Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Klacht 1voert aan dat het hof een essentiële stelling van de ouders ten onrechte onbesproken heeft gelaten, te weten de stelling dat zij in het geding na verwijzing geen eerlijk proces hebben gehad omdat zij zelf de mondelinge behandeling van de zaak niet hebben kunnen bijwonen in verband met tegen hen uitgevaardigde Europese arrestatiebevelen. [6]
klacht 5wordt betoogd dat het hof in het kader van de beoordeling van de internationale bevoegdheid op grond van art. 10 Brussel Pro II-bis ten onrechte niet heeft vastgesteld dat de minderjarigen vanaf 28 september 2012 hun gewone verblijfplaats in Duitsland hebben. Zoals ik onder 2.7 van deze conclusie heb aangegeven, heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd ter bepaling van de gewone verblijfplaats. De vaststelling van de gewone verblijfplaats is voor het overige nauw verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. [13] De invulling die het hof in rov. 4.8.4 aan het begrip gewone verblijfplaats van de minderjarigen heeft gegeven, komt mij niet onjuist of onbegrijpelijk voor, aangezien niet althans onvoldoende is komen vast te staan dat de ouders zich met de minderjarigen in Duitsland hebben gevestigd teneinde daar het centrum van hun maatschappelijke belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven. Dat blijkt genoegzaam uit de motivering van het hof in rov. 4.8.4. De klacht faalt derhalve.