ECLI:NL:PHR:2015:668

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
26 mei 2015
Zaaknummer
14/02617
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Politiewet 2012Art. 7 Ambtsinstructie PolitieArt. 8 Politiewet 1993Art. 12 SvArt. 315 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping noodweer en putatief noodweer bij politieagent na schietincident inbraak

Op 9 februari 2010 vond een inbraak plaats in de Kijkshop te Deventer waarbij twee inbrekers via een kapotte glazen deur probeerden te ontsnappen. De verdachte, een politieambtenaar, stond bij de deur en schoot twee keer op de inbrekers toen zij gebukt naar buiten kwamen, waarbij beiden gewond raakten.

De verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag en stelde in hoger beroep en cassatie onder meer beroep op noodweer, putatief noodweer en noodweerexces. Tevens verzocht hij om een reconstructie van het incident en deskundigenonderzoek om zijn handelen te toetsen.

Het hof verwierp deze verzoeken en het beroep op noodweer en putatief noodweer, stellende dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of redelijk vermoeden daarvan. De Hoge Raad bevestigt deze oordelen, acht het afwijzen van de reconstructie en deskundige onderzoek niet onredelijk en benadrukt de bijzondere zorgplicht (Garantenstellung) van politieambtenaren. Ook verklaart het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun schadevorderingen wegens onevenredige belasting van het strafgeding.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling politieambtenaar wegens poging tot doodslag en verwerpt beroep op noodweer en putatief noodweer.

Conclusie

Nr. 14/02617
Zitting: 24 maart 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 7 maart 2014 het vonnis van de Rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zwolle, van 28 februari 2013 bevestigd met aanvulling van gronden. De verdachte is daarbij wegens 1 primair en 2 primair, telkens opleverende “poging tot doodslag”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn voorts de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Namens de benadeelde partij heeft mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Naar aanleiding van een melding van een nachtelijke inbraak in de Kijkshop in Deventer op 9 februari 2010 zijn twee politieambtenaren (de verdachte en [verbalisant]) ter plaatse gegaan. Op het moment dat de verdachte bij de voordeur van dit winkelpand post had gevat kwamen beide inbrekers ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) via de trap naar boven en trachtten zij gebukt en gehurkt door een gat in de verbrijzelde glazen deur naar buiten te komen. [betrokkene 2] had een voorhamer in zijn handen en beiden hadden een muts over hun hoofd. Nadat de verdachte de beide inbrekers had gesommeerd te blijven staan, heeft de verdachte twee maal kort achter elkaar een schot gelost, waarbij [betrokkene 1] een schotwond in zijn gezicht heeft gekregen en [betrokkene 2] in zijn linkerbovenbeen is geraakt. De schoten zijn gelost op het moment dat de inbrekers net gebukt onder de toegangsdeur vandaan kwamen.
5. Door de rijksrecherche is onderzoek gedaan naar het politieoptreden voor en tijdens het geweldsincident. Op grond van dit onderzoek heeft het openbaar ministerie bij sepotbeslissing van 29 april 2011 aanvankelijk besloten de verdachte niet verder te vervolgen, aangezien de verdachte een beroep op putatief noodweer zou toekomen. Vervolgens hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een klacht ex art. 12 Sv Pro ingediend. Bij beschikking van 14 juni 2012 heeft het Gerechtshof te Leeuwarden alsnog de vervolging van de verdachte bevolen ter zake van poging tot doodslag dan wel van zware mishandeling.
6. In de feitenrechtspraak zijn de afgelopen jaren verschillende zaken aan de orde geweest waarin een verdachte in zijn hoedanigheid van politieambtenaar vuurwapengeweld heeft toegepast. In een aantal gevallen is de verdachte politieambtenaar vervolgens ontslagen van alle rechtsvervolging. De gronden daarvoor verschillen. Na een schietpartij op het station Den Haag Hollands Spoor oordeelde de Haagse rechtbank dat de verdachte had gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (art. 8 Politiewet Pro 1993). [1] In een Middelburgse zaak werd een beroep op noodweer gehonoreerd. [2] De Rechtbank in Zutphen honoreerde in een zaak waarin een schietpartij na een nachtelijke inbraak in een winkel aan de orde was een beroep op putatief noodweer. [3] In andere gevallen vonden wel veroordelingen plaats. In verschillende daarvan had de politieambtenaar op een rijdende auto met één of meer inzittenden geschoten. [4] Ook in deze zaken hadden de verdachten zich beroepen op één of meer van de genoemde strafuitsluitingsgronden. Het debat in de onderhavige zaak spitst zich toe op de vraag of de verdachte een beroep toekomt op noodweer dan wel putatief noodweer.
7. Het
eerste namens de verdachte voorgestelde middelbehelst de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging om een reconstructie te doen plaatsvinden en het verzoek om naar aanleiding daarvan een deskundige te horen, heeft verworpen op gronden die deze beslissingen niet kunnen dragen. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarbij niet de juiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd.
8. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 februari 2013 zijn verbalisant [verbalisant] en de aangevers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman als getuigen gehoord. Zij hebben aldaar verklaringen afgelegd over de gang van zaken kort vóór en tijdens het schietincident. Ook de verdachte heeft op voornoemde terechtzitting en op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 uitgebreid verklaard over het schietincident.
(ii) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 februari 2013 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte bij wijze van voorwaardelijk verzoek verzocht om een reconstructie te doen plaatsvinden van het schietincident, voor het geval de rechtbank twijfelt aan de toedracht van de feiten zoals deze zijn geschetst door de verdachte en aan de juistheid van zijn handelen. Volgens de raadsman kan alleen door middel van een reconstructie op enigszins betrouwbare wijze de situatie van 9 oktober 2010 en de betrouwbaarheid van de verschillende verklaringen worden beoordeeld.
(iii) De Rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zwolle, heeft in haar vonnis van 28 februari 2013 het verzoek van de raadsman tot het houden van een reconstructie afgewezen. Zij achtte zich op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de ter terechtzitting afgelegde verklaringen voldoende in staat een beeld van de situatie te vormen en tot een oordeel te komen. Vervolgens heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld. De officier van justitie heeft op 8 maart 2013 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, terwijl namens de verdachte op 13 maart 2013 hoger beroep is ingesteld.
(iv) De raadsman heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 27 maart 2013 [5] onder meer verzocht een reconstructie te doen verrichten op de plaats waar de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden van de door de verdachte, de aangevers en verbalisant [verbalisant] gegeven versies van hetgeen is voorgevallen teneinde te achterhalen wat er werkelijk is gebeurd, wat de verdachte heeft waargenomen en in welke tijdspanne het één en ander zich heeft afgespeeld. Voorts heeft de raadsman verzocht om een deskundige te benoemen, die mede op basis van de resultaten van de reconstructie een oordeel kan geven over de tijd die de verdachte had om te reageren en over de vraag hoe realistisch het is om van de verdachte te verwachten dat hij allerlei andere alternatieve handelingen en oplossingen de revue had laten passeren alvorens te handelen.
