ’s Hofs overweging in het arrest inhoudende dat de mogelijkheid zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken, de uitbuitingssituatie niet zou uitsluiten, niet redengevend is voor het bewijs van ‘uitbuiting’, althans dat het Hof heeft nagelaten om de weerlegging van de contra-indicatie die uit het vrijelijke reisgedrag naar Marokko en Spanje van aangeefster [betrokkene 2] kan worden afgeleid op voldoende wijze te motiveren waardoor het oordeel van het Hof bovendien onbegrijpelijk is.
naar het hof begrijpt) terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich onder de sub 1 genoemde omstandigheden zich beschikbaar stelde tot het plegen van die handelingenen
naar het hof begrijpt: met één van de in sub 1 genoemde (dwang)middelen- heeft bewogen hem, verdachte uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen,
(het hof begrijpt: en sub 4 en 6)) bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld en bovenomschreven misbruik hieruit dat verdachte (telkens) (meermalen)
het hof begrijpt: en sub 4 en 9) door (
het hof begrijpt: dwang en/of geweld endreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie
Oordeel hof
"ALGEMEEN
tweede middelklaagt dat het Hof de redelijke termijn in de appelfase heeft overschreven en aan deze overschrijding ten onrechte geen consequenties heeft verbonden.