Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
ter
1.Overzicht
Papillon-fiscale eenheid (binnenlandse moeder en kleindochter voegen, buitenlandse tussenhoudster niet voegen). [X] B.V. (de belanghebbende) had de Inspecteur verzocht om vanaf 1 oktober 2008 te worden beschouwd als fiscale eenheid ex art. 15 Wet Pro Vpb met haar in Nederland gevestigde (achter)kleindochters[B] Holdings B.V. ([B]) en [A] B.V. ([A]), met de belanghebbende als moedermaatschappij. Ik neem voor het overzicht de
corporate treeopnieuw op:
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a.en C-41/13,
MSA International Holdings.
bis)), daarbij bovendien nader inziende dat het verwijzings-strategisch beter zou zijn om de zaak juist aan te houden tot na de beantwoording door het HvJ EU van de vragen van het Hof Amsterdam.
Papillonover de Franse
intégration fiscale, oordeelde het HvJ EU in de Amsterdamse zaken dat geen beroep kan worden gedaan op de rechtvaardigingsgrond ‘coherentie van het belastingstelsel’. Er bestaat volgens het HvJ EU geen rechtstreeks verband tussen de toekenning van een fiscale-eenheidsvoordeel en de compensatie daarvan door een bepaalde belastingheffing, nu volgens ‘s Hofs uitleg van de Nederlandse belastingwet de deelnemingsvrijstelling voorkomt dat een
Papillon-eenheid leidt tot dubbele verliesneming, nu de deelnemingsvrijstelling meebrengt dat een moedervennootschap nooit een verlies in verband met een deelneming in een dochtermaatschappij kan verrekenen.
Papillon-eenheid moet worden toegestaan. Nu het HvJ EU niet bevoegd is om het Nederlandse recht uit te leggen, en u wél, kunt u deze fouten herstellen en op basis van de zaak C-418/07
Papillonalsnog de juiste uitspraak doen, mijns inziens zonder nieuwe prejudiciële verwijzing. Met het Hof Amsterdam, dat inmiddels einduitspraak heeft gedaan in de drie door hem verwezen zaken, meen ik dat uit de zaak
Papillonvoldoende duidelijk volgt (
acte éclairé) hoe het prejudiciële antwoord geluid zou (moeten) hebben als het HvJ EU het Nederlandse recht wél had begrepen: alsdan zou hij geoordeeld hebben dat wel degelijk een rechtvaardiging bestaat voor weigering van een
Papillon-eenheid (nl. de noodzaak om de coherentie van het belastingstelsel te bewaren) voor zover het risico op dubbele binnenlandse verliesneming en andere fiscale-coherentieverstoringen niet op minder belemmerende wijze uitgesloten kan worden.
Papillon-eenheid geschikt en evenredig is om dubbele binnenlandse verliesneming en andere incoherenties te voorkomen. Ongetwijfeld is die uitsluiting daarvoor geschikt, zodat daarover geen aanvullende vraag gesteld hoeft te worden. Met het Hof Amsterdam meen ik voorts dat de Nederlandse rechter, gezien de zaak
Papillon, ook zonder nadere prejudiciële vragen niet tot een ander oordeel kan komen (
acte éclairé) dan dat volledige uitsluiting van een
Papillon-eenheid disproportioneel is, want verder gaat dan nodig is voor het doel van voorkoming van onder meer dubbele binnenlandse verliesneming. Ik acht ook het tweede deel van belanghebbendes middel (i) daarom gegrond.
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a.en C-41/13,
MSA International Holdings, een beleidsbesluit (het Besluit) gepubliceerd dat terugwerkt tot en met 16 december 2014. Daarin wordt vooruitlopend op aanpassing van de Wet Vpb onder voorwaarden goedgekeurd dat een fiscale eenheid wordt gevormd tussen een moeder- en een kleindochtermaatschappij die verbonden zijn via een in het buitenland gevestigde, ongevoegd blijvende ‘tussenmaatschappij’. Voor interne gevallen verandert er niets: een binnenlandse moeder en kleindochter kunnen niet met elkaar gevoegd worden zonder meevoeging van tussenliggende binnenlandse vennootschappen.