(v) De advocaat-generaal bij het hof heeft in reactie op de verzoeken in de appelschriftuur bij brief van 26 juli 2013, gericht aan de raadsman, aangegeven dat het verzoek tot het laten verrichten van een reconstructie dient te worden afgewezen, aangezien de noodzaak tot het uitvoeren van een dergelijke reconstructie ontbreekt. Daartoe wees de advocaat-generaal erop dat er duidelijke foto’s in het dossier aanwezig zijn en er 3d-beelden zijn van de plek waar de feiten zich hebben afgespeeld. Daarnaast is het niet waarschijnlijk dat de betrokkenen bij een reconstructie nog gedetailleerd kunnen weergeven wat, wanneer en hoe het één en ander precies is verlopen, aangezien er inmiddels een behoorlijke tijd is verstreken. Bovendien geven de verklaringen van alle betrokkenen een goed beeld van de situatie ter plaatse, terwijl deze verklaringen overeen komen met de fotobeelden in het dossier.
Voorts heeft de advocaat-generaal in deze brief medegedeeld dat ook het verzoek om een deskundige te horen dient te worden afgewezen, aangezien de noodzaak voor dit verzoek ontbreekt. De geformuleerde vragen hebben geen betrekking op een bijzondere tak van wetenschap waarover de rechter zich moet laten voorlichten.
(vi) De raadsman heeft naar aanleiding van de brief van de advocaat-generaal bij brief van 16 augustus 2013 het volgende opgemerkt over de reconstructie. Het heeft toegevoegde waarde voor de waarheidsvinding om een reconstructie te doen uitvoeren, onder meer omdat op basis van de virtuele beelden niet is te beoordelen wat de verdachte kon waarnemen en hoeveel ruimte er was.
Voorts heeft de raadsman ten aanzien de benoeming van een deskundige het volgende medegedeeld. De vragen die beantwoord dienen te worden hebben betrekking op de psychologie, de neurologie, de gedragswetenschap en/of de bewegingsleer. Alvorens een normatief oordeel over het handelen van de verdachte kan worden gegeven, is het nodig de vraag te beantwoorden of de verdachte de tijd en de gelegenheid had om eventuele alternatieven te overwegen. In dat kader noemde de raadsman de naam van de heer J. Bloem als deskundige.
(vii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2013 heeft de raadsman van de verdachte opnieuw betoogd dat het houden van een reconstructie noodzakelijk is om de details van deze zaak goed te kunnen beoordelen.
Voorts heeft de raadsman op die terechtzitting wederom verzocht om een deskundige te benoemen, die dient te beoordelen of de verdachte gelet op de beschikbare tijd anders had kunnen handelen.
(viii) Het hof heeft bij tussenarrest van 13 september 2013 de verzoeken van de raadsman afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Het hof stelt vast dat door de verdediging op 13 maart 2013 hoger beroep is ingesteld en dat de appelschriftuur per fax is verzonden en ontvangen op 10 juni 2013, zodat in beginsel het noodzaakcriterium als toetsingskader heeft te gelden.
Onderzoekswens 1 (reconstructie)
Voor het laten uitvoeren van een reconstructie is het noodzakelijk dat een aantal vaststaande feiten als uitgangspunt kan worden genomen, zodat een objectief inzicht verkregen kan worden in het gebeurde. Weliswaar stemmen de door de verdachte gestelde feiten in grote lijnen overeen met de feiten zoals die door de andere bij de zaak betrokken personen zijn gesteld, maar over de factoren tijd, afstand en plaats bestaat geen eenduidigheid. In onderhavige zaak zijn deze factoren van cruciaal belang voor het laten uitvoeren van een geslaagde reconstructie. Naar het oordeel van het hof dient het reconstrueren van verschillende scenario's, zoals door de raadsman verzocht, geen redelijk doel.
Nu de voor een reconstructie benodigde factoren van tijd, afstand en plaats niet duidelijk zijn, wijst het hof dit verzoek af omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken.
Onderzoekswens 2 (deskundige benoemen)
Ook voor het benoemen van een deskundige die nader zou moeten verklaren over het tijdsbestek waarbinnen verdachte diende te handelen, is het van belang dat een dergelijk tijdsbestek vastgesteld kan worden. Nu er geen eenduidigheid is over de factoren tijd, afstand en plaats, is het hof van oordeel dat dit verzoek afgewezen dient te worden, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken.”
(ix) Op 19 februari 2014 heeft de raadsman een door J. Bloem opgemaakt deskundigenrapport van 18 februari 2014 betreffende het schietincident van 9 februari 2010 in Deventer toegezonden naar de voorzitter van het hof en naar de advocaat-generaal. Dit rapport is kennelijk op verzoek van de verdediging en buiten de advocaat-generaal en het hof om opgesteld.
(x) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman bij wijze van voorwaardelijk verzoek (voor het geval het hof twijfelt aan de verklaring van de verdachte over de toedracht van de feiten) nogmaals verzocht een reconstructie te doen plaatsvinden van het schietincident. Volgens de raadsman zijn het proces-verbaal en de virtuele reconstructie volstrekt onvoldoende om met de nodige zorgvuldigheid te kunnen oordelen dat de lezing van de verdachte en diens handelen onjuist waren. Alleen door een reconstructie valt inzichtelijk te maken hoe weinig tijd er was tussen het moment dat de verdachte de aangevers heeft waargenomen boven aan de trap en het moment dat zij beneden door de deur kwamen. Mogelijk zal door een reconstructie blijken welke verklaringen op onderdelen onvolledig of onjuist zijn en welke verklaringen wel kloppen.
Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat Bloem kan worden gehoord als deskundige, als er nog vragen zijn ten aanzien van het door hem opgemaakte rapport.
(xi) Vervolgens heeft het hof in de bestreden uitspraak onder “beslissing inzake het voorwaardelijke verzoek om een reconstructie van het schietincident te laten plaatsvinden” dienaangaande nog het volgende overwogen:
“Ter zitting van het hof heeft de raadsman zijn eerder ook bij de rechtbank gedane verzoek herhaald om - indien bij het hof twijfel mocht bestaan over de verklaring van verdachte omtrent de door hem geschetste toedracht van de feiten dan wel de juistheid van zijn beslissingen en handelen - een reconstructie van het schietincident te laten plaatsvinden. Het proces-verbaal en de virtuele reconstructie zijn in de ogen van de raadsman onvoldoende voor de beoordeling van de situatie.
