B: Hoe voelde je je toen op dat moment? Toen je uit het café kwam, hoe voelde je je?
I: Op zich wel goed. Ik kan me niet herinneren dat ik toen anders dan anders was.
B: Niet emotioneel of niet aangeslagen?
I: Nee, dat ik kan ik mij eigenlijk niet voorstellen, nee.
Ik ben naar huis gereden, ik ben het hok binnengegaan en ik heb dat wapen gepakt. Ik heb het wapen gepakt en ik heb het in de auto gegooid en ik ben weer in het hok geweest en toen heb ik een dikke hamer gepakt, wat weet ik ook wel. Die heb ik ook meegenomen in de auto. Toen ben ik daar heengereden.
B: Op het moment dat hij dat wapen pakt, dat pakje met een doel, je weet waar het ligt, daar ga je doelbewust heen.
I: Ja.
B: Je pakt het wapen. Dat zat ingepakt, waar zat het ook al weer in?
I: In zo'n legerhoesje noem ik het maar en ik een plastic tas.
B: Daar zat het wapen in en de munitie?
I: Ja. Ik heb het wapen geladen, ben in de bus gaan zitten en heb dat wapen geladen. Toen ben ik teruggegaan in de loods en toen heb ik die dikke hamer nog gepakt. En toen ben ik daarheen gereden.
B: Waar had je het wapen toen?
I: Dat lag naast me op de stoel. Niet meer ingepakt.
B: Je hebt het geladen en zo op de stoel gelegd''
I: Ja.
B: Gebruiksklaar?
I: Ja.
K: Maar je komt thuis, je rijdt het erf op, ga je rechtstreeks naar de loods of ga je eerst het huis in?
I: Ik moet eerst wel in huis zijn geweest, want volgens mij had ik geen sleutel van de loods in mijn zak, dus ik moest eerst wel in huis geweest zijn om de sleutel van de loods te pakken.
B: Dus zeg maar, jij rijdt naar huis, dan heb je al in je hoofd het wapen te pakken. Je gaat in huis om de sleutel te pakken van de loods.
I: Ja
B: Je haalt die sleutel van de loods uit het huis. Je hebt wel een huissleutel bij je, daar kun je mee binnenkomen.
I: Ja, ja.
B: Je haalt de sleutel van de loods uit het huisje loopt naar de loodsje doet de loods open, nog steeds in je hoofd, ik wil dat wapen hebben. Je gaat die loods binnen en je pakt dat pistool boven vandaan.
I: Ja.
B: Je moet een trap op, je moet op de zolder.
I: Ja.
K: Je hebt dat wapen, je gaat in de auto zitten en vervolgens in de auto laad je het wapen?
I: Ja. Het wapen heb ik naast mij op de stoel neergelegd.
K: Waar had je de auto staan in de tijd datje het wapen hebt gehaald?
I: Op de oprit.
K: Motor uit?
I: Ik denk van wel. Want anders kon ik niet in huis komen, omdat mijn huissleutel aan het autosleutelbosje vastzat. Dus de bus moet uit zijn geweest.
B: De hamer komt om de hoek, die neem je ook mee in de auto?
I: Jajaja.
K: Waarom?
I: Dat moet ik bewust gedaan hebben dat ik die hamer heb meegenomen om daar binnen te komen. Ik zou anders niet weten waarom ik die hamer heb meegenomen.
Een voorhamer. Zo noemen ze zo'n hamer.
K: Je had eerst al het wapen in de auto gelegd?
I: Ja, toen ben ik weer in de loods gegaan, tenminste dat herinner ik mij zo. En toen heb ik die hamer ergens opgezocht in het hok.
B: Een lange steel met een stalen kop?
I: Ja, een voorhamer.
B: met een totale lengte van?
I: Nou, wat zit eraan, een steel van een meter, één twintig?
B: Die nam je mee, met de gedachte, ik moet straks toch naar binnen, ik moet wat meenemen om binnen te komen, zo snel mogelijk?
I: Ja
B: Op dat moment, zeg ik maar, neem je dat spul mee, bewust om daar naar binnen te gaan?
I: Ja.
K: dus je wou eigenlijk met die hamer de deur in rammen, of het raam?
I: Ja, de deur. Tenminste, ik weet, dat ik daar tegen die deur aangebeukt heb met die hamer, dus daar zal ik hem ook wel voor meegenomen hebben.
B: Volgens mij kunnen we wel opschrijven: 'Om mij behulpzaam te zijn om me de toegang te verschaffen tot de woning'.
I: Ja.
B: Dus je was op dat moment al van plan naar binnen te gaan?
I: Ja
K: Heb je verder ook nog iets anders gedaan vanaf het eerste moment, datje die auto daar zag staan, en datje naar huis bent gegaan, in die tijd, heb je toen ook nog iets anders gedaan?
I: Jaaaa, ik heb haar gebeld. Toen ik thuis was.
B: Bij jou thuis vandaan?
I: Ja. Ik heb haar gebeld en toen heb ik gezegd, is het lekker?
B: Doelend op ...
I: Nou, dat zij daar met hem in bed lag.
B: Nam ze de telefoon zelf op?
I: Ja, want ik belde haar op haar mobiele nummer.
B: En op welk moment heb je gebeld?
I: Ik denk dat ik in de loods was.
B: ln ieder geval begrijp ik uit jouw woorden, dat het al was voor je het pistool pakte?
I: Ja.
B: Wat zei ze?
I: Ze zei, dat weet ik niet. Dat volgens mij het hele gesprek, volgens mij heb ik niet meer tegen haar gezegd. Ja, ik wel wat gezegd, maar ze heeft de telefoon uitgedrukt.
K: Vond je het vervelend dat ze de verbinding verbrak?
I: Ja, ja.
I: Nee, ik probeer de schuld niet naar een ander toe te schuiven, want ik weet wel wat ik gedaan heb, ik..ik., weet dat ik mensen heb verwond en euh...
B: Wat zegje, wát heb je mensen?
I: Dat ik mensen heb verwond en dat er één bij overleden is, dat weet ik wel, hoor. Ik weet dat ik mensen heb beschoten. Ik weet wel dat ik daar twee heb neergeschoten en ik daar in Kootstertille ook één heb neergeschoten en dat die is omgekomen, dat weet ik echt wel hoor.
B: In welke veronderstelling.. toen jij heb geschoten, en je bent daar weggereden bij die schietpartij, je bent ook nog uit Kootstertille weggereden, wat had je toen in je hoofd? Wat was er toen gebeurd, wat dacht jij?
I: Nou, toen heb ik .. nou, ik heb niet gedacht wat ik heb doodgeschoten, dat heb ik zo net al .. ik denk, er is sowieso één doodgeschoten.
B: Wie dan?
I: [slachtoffer 2]
B: Waarom?
I: Dat weet ik, dat ik die het vuurwapen op zijn hoofd heb gehad en toen heb geschoten.
B: Op dat moment dacht jij, [slachtoffer 2] is dood. Dat kan niet missen, die heb ik voor de kop geschoten.
I: Ja. Dat heb beeld heb ik iedere keer voor me, dat ik hem het vuurwapen op zijn hoofd gezet heb en geschoten heb en dat mijn vrouw daar bij de trap lag, dat beeld heb ik.
B: En je schiet iemand voor zijn hoofd om hem dood te schieten. Daar mag geen misverstand over bestaan, deze moet dood, want ik schiet je voor je kop, ik heb het wapen ook nog op je kop?
I: Ja
K: 'Ik ben het huis van [slachtoffer 2] voorbij gereden en ben linksaf geslagen en in deze straat heb ik de auto aan de linkerkant van de rijbaan geparkeerd'. Ja?
I: Ja.
K: Wat had je bij je toen je uitstapte?
I: De hamer en het wapen.
B: Kun je dat moment nog voor de geest krijgen? Je stapt uit de auto I: Ja, ik stap uit de auto, loop er heen en sta dan bij de voordeur aan de zijkant van het huis.
B: Dat houdt in, je bent het huis voorbij gelopen, want de deur zit volgens mij aan de kant van de oprit hè?
I: Ja
B: Dus je bent het huis voorbij gelopen, de oprit afgelopen, je bent bij jullie eigen auto langsgelopen?
I: Ja. Dan heb ik de hamer in mijn handen en toen heb ik daar op de voordeur omgeslagen, ik zou de voordeur eruit slaan.
B: Kun je je nog herinneren, toen je voor het huis langs liep, branden er toen nog lichten, bijvoorbeeld?
I: Ja.
B: Branden die nog?
I: Ja.
B: Je hebt niet aangebeld?
I: Nee. Ik ben zo kwaad geweest, ik heb gewoon .. volgens mij heb ik daar direct met de hamer op de deur gebeukt.
B: Je staat voor de deur en je hebt de hamer in de zwaai, zeg maar, en die moet dooide deur uiteindelijk.
I: Ja
B: Is dat gelukt?
I: Nee
B: Wat is het alternatief?
I: Uh.. ja, het is nog anders, er komt nog wat bij.
B: Wat dan?
I: Uh .. zij komen aangelopen ..
B: Dan hebben we het over [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]?
I: Ze komen aangelopen
B: Waar vandaan?
I: Uit het huis. Er brandde licht en ik zag, zij kwamen op mij toe lopen. [slachtoffer 3] kwam er aangelopen en [slachtoffer 2] liep er achteraan.
B: Je zag hen in de gang staan?
I: Ja.
K: Wie zag je als eerste?
I: [slachtoffer 3]. [slachtoffer 2] kwam net even later volgens mij. Zij heeft wel wat gezegd, maar wat ze heeft gezegd weet ik niet, dat heb ik niet verstaan.
B: Wat herinner je je van [slachtoffer 3], hoe was zij daar, lopend..
I: Ze trok haar truitje naar beneden. Toen ze op mij toeliep, deed ze het truitje naar beneden, dat heb ik wel gezien. Het heeft in principe ook nog wel even geduurd voor ze bij de deur kwamen. Ik had al een paar keer op de deur gebeukt. Ik dacht, die moesten eerst de kleren nog aandoen. Omdat het al zo lang duurde, dus. Die deur ging dus niet open. Ja, toen heb ik het vuurwapen gepakt en toen heb ik door het raam heen geschoten. Een van de zijramen, en ik denk, zoals ik dat mij herinner, is dat het rechterraam naast de deur, zal ik maar zeggen, het raam aan de rechterkant.
K: Toen je daar doorheen schoot, waar waren [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] toen?
I: Voor mij. Ja, niet recht voor het raam, maar ze stonden voor mij. [slachtoffer 3] was nog in de hal en [slachtoffer 2] stond daar ook ergens.
K: Je pakt het pistool?
I: Ja
K: Uit de zak van je jas en je schiet door ...
I: het raam heen.
K: Door het staande raam heen. naast de voordeur?
I: Ja.
B: Waarom heb je geschoten?
I: Ik wilde daar naar binnen. Ik wou daar naar binnen.
B: Je pakt het pistool en je schiet door het raam?
I: Ja. Dat raam barste er in één keer uit. Ik heb gewoon geschoten en toen ik zo met de elleboog alles eruit geslagen.
B: Zat dus nog wel glas in?
I : Ja.
B: Heb je ook wat geraakt met dat schot?
I: Ja, ik heb hem geraakt. Dat heeft hij gezegd.
B: Waar heb je hem geraakt?
I: Dat weet ik niet, in zijn poot dacht ik. Hij heeft gezegd, wat precies weet ik niet, je hebt me ook al in mijn poot geschoten.
K: Wanneer zei hij dat?
I: Ja, toen ik daar binnen was. Die kogel, die ik door het raam heb geschoten die moet hem in zijn poot hebben geraakt. Omdat ik volgens mij nog niet achter elkaar heb geschoten, eerst niet.
B: Je had eigenlijk nog maar één schot gelost, in jouw beleving?
I: Ja. Ik heb dat raam er uit geschoten, zal ik maar zeggen..
K: Ja
I: Toen heb ik met mijn armen .. en toen ben ik naar binnen gestapt. En toen heeft hij, volgens mij, direct al tegen mij gezegd, je hebt me in mijn poot geschoten.
K: Ja, en toen?
I: Ja, nou ... en toen ... of ik toen ik het wilde weg om me heen heb geschoten, ik weet niet wat er toen precies is gebeurd, maar ik weet nog wel, dat hij op een gegeven moment heeft gezegd, nu heb ik er genoeg van en toen is hij mij aangevlogen.
K: Ja.
I: Nou en.. dat zie ik nog wel voor me.. dat is euh.. dat ik hem het pistool op zijn hoofd zette. En dat [slachtoffer 3] bij de voordeur ergens lag.
K: Ja maar, nu eerst even [slachtoffer 2], we zijn nu even bij [slachtoffer 2] Je zei ik zette hem het pistool op zijn hoofd, waar op zijn hoofd?
I: Ja, gewoon hier ergens op zijn hoofd, waar precies weet ik niet meer, het kan mij wel ergens in het midden of op de kant, ik weet het niet meer precies, maar in ieder geval op zijn hoofd.
B: op zijn hoofd?
I: Ja, want hij op de grond.
K: En toen?
I: Toen heb ik de trekker overgehaald. Ja, en toen heb ik hem in zijn kop geschoten.
K: Heeft het hele gebeuren zich in de hal afgespeeld?
I: Volgens mij niet, volgens mij was het ook in de woonkamer. Het was niet alleen in de hal. We zijn ook in huis geweest.