moetenhebben). Vanuit dát jurisdictieperspectief bezien, kan volgehouden worden dat een binnenlands concern met een
niet-gevoegde buitenlandsetussenhoudster vergelijkbaar is met een binnenlands concern met een
gevoegde binnenlandsetussenhoudster omdat in beide gevallen alleen de
binnende Nederlandse jurisdictie vallende concernresultaten en concernonderdelen geconsolideerd c.q. gevoegd worden. Nu dat is wat het Besluit regelt, kan volgehouden worden dat het Besluit (en de aangekondigde, naar verwachting op dit punt gelijkluidende wetgeving) de interne situatie – vanuit dat perspectief – niet discrimineert: ook in de interne situatie worden de resultaten van moeder en kleindochter geïntegreerd en hun onderlinge verhoudingen en transacties uitgeschakeld. Dat in het interne geval ook de tussenhoudster gevoegd moet worden, neemt niet weg dat in beide gevallen de moeder en de kleindochter met elkaar gevoegd worden. Bovendien is het ongevoegd laten van een tussenliggende
binnenlandsevennootschap in het grensoverschrijdende geval evenmin mogelijk als in het geheel interne geval: een Nederlandse grootmoeder met een buitenlandse dochter, een Nederlandse kleindochter en een Nederlandse achterkleindochter kan een fiscale eenheid aangaan met alleen haar kleindochter of met zowel haar kleindochter als haar achterkleindochter, maar voeging van uitsluitend haar achterkleindochter is niet mogelijk.
Papillon-fiscale eenheid (proportionele) voorwaarden te stellen om binnenlandse dubbele verliesneming te voorkomen. Ik meen dat deze voorwaarden, mits geschikt en proportioneel, ook gesteld kunnen worden aan lopende gevallen, dus ook aan de belanghebbende. Gezien het arrest C-18/11,
Philips Electronics, van het HvJ EU, meen ik dat geen voorwaarden gesteld kunnen worden om een tweede verliesneming in de jurisdictie van de buitenlandse tussenhoudster tegen te gaan of om voeging te weigeren indien het kleindochterverlies indirect in het buitenland bij de tussenhoudster in aftrek komt door afboeking op het aandelenbezit in de kleindochter.
2.Verloop van de cassatieprocedure
Papillon-fiscale eenheid (binnenlandse moeder en kleindochter voegen, buitenlandse tussenhoudster niet voegen). De belanghebbende stelde twee middelen voor: (i) schending van art. 49 VwEU Pro doordat het Hof ten onrechte een geheel interne situatie zag en daarom de belanghebbende beroep op het VwEU ontzegde; (ii) schending van art. 26(4) belastingverdrag met Spanje en art. 26(5) belastingverdrag met Griekenland, art. 94 Grondwet Pro en art. 8:77(1)(b) Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof belanghebbendes beroep op die bepalingen heeft verworpen op onjuiste en onbegrijpelijke gronden, nu sprake is van aandeelhouderschapsdiscriminatie die onder die bepalingen verboden wordt.
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a., en C-41/13,
MSA International Holdings. Gevraagd zou moeten worden:
Papillon-posterieure arrest
X Holding BVnog wel de conclusie toelaat dat de enige ongelijkheid in behandeling waarop de belanghebbende in casu kan wijzen (het ontbreken van de keuze om ook haar tussenhoudsters te voegen) niet reeds door het Hof expliciet als gerechtvaardigd is aanvaard in
X Holding BV; en
X Holding BV, (ii) het zonder-onderscheid-karakter van de ononderbroken-ketenvoorwaarde, (iii) het Twaalfde protocol EVRM en de artt. 20 en 21 EU-Handvest, en (iv) het verder gaande en facultatieve karakter van het Nederlandse vereenzelvigingssysteem ten opzichte van het Franse integratiesysteem, het EU-recht Nederland niettemin verplicht om ofwel belanghebbendes geval fiscaal te privilegiëren door de algemene ononderbroken-ketenvoorwaarde voor haar geval te laten vallen, ofwel zijn nationale vereenzelvigingssysteem te verlaten.”
bis), daarbij nader inziende dat het verwijzingsstrategisch wellicht juist beter zou zijn om de zaak aan te houden tot ná de prejudiciële beantwoording van de vragen van het Hof Amsterdam.