Evenals de rechtbank, acht het hof zich voldoende in staat om op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de ter terechtzitting(-en) afgelegde verklaringen een adequaat beeld van de situatie te vormen en tot een oordeel te komen. Het hof acht de noodzaak derhalve niet aanwezig en wijst het verzoek af.”
9. Het middel richt zich in de eerste plaats tegen de afwijzing door het hof bij tussenarrest van 13 september 2013 van het verzoek tot het houden van een reconstructie.
10. Het bij appelschriftuur gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2013 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte tot het houden van een reconstructie is een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv Pro, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van de in art. 316, eerste lid, Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 316, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. [6]
11. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 8 sub viii is weergegeven - in zijn tussenarrest van 13 september 2013 bij de afwijzing van het verzoek om een reconstructie geoordeeld dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, nu de voor een reconstructie benodigde factoren van tijd, afstand en plaats niet duidelijk zijn. Aldus heeft het hof, anders dan de steller van het middel betoogt, de juiste maatstaf toegepast.
12. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman slechts aangevoerd dat de bestaande stilstaande beelden onvoldoende zijn en dat een reconstructie nodig is om te achterhalen wat er is gebeurd en om te bepalen hoe weinig tijd er was tussen het moment dat de verdachte de aangevers boven aan de trap heeft waargenomen en het moment dat de aangevers beneden door de deur kwamen. Het hof heeft overwogen dat een reconstructie geen redelijk doel dient, omdat over de aspecten tijd, afstand en plaats niet eenduidig is verklaard. Die omstandigheid betekent dat het hof in het kader van zijn vrijheid bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal een keuze zal moeten maken welke (onderdelen van de) verklaringen hij betrouwbaar acht en voor het bewijs gebruikt en welke hij ter zijde stelt. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof voor het maken van deze afweging een reconstructie niet noodzakelijk acht. Het hof heeft zich voldoende in staat geacht om op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de ter terechtzitting(-en) afgelegde verklaringen een adequaat beeld van de situatie te vormen en tot een oordeel te komen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Zo zijn alle personen die bij het schietincident aanwezig zijn geweest op de terechtzitting in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman gehoord. Daarbij komt dat de beoordeling en interpretatie van de verklaringen van de getuigen en de verdachte en van de foto’s is voorbehouden aan het hof. Het is bij uitstek de taak van het hof (als feitenrechter) om op basis van de verschillende lezingen van de getuigen en de verdachte in combinatie met de foto’s vast te stellen wat er kort vóór en tijdens het schietincident is gebeurd en deze gebeurtenissen juridisch te duiden.
13. Gelet op hetgeen hiervoor onder 12 is uiteengezet, geeft het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het houden van een reconstructie niet is gebleken geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden, die grotendeels een herhaling behelzen van de in feitelijke aanleg betrokken stellingen, doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel niet af. Anders dan de steller van het middel aanvoert, is het hof aldus niet vooruit gelopen op de door hem verwachte uitkomst van het onderzoek. In aanmerking genomen hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Het hof heeft het verzoek derhalve afgewezen op gronden die deze beslissing kunnen dragen.
14. Het middel is voorts gericht tegen de afwijzing door het hof bij tussenarrest van 13 september 2013 van het verzoek tot het verrichten van onderzoek door een deskundige.
15. Het hof heeft het bij appelschriftuur gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2013 gehandhaafde verzoek van de raadsman om een deskundige onderzoek te laten verrichten naar de vraag of de verdachte gelet op de beschikbare tijd anders had kunnen handelen, kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv Pro, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van de in art. 316, eerste lid, Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 316, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. [7]
16. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 8 sub viii is weergegeven - in zijn tussenarrest van 13 september 2013 bij de afwijzing van voornoemd verzoek geoordeeld dat de noodzaak tot het benoemen van een deskundige ontbreekt en daartoe overwogen dat er geen eenduidige verklaringen zijn afgelegd over de factoren tijd, afstand en plaats. Aldus heeft het hof, anders dan de steller van het middel betoogt, de juiste maatstaf toegepast.
17. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman - in de kern genomen - slechts aangevoerd dat als deskundige J. Bloem dient te worden benoemd en dat deze deskundige mede op basis van de resultaten van de verzochte reconstructie onderzoek dient te doen naar de vraag hoeveel tijd de verdachte had om te reageren en naar de vraag of de verdachte anders had kunnen handelen c.q. of er voor de verdachte gelegenheid en tijd was om alternatieven te overwegen. Ook in dit opzicht geldt dat het de taak van het hof is een keuze te maken uit de verschillende (onderdelen van de) verklaringen over hetgeen precies is gebeurd. Het hof heeft zich voldoende in staat geacht om op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de ter terechtzitting(-en) afgelegde verklaringen een adequaat beeld van de situatie te vormen en tot een oordeel te komen. Uit de onderbouwing van het verzoek wordt niet duidelijk in welk opzicht een deskundigenonderzoek aan die keuze zou kunnen bijdragen, terwijl het voor de beantwoording van de vragen die de raadsman aan de deskundige wilde stellen wel noodzakelijk is dat duidelijkheid bestaat over het scenario waarvan wordt uitgegaan, aldus begrijp ik het hof. Bovendien heeft J. Bloem op verzoek van de verdediging op 18 februari 2014 een rapport opgemaakt, waarin hij ingaat op de vraag of de verdachte ten tijde van het incident terecht in de veronderstelling verkeerde dat hij werd aangevallen. Dit rapport bevindt zich bij de stukken van het geding, terwijl de voorzitter van het hof melding heeft gemaakt van de ontvangst van het rapport. Het hof heeft derhalve kennis kunnen nemen van het rapport. Het hof heeft de inhoud daarvan evenwel niet voor het bewijs gebezigd, hetgeen het hof in het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter vrij stond. Daarbij speelt een rol dat Bloem kennelijk de verklaring van de verdachte tot uitgangspunt heeft genomen, inhoudende dat de aangevers in de richting van de verdachte bleven doorlopen en dat zij met grote snelheid op hem afkwamen, zodat hij geen tijd en gelegenheid had om een confrontatie te voorkomen. Het hof heeft deze lezing van de feiten echter niet aannemelijk geacht.
18. Gelet op het voorafgaande, geeft het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het benoemen van een deskundige ontbreekt geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. In aanmerking genomen hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.
19. Het middel is ten slotte gericht tegen de afwijzing door het hof bij arrest van 7 maart 2014 van het herhaalde verzoek tot het houden van een reconstructie.
20. Ook voor de beoordeling van het herhaalde verzoek geldt ingevolge art. 316, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, als maatstaf of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. [8]
21. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 8 sub xi is weergegeven - bij de afwijzing van voornoemd verzoek bij arrest van 7 maart 2014 geoordeeld dat het hof de noodzaak tot het houden van een reconstructie niet aanwezig acht, aangezien het hof zich voldoende in staat acht om op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de ter terechtzittingen afgelegde verklaringen een adequaat beeld van de situatie te vormen en tot een oordeel te komen. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover klaagt het middel terecht niet.
22. Zoals bij de bespreking van de eerste klacht van dit middel reeds is uiteengezet, heeft het hof bij tussenarrest van 13 september 2013 een eerder verzoek van de raadsman om een reconstructie te houden op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen. Hetzelfde verzoek is al eerder aan de orde geweest en afgewezen, terwijl de raadsman geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan de reconstructie alsnog zou moeten worden gehouden. De raadsman heeft slechts zijn eerdere argumenten herhaald zonder expliciet in te gaan op de afwijzing door het hof bij tussenarrest. Daarbij komt dat het verzoek kennelijk is gedaan in het kader van de door de verdediging in feitelijke aanleg aangevoerde stelling dat de verdachte geen tijd en gelegenheid had om een confrontatie te voorkomen, welk standpunt het hof op niet onbegrijpelijke wijze niet aannemelijk heeft geacht.
23. Gelet op hetgeen hiervoor onder 22 is uiteengezet, geeft het oordeel van het hof dat het houden van een reconstructie niet noodzakelijk is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.
24. Anders dan de steller van het middel betoogt, behelzen de aan het slot van de toelichting op het middel aangevoerde argumenten [9] geen bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat de eisen van een eerlijke procesvoering zich zouden verzetten tegen de afwijzing van het verzoek tot het houden van een reconstructie. Nog daargelaten dat het door de steller van het middel aangehaalde (overzichts)arrest (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
NJ2014/441 m.nt. Borgers) betrekking heeft op verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen en niet op verzoeken van de verdediging tot het houden van een reconstructie, is in het onderhavige geval geen sprake van de in rechtsoverweging 2.9 van dat arrest bedoelde onvoorziene ontwikkelingen op grond waarvan de eisen van een eerlijke procesvoering zich verzetten tegen de afwijzing van een (getuigen)verzoek op basis van het noodzakelijkheidscriterium.
25. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
26. Het
tweede namens de verdachte voorgestelde middelbevat de klacht dat het hof het (ten aanzien van feit 1 en feit 2) gedane beroep op noodweer, putatief noodweer c.q. noodweerexces heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, aangezien het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, heeft geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een “noodweersituatie”.
27. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij op 9 februari 2010 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, een kogel heeft afgevuurd op [betrokkene 1], die zich bevond in de aan de Korte Bisschopsstraat gevestigde Kijkshop en die net naar buiten was gekropen door een gat in de ruit van de toegangsdeur van de Kijkshop en zich aldaar bevond buiten de Kijkshop (in gehurkte positie) en waarbij verdachte zich bevond op geringe afstand van [betrokkene 1] en waarbij die kogel onder meer de neusbrug en de keel van [betrokkene 1] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
28. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij op 9 februari 2010 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, een kogel heeft afgevuurd op [betrokkene 2] die zich bevond in de aan de Korte Bisschopsstraat gevestigde Kijkshop en die net naar buiten was gekropen door een gat in de ruit van de toegangsdeur van de Kijkshop en zich aldaar bevond buiten de Kijkshop (in gehurkte positie) en waarbij verdachte zich bevond op geringe althans enige afstand van [betrokkene 2] en waarbij die kogel door het linker bovenbeen van [betrokkene 2] is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
29. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, die zijn weergegeven in de door het hof bevestigde “promis-bewijsmotivering” van de rechtbank, blijkt dat het hof ten aanzien van deze feiten het volgende heeft vastgesteld. Op 9 februari 2010 omstreeks 4:45 uur ’s nachts hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een inbraak gepleegd in een winkelpand van de Kijkshop in Deventer. Dit winkelpand bevond zich in een kelder onder een andere winkel (de Hema). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] droegen ten tijde van de inbraak beiden een (bivak)muts over hun hoofd en zij hebben zich de toegang tot het winkelpand verschaft door met voorhamer c.q. moker de onderzijde van een glazen toegangsdeur (tot ongeveer een meter hoogte) kapot te slaan. Nadat er een inbraakmelding bij de politie was binnengekomen, zijn twee politieambtenaren, te weten de verdachte en [verbalisant], naar de plaats van de inbraak gegaan. [verbalisant] is in een politieauto in de omgeving op zoek gegaan naar de inbrekers, terwijl de verdachte bij de voordeur van het winkelpand is blijven staan. Toen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] “klaar” waren met de inbraak, zijn zij vanuit de kelder snel de trap op gelopen richting de voordeur. [betrokkene 1] liep voorop en hield twee tassen met daarin gestolen sieraden uit de Kijkshop vast, terwijl [betrokkene 2] kort achter hem liep en de moker in zijn handen hiel d. Op het moment dat zij door de opening van de toegangsdeur van de Kijkshop naar buiten wilden gaan, zagen zij de verdachte voor de deur staan. De verdachte stond op ongeveer twee meter van de toegangsdeur en heeft zijn vuurwapen getrokken. Toen [betrokkene 1] en kort daarna [betrokkene 2] in gebukte en gehurkte houding door het gat in de deur naar buiten kwamen, heeft de verdachte, nadat hij hen tevergeefs had gesommeerd te blijven staan, twee maal in hun richting geschoten. Als gevolg hiervan heeft [betrokkene 2] een schotwond in zijn linkerbeen opgelopen, waardoor bij hem zenuwschade is ontstaan. [betrokkene 2] heeft een operatie ondergaan en heeft enkele weken in het ziekenhuis verbleven. [betrokkene 1] heeft schotverwondingen in zijn gezicht en in zijn hals opgelopen, doordat er een kogel via zijn neus bij hem naar binnen is gekomen en via zijn hals weer naar buiten is gegaan. Hierdoor heeft [betrokkene 1], die drie dagen op de intensive care van het ziekenhuis heeft gelegen, inwendige verwondingen in zijn gezicht opgelopen, terwijl er bij hem sprake was van fracturen tussen zijn neus en zijn hals en een functiebeperking met betrekking tot slikken en praten.
30. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Een beroep op noodweer kan ook slagen in geval van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding. Hierbij moet objectief worden beoordeeld of een redelijke persoon, die geplaatst wordt in dezelfde omstandigheden als de verdachte, ook zo zou hebben gehandeld als de verdachte heeft gedaan. Derhalve moet aan de hand van de concrete situatie, zoals deze op het moment van het handelen van de verdachte kenbaar zou zijn geweest voor een objectieve derde, worden vastgesteld of de verdachte gerechtigd was te handelen zoals hij heeft gedaan. In dat verband zijn volgens de raadsman onder meer de volgende omstandigheden van belang: het was donker; [betrokkene 1] en [betrokkene 2] doken plotseling op, terwijl de verdachte alleen was; [betrokkene 1] en [betrokkene 2] renden op de verdachte af; de afstand tussen de verdachte en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] was gering; de verdachte heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesommeerd om te blijven staan en hij heeft nog enkele stappen achteruit gezet om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] meer tijd te geven om aan zijn sommaties gehoor te geven, waarna zij met dezelfde snelheid doorliepen en recht op de verdachte af kwamen; het gelaat van [betrokkene 1] en het gelaat van [betrokkene 2] waren bedekt, terwijl [betrokkene 2] een grote voorhamer c.q. moker voor zich hield; en het feitencomplex heeft zich in enkele seconden afgespeeld. Gelet op deze omstandigheden was er volgens de raadsman naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake van een onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding. Voorts voldoet het door de verdachte aangewende geweld volgens de raadsman aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte had immers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesommeerd te blijven staan en enkele stappen naar achteren gedaan, terwijl de verdachte gezien zijn functie niet mocht wegvluchten, er geen tijd was om een ander middel te gebruiken en pepperspray, de wapenstok of blote vuisten niet afdoende waren om zich te verdedigen.
31. Door het vonnis van de rechtbank te bevestigen heeft het hof dit verweer verworpen en daartoe onder “strafbaarheid” het volgende overwogen:
“Wil sprake zijn van noodweer dan dient allereerst vast te komen staan dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van, in dit geval, verdachte. Ook een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding wordt beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand daadwerkelijk op het punt staat om tot de aanval over te gaan. De rechtbank is van oordeel dat daar in het onderhavige geval geen sprake van is geweest. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hadden weliswaar net een inbraak gepleegd en voldeden niet aan de sommaties van verdachte om te blijven staan, van enige concrete dreigende agressie gericht tegen verdachte is niet gebleken op het moment dat verdachte in hun richting schoot, te weten op het moment dat zij net gebukt onder de toegangsdeur vandaan kwamen. Het feit dat zij, komend vanaf de trap in de kelder van de Kijkshop in de richting kwamen van de toegangsdeur waar, buiten, ook verdachte stond is daartoe niet voldoende. De beide mannen zijn daarbij zo kort na het gebukt passeren van het gat in winkeldeur neergeschoten, dat er geen sprake van kan zijn geweest dat deze mannen, zoals verdachte heeft verklaard, "in zijn richting bleven doorlopen". De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.”
32. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende te worden voorop gesteld. Uit de wettelijke omschrijving van noodweer blijkt dat het bij deze strafuitsluitingsgrond gaat om de verdediging van bepaalde rechtsgoederen tegen een (wederrechtelijke) aanranding. Noodweer impliceert verdedigend optreden. [10] De feitenrechter zal aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten beoordelen of zich een noodweersituatie heeft voorgedaan. Daartoe moet worden bezien of het feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Bij de beslissing of daarvan sprake is, komt betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. [11]
33. In de hiervoor onder 31 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Meer in het bijzonder heeft het hof niet aannemelijk geoordeeld dat de beide aangevers “in zijn richting bleven doorlopen”, zoals de verdachte heeft verklaard. Het hof heeft het verweer aldus in de eerste plaats op feitelijke gronden verworpen. Die constatering is van belang voor de beoordeling van het middel. De waardering van het beschikbare materiaal, waaronder de door de verdachte afgelegde verklaringen, is immers voorbehouden aan de feitenrechter en leent zich slechts in beperkte mate voor toetsing in cassatie. [12]
34. In de overwegingen van het hof ligt als diens oordeel besloten dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daartoe wijs ik op het volgende.
35. Bedacht moet worden dat aan het beroep op noodweer niet ten grondslag is gelegd dat de bewezen verklaarde feiten zouden zijn geboden in verband met de inbraak. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij niet heeft geschoten in het kader van de aanhouding van de aangevers en dat hij dacht dat hij ook niet had mogen schieten ter aanhouding. [13] In het onder 30 samengevatte verweer wordt evenmin een beroep gedaan op het rechtmatig uitoefenen van geweld in het kader van een aanhouding, maar wordt het handelen van de verdachte gezet in de sleutel van de verdediging tegen een onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding van de aangevers jegens de verdachte. Het hof heeft geoordeeld dat in de gegeven situatie niet aan de in art. 7 Politiewet Pro 2012 en art. 7, 10 en 10a Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren genoemde voorwaarden voor het gebruik van vuurwapengeweld was voldaan. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden en behoeft ook overigens geen verdere bespreking.
36. Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat van de inbrekers bij het naar buiten gaan een concrete dreiging richting de verdachte uit ging. In het licht van de door het hof vastgestelde omstandigheden, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat beide inbrekers zich moesten bukken om uit de winkel naar buiten te kunnen komen. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de twee schoten heeft gelost terwijl de aangevers zich nog in gehurkte positie bevonden. Daarbij heeft het hof niet aannemelijk geoordeeld dat de beide aangevers “in zijn richting bleven doorlopen”. Die feitelijke waardering ontneemt aan het beroep op noodweer zijn fundament.
37. Ook overigens heeft het hof geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de veronderstelling dat sprake was van een onmiddellijke dreiging van geweld van de aangevers in de richting van de verdachte. De verdediging heeft in dit verband de nadruk gelegd op het feit dat [betrokkene 2] bij het naar buiten gaan een potentieel slagwapen (een moker) in zijn handen hand. Die omstandigheid doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af. De enkele omstandigheid dat een voorwerp eventueel als slagwapen kan worden gebruikt, maakt immers nog niet dat daarmee sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar dat het voorwerp ook daadwerkelijk als wapen zal worden ingezet. De steller van het middel voert aan dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met “de realiteit van het moment” en te veel de nadruk heeft gelegd op objectieve omstandigheden. Ik deel dat standpunt niet. Noodweer betreft een rechtvaardigingsgrond, waarmee (dreigend) onrecht wordt afgewend. Gelet op dit karakter, ligt het in de rede dat bij de beoordeling of sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar een objectieve toetsing dient plaats te vinden aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm van de omstandigheden van het geval. [14] Dat was overigens kennelijk ook het standpunt van de raadsman tijdens zijn pleidooi in hoger beroep. Tegen die achtergrond heeft het hof op grond van de aanwezigheid van de moker, die kennelijk bij de inbraak zelf is gebruikt en als zodanig een andere betekenis heeft dan bijvoorbeeld een vuurwapen, nog niet behoeven uit te gaan van een noodweersituatie. Daarbij komt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte eerst heeft geschoten op [betrokkene 1], die zijn handen vol had met de twee tassen met gestolen spullen.
38. Gelet op het bovenstaande, heeft het hof het beroep op noodweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. In het licht van de onderbouwing van het beroep op noodweer door de raadsman van de verdachte, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.
39. Ten slotte merk ik nog op dat hetgeen in het middel wordt aangevoerd ten aanzien van het beroep op putatief noodweer en noodweerexces, geen zelfstandige cassatieklacht bevat. Daarop wordt in de toelichting ook niet ingegaan. De verwerping van het beroep op putatief noodweer komt wel aan de orde bij het hierna te bespreken derde middel.
40. Het middel faalt.
41. Het
derde namens de verdachte voorgestelde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, heeft geoordeeld dat de verdachte (ten aanzien van feit 1 en feit 2) niet heeft gehandeld in putatief noodweer, omdat “niet kan worden gezegd dat verdachte redelijkerwijs mocht vermoeden dat hij werd aangevallen”. Volgens de steller van het middel zijn er, gelet op hetgeen de verdediging dienaangaande naar voren heeft gebracht, voldoende omstandigheden aannemelijk geworden die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen.
42. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld op grond van putatief noodweer. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte had redelijke gronden om in de veronderstelling te verkeren dat er sprake was van een levensbedreigende situatie voor hem en dat hij mocht en moest handelen zoals hij heeft gedaan. In dat verband zijn volgens de raadsman onder meer de volgende omstandigheden van belang: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] doken plotseling op; de verdachte was kort daarvoor afgeleid door het geluid van een auto en had in de koplampen van die auto gekeken; de verdachte had gerend vanaf het politiebureau tot aan de voorkant van de Kijkshop; de deur van het winkelpand bevond zich in een nis, hetgeen de verdachte een besloten gevoel gaf; vanwege een eerdere slechte ervaring was het gebruik van pepperspray voor de verdachte geen optie; er valt een intentie af te leiden uit het feit dat de twee inbrekers onverstoord recht op de verdachte afliepen, nadat zij twee maal het bevel van de verdachte om te stoppen hadden genegeerd; als de inbrekers het gat in de toegangsdeur zouden zijn gepasseerd, zouden zij een fractie van een seconde later bij de verdachte zijn geweest; de feiten hebben zich in enkele seconden afgespeeld; en J. Bloem is in zijn rapport van 18 februari 2014 ook tot de conclusie gekomen dat de verdachte redelijkerwijs heeft kunnen aannemen dat hij zou worden aangevallen. Gelet op deze omstandigheden mocht de verdachte concluderen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] koste wat kost wilden ontkomen en dat zij daarbij desnoods geweld zouden gebruiken, zodat de verdachte zich diende te verdedigen. Voorts voldoet het door de verdachte aangewende geweld volgens de verdediging aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte had [betrokkene 1] en [betrokkene 2] immers twee maal luid en duidelijk gesommeerd te blijven staan. De verdachte had voorts enkele stappen naar achteren gedaan, terwijl hij gezien zijn functie niet mocht wegvluchten, er geen tijd was om een ander middel te gebruiken en pepperspray, de wapenstok of blote vuisten niet afdoende waren om zich te verdedigen tegen twee jonge mannen, van wie er tenminste één een dodelijk wapen bij zich droeg.
43. Door het vonnis van de rechtbank te bevestigen heeft het hof dit verweer verworpen en daartoe onder “strafbaarheid” het volgende overwogen:
“Subsidiair is door de raadsman van verdachte betoogd dat hem een beroep op putatief noodweer toekomt. Van putatief noodweer is sprake wanneer men verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Iemand komt, met andere woorden, een beroep op putatief noodweer toe indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. Een beroep op putatief noodweer dient met een objectieve ex tunc toets te worden beoordeeld: "Zou de gemiddelde rechtsgenoot geplaatst in de situatie van verdachte, ook in de veronderstelling hebben verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen?". In dit geval betekent dit dat moet worden beoordeeld of een andere politieambtenaar, met een gelijke ervaring en opleiding als verdachte, eveneens in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen. In dat kader komt betekenis toe aan de zogenaamde Garantenstellung. Op grond van deze Garantenstellung kunnen aan politieambtenaren op grond van hun beroep, opleiding en training andere eisen worden gesteld dan een normale burger. Van een politieambtenaar kan worden gevergd dat hij in precaire situaties meer dan een gewone burger zelfbeheersing en tactisch inzicht heeft en in het geval van een confrontatie met verdachten niet te snel naar zijn dienstwapen zal grijpen, maar in staat blijft afgewogen beslissingen te nemen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte tweemaal kort achter elkaar gericht op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft geschoten toen zij, nadat zij een inbraak hadden gepleegd, door de gebroken deur gebukt naar buiten kwamen. Zij hadden hun gezichten bedekt en [betrokkene 2], die als tweede naar buiten kwam, droeg een voorhamer bij zich. Verdachte heeft verklaard dat er sprake was van een redelijk goede verlichting. Er brandde verlichting in de Kijkshop en op straat.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen gedragingen zijn verricht op grond waarvan verdachte kon en mocht aannemen dat hij werd aangevallen, danwel dat er een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanval bestond.
Hoewel buiten twijfel staat dat het voor verdachte een stressvolle situatie is geweest en hij heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde, is de rechtbank, op grond van de hierboven geschetste Garantenstellung, van oordeel dat van verdachte, als politieambtenaar, redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij de spanning zou beheersen en in deze situatie niet naar zijn wapen zou grijpen. Aldus kan niet worden gezegd dat verdachte redelijkerwijs mocht vermoeden dat hij werd aangevallen en de rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweer.
De rechtbank overweegt daarbij dat er, naar het oordeel van de rechtbank, voor verdachte tijd en gelegenheid is geweest om ruimte te maken voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Zij moesten immers, één voor één, gebukt onder het 1 meter hoge gat in de glazen deur door. Verdachte had aldus een directe confrontatie met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], waarin zij mogelijk tot een aanval op hem gericht zouden overgaan, kunnen voorkomen. Verdachte had door enkele stappen achteruit te zetten zich in een veiliger positie kunnen brengen door aldus de afstand tussen hem en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te vergroten. Daarbij had verdachte eventueel ook nog de gelegenheid om zich in veiligheid te brengen door achter de zojuist gearriveerde politieauto van zijn collega [verbalisant] te gaan staan. Vervolgens had hij hen, al dan niet met behulp van (dreiging met) het gebruik van pepperspray of een wapenstok kunnen trachten aan te houden of hij had, indien dit niet tot een aanhouding zou leiden, met collega [verbalisant] de achtervolging kunnen inzetten en daarbij assistentie van collega's kunnen vragen. Dergelijk handelen zou in lijn zijn geweest met de ambtsinstructie, om gebruik van geweld en de mate van het geweld zoveel mogelijk te beperken. Dat verdachte, zoals hij tegenover de rijksrecherche heeft verklaard, zich als politieambtenaar verplicht voelde om op te treden en dat hij boeven wilde vangen, neemt immers niet weg dat hij bij zijn taak als politieambtenaar zelfde regels goed in acht dient te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet kan beroepen op enige rechtvaardigingsgrond- dan wel schulduitsluitingsgrond zodat het bewezenverklaarde feit strafbaar is en verdachte ook een strafbare dader is.”
44. Er is sprake van putatief noodweer indien de verdachte abusievelijk in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij zich moest verdedigen, omdat de verdachte zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel hij een onjuiste opvatting had over de uitleg van de noodweerregeling. Een beroep op putatief noodweer komt als een vorm van een beroep op afwezigheid van alle schuld uitsluitend voor honorering in aanmerking wanneer de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het verkeren in een noodweersituatie. Daarbij is de beoordeling door een objectieve waarnemer ten tijde van het handelen beslissend. [15] Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op putatief noodweer, dient het hof eerst te onderzoeken of er inderdaad sprake was van een verschoonbare dwaling aan de kant van de verdachte. Wanneer het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, moet het hof zoveel mogelijk in overeenstemming met de bij noodweer voorgeschreven werkwijze onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van het noodweerverweer voor het overige zijn vervuld. [16] Een beroep op putatief noodweer kan niet slagen, indien de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept noch op grond van diens bedoeling daarbij noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm ervan kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. [17]
45. Wanneer de verdachte, zoals in het onderhavige geval, heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van politieagent, wordt de standaard waartegen zijn gedrag wordt afgemeten bovendien mede bepaald door de zogenaamde “Garantenstellung”, inhoudende dat van personen in een bepaalde hoedanigheid een bijzondere zorgplicht mag worden verwacht. Als iemand functioneel handelt met een bepaalde verantwoordelijkheid, worden de maatstaven van zijn gedrag mede daardoor bepaald. Op de verdachte die in de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar een strafbaar feit heeft gepleegd, rust in het algemeen een meer bijzondere verantwoordelijkheid dan op andere personen. Dit vloeit voort uit het feit dat de verdachte, die handelt in de uitoefening van zijn functie, ook is gebonden aan de specifieke normen die gelden voor de uitoefening van die functie. [18]
46. Zoals bij de bespreking van het tweede middel is uiteengezet, heeft het hof ter verwerping van het beroep op noodweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Daarbij heeft het hof niet aannemelijk geoordeeld dat de aangevers in de richting van de verdachte doorliepen. Daarmee vervalt ook het fundament aan het beroep op putatief noodweer. De veronderstelling van de verdachte dat er sprake was van een levensbedreigende situatie was immers gebaseerd op de feitelijke aanname dat de beide inbrekers onverstoord recht op de verdachte afliepen. Daarbij komt dat de enkele omstandigheid dat [betrokkene 2] inbrekerswerktuig, te weten een voorhamer of moker, in zijn handen hield in redelijkheid nog niet de schijn kan wekken dat dit voorwerp daadwerkelijk als slagwapen tegen de verdachte zal worden gebruikt.
47. In de hiervoor onder 43 weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat uit de stukken van het geding en op grond van het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten op het moment dat de inbrekers in gebukte houding door de (kapot geslagen) glazen toegangsdeur naar buiten kwamen. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, was het hof gelet op de onderbouwing van het beroep op putatief noodweer door de raadsman van de verdachte niet gehouden tot een nadere motivering. [19]
48. In het licht van hetgeen hiervoor onder 44 en 45 is voorop gesteld en gelet op de op de verdachte rustende bijzondere verantwoordelijkheid als politieagent, kon het hof in dat verband overwegen dat van de verdachte als politieambtenaar op grond van de “Garantenstellung” redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij de bij hem aanwezige spanning als gevolg van de stressvolle situatie zou beheersen. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof met zijn overweging, dat van de verdachte kon worden gevergd dat hij de spanning zou beheersen en niet naar zijn wapen zou grijpen, een proportionaliteits- en de subsidiariteitstoets heeft toegepast, berust het middel op een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof en mist het derhalve feitelijke grondslag.
49. Het middel faalt.
50. Het
namens de benadeelde partij voorgestelde middelbevat de klacht dat het hof de benadeelde partij [betrokkene 1] ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering.
51. De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft zich in eerste aanleg gevoegd in het strafgeding voor een schadebedrag van in totaal € 35.845,-. De door de benadeelde partij geleden schade zou zijn veroorzaakt door het onder 1 ten laste gelegde feit. Het schadebedrag betreft materiële schade (€ 4.345,-) en immateriële schade (€ 31.500,-). De materiële schade is volgens de door de advocaat van de benadeelde partij (mr. Van Elst) ingediende “vordering benadeelde partij [betrokkene 1]” opgebouwd uit de volgende acht schadeposten, waarvan alleen de eerste nader is onderbouwd: verlies eigen risico 2010 t/m 2013 à € 905,-, kosten beugel à € 2.200,-, vest (Armani) à €200,-, broek (Ice Berg) à € 220,-, jas à € 380,-, schoenen à € 320,-, overhemd à € 80,- en T-shirt à € 40,-. De immateriële schade is volgens voornoemde vordering opgebouwd uit de posten “fysiek letsel” à € 22.500,- en “psychische gevolgen” à € 9.000,-. Deze schadeposten zijn onderbouwd met medische bescheiden, een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam en een uitdraai betreffende smartengeld. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de advocaat van de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering nog opgemerkt dat het letsel van de benadeelde partij ernstig en blijvend is, dat de benadeelde partij een deel van zijn tong mist, dat er sprake is van functieverlies op het gebied van slikken en spreken en dat de benadeelde partij schade heeft opgelopen aan zijn reuk-, spraak- en smaakvermogen. Voorts heeft de advocaat op die terechtzitting naar aanleiding van het pleidooi van de raadsman van de verdachte medegedeeld dat er een voorschot wordt gevorderd, omdat er geen sprake is van een eindsituatie. Nadat de voorzitter van de rechtbank op die terechtzitting de inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring van de benadeelde partij heeft voorgelezen, heeft de benadeelde partij verklaard dat zijn kleding in het ziekenhuis kapot is geknipt en dat zijn schoenen in het ziekenhuis zijn weggeraakt. De rechtbank heeft in haar vonnis de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, aangezien de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Zoals blijkt uit een brief van mr. Van Elst van 19 maart 2013, heeft de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
52. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 ter nadere onderbouwing van de vordering nog het volgende aangevoerd. Door een arts is vastgesteld dat er sprake is van onherstelbaar letsel aan de neus van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft last van slapeloosheid en psychische klachten. Het gevorderde bedrag is een redelijk bedrag, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden. De benadeelde partij verzoekt dit bedrag als voorschot toe te wijzen, terwijl er ook een civiele procedure zal worden opgestart. Voorts heeft de advocaat van de benadeelde partij opgemerkt dat hij zich aansluit bij hetgeen de advocaat van de andere benadeelde partij ([betrokkene 2]) heeft aangevoerd, voor zover inhoudende dat medeschuld niet per se dient te leiden tot de conclusie dat er sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarnaast heeft de benadeelde partij op die terechtzitting verklaard dat hij slecht kan ademhalen, dat hij geen contactsporten meer kan beoefenen, dat hij vaak last heeft van hyperventilatie, dat een kwart van zijn tong ontbreekt, dat de schade aanzienlijk is en dat zijn kaken, waarin aluminium platen zijn aangebracht, breken als er een klein tikje op wordt gegeven.
53. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 en de op die terechtzitting overgelegde pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geen verweer heeft gevoerd. Zoals blijkt uit zijn op schrift gestelde requisitoir, heeft de advocaat-generaal op voornoemde terechtzitting gevorderd dat de benadeelde partij overeenkomstig het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu de bepaling van de mate van eigen schuld en de mitigerende werking die daarvan uitgaat op de hoogte van het toe te kennen schadevergoedingsbedrag een te grote belasting vormen voor dit strafgeding.
54. Het hof heeft de benadeelde partij overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en daartoe in het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank onder “vorderingen van de benadeelde partijen” het volgende overwogen:
“De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 35.845,- gevoegd in het strafproces en de benadeelde partij [betrokkene 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.000 gevoegd in het strafproces.
De behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Hun schade is immers mede ontstaan doordat zij op heterdaad betrapt zijn bij een inbraak en daardoor medeschuld hebben aan het feit dat de politie tegen hen moest optreden. Hoe de medeschuld van de benadeelde partijen bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding tot uitdrukking dient te komen, acht de rechtbank iets dat in een civiele procedure ter beoordeling van de burgerlijke rechter moet staan. Daarom zullen de benadeelde partijen niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”
55. Ingevolge art. 361, derde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, kan het hof, indien het van oordeel is dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, op verzoek van de verdachte, op vordering van de advocaat-generaal dan wel ambtshalve bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Indien het hof in navolging van de vordering van de advocaat-generaal zoals hiervoor bedoeld die vordering (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk oordeelt, is het noch op grond van art. 361 Sv Pro noch op grond van enige andere bepaling gehouden dat oordeel nader te motiveren. [20]
56. Door te oordelen dat de benadeelde partij niet in zijn vordering kan worden ontvangen, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [21] Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik de inhoud van de ingediende vordering van de benadeelde partij en hetgeen door en namens de benadeelde partij ter onderbouwing van die vordering naar voren is gebracht in het voegingsformulier en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, in aanmerking. Hetzelfde geldt voor hetgeen het hof heeft vastgesteld ten aanzien van de rol van de benadeelde partij met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit. Daarbij komt dat de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat er door de benadeelde partij ook een civiele vordering zal worden ingediend. Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering en noopte de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij het hof niet tot “het toewijzen van de materiële schadevergoeding en een voorschot van de immateriële schadevergoeding”. [22]
57. Het middel faalt.
58. De namens de verdachte voorgestelde middelen en het namens de benadeelde partij voorgestelde middel falen, terwijl het eerste namens de verdachte voorgestelde middel en het namens de benadeelde partij voorgestelde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
59. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag 23 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:18257.
2.Rechtbank Middelburg 23 februari 2012, ECLI:NL:RBMID: 2012:BV6782.
3.Rechtbank Zutphen 19 november 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BO4538.
4.Rechtbank Rotterdam 10 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9992, Rechtbank Gelderland 24 oktober 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6736 en Rechtbank Midden-Nederland 31 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1217.
5.De omstandigheid dat de appelschriftuur tijdig is ingediend blijkt overigens niet zonder meer uit de appelschriftuur die zich bij de stukken van het geding bevindt. De faxgegevens aan de bovenkant van deze appelschriftuur vermelden als datum van verzending 10 juni 2013, terwijl daarop geen ontvangststempel is geplaatst. Uit het aan de cassatieschriftuur gehechte faxjournaal betreffende de appelschriftuur kan evenwel worden afgeleid dat de appelschriftuur reeds op 27 maart 2013 naar de strafgriffie van de rechtbank is verzonden. Gelet hierop kan worden aangenomen dat de appelschriftuur, anders dan het hof in zijn tussenarrest van 13 september 2013 heeft overwogen, tijdig is ingediend.
6.Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888,
7.Zie HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302, rov. 3.3 en HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856, rov. 2.3. Vgl. HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9985,
8.Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888,
9.Volgens de steller van het middel heeft de verzochte reconstructie betrekking op de kern van de zaak, heeft de verdediging herhaaldelijk en met kracht van argumenten verzocht om een reconstructie, zijn de eerdere verzoeken van de verdediging om een reconstructie te laten plaatsvinden op ontoereikende gronden afgewezen en zijn de vragen die in deze zaak moeten worden beantwoord zeer relevant voor de dagelijkse politiepraktijk.
10.Vgl. J. de Hullu,
11.Vgl. HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773,
12.Vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9194, rov. 2.3, HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5376, rov. 2.6, HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1713, rov
13.Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014, p. 6.
14.Zie ook J. de Hullu,
15.Vgl. De Hullu, a.w., p. 321.
16.Vgl. HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4155, rov. 2.3 en 2.4.
17.Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788,
18.Vgl. De Hullu, a.w., p. 315 en 322-323, J.M. ten Voorde, De Garantenstellung van politieambtenaren bij vuurwapengebruik en de aanname van noodweer, in: DD 2008, 56, p. 781-802 en HR 1 maart 1983,
19.Vgl. HR 7 juni 1994,
20.Vgl. ten aanzien van het oude criterium (het eenvoudcriterium) HR 17 juni 1997,
21.Vgl. ten aanzien van het oude criterium HR 21 maart 2006, nr. 00338/05, rov. 4 (niet gepubliceerd) (het oordeel dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in de strafzaak, is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst) en HR 17 juni 1997,
22.Zie voor zaken waarin de Hoge Raad het enkel noemen van het onevenredigheidscriterium toereikend acht voor de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering: HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476,