SCA Group Holding.
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a., en C-41/13,
MSA International Holdings. U heeft beide partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld te reageren op dat arrest. Zowel de belanghebbende (brief van 13 november 2014) als de Staatssecretaris (brief van 25 november 2014) hebben gereageerd.
3.De prejudiciële vragen van het Hof Amsterdam
SCA Group Holding,de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ EU voorgelegd: [4]
MSA International Holdings. [5]
X AG e.a.,tenslotte, betrof een verzoek om een fiscale eenheid tussen ingezeten zustervennootschappen met een niet in Nederland gevestigde gemene moedervennootschap die evenmin een vaste inrichting in Nederland onderhield waaraan de zusters toegerekend zouden kunnen worden. Nu een dergelijke moederloze zustereenheid in belanghebbendes geval niet aan de orde is, ga ik alleen in op de antwoorden van het Hof in de met belanghebbendes zaak vergelijkbare gevoegde zaken C-39/13 en C-41/13.
keuzeom zowel de tussendochter als de kleindochter te voegen; in de grensoverschrijdende situatie bestaat deze keuze niet. A‑G Kokott achtte dat laatste doorslaggevend:
Papillon-posterieure HvJ EU-arrest in de zaak
X Holding [7] impliceert dat het niet-bestaan van de keuze om een buitenlandse tussendochter te voegen geen schending van EU-recht oplevert. Die zaak betreft volgens haar slechts de voeging van een buitenlandse dochter ‘als zodanig’ en brengt geen implicaties mee voor
Papillon-situaties:
X Holdingen
Papillon [8] volgt dat daarvan in casu sprake is:
Philips Electronics, [9] grensoverschrijdende dubbele verliesverrekening geen zelfstandige rechtvaardiging is voor weigering van consolidatie (zie § 50). Daar voegt zij aan toe dat weigering niet geschikt zou zijn om dubbele verliesverrekening te voorkomen:
nietaftrekbaar is bij de Nederlandse moeder, behoudens liquidatie van die dochter, in welk geval antimisbruikbepalingen gelden.
binnenlandsedubbele verliesverrekening aangevoerd dat ontstaat doordat vermogensverslechtering bij de buitenlandse dochter door kleindochterverliezen doorwerkt naar de moeder door waardedaling van vorderingen op de buitenlandse dochter of verlies op liquidatie van die dochter. A-G Kokott erkent (§ 55) dat dit gevaar is uitgesloten als de dochter, zoals in de binnenlandse situatie, verplicht gevoegd is, maar ziet toch geen rechtvaardiging voor uitsluiting:
Papillonvolgt niettemin, aldus de A-G (§ 60), dat de weigering van fiscale integratie van de binnenlandse moeder- en kleindochtervennootschap in geval van een buitenlandse tussenhoudster in beginsel kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak de coherentie van de nationale belastingregeling te verzekeren. Dat zou in beginsel ook in casu kunnen gelden:
Papillonoverwoog het HvJ EU dienaangaande:
X Holdingimmers juist
nietgevoegd wordt; ook in de zaak
Papillonwas geen sprake van voeging van de buitenlandse tussenhoudster. Juist het
ontbrekenin een
Papillon-situatie van rechtstreeks verband tussen verliesaftrek en compensatie (wel verliesoverdracht tussen kleindochter en moeder, maar geen neutralisering van onderlinge verhoudingen binnen de groep waardoor verliezen dubbel in aanmerking genomen kunnen worden), was reden voor het weigeren van voeging. Dat die neutralisering wel bereikt zou zijn als ook de buitenlandse tussenhoudster wordt gevoegd, is irrelevant, nu die
nietgevoegd wordt en ingevolge
X Holdingook niet gevoegd hoeft te worden: het gaat uitsluitend om voorkoming van (uiteindelijk)
binnenlandsedubbele verliesneming door middel van een ononderbroken keten-vereiste, leidende tot volledige neutralisering, die juist doorbroken wordt door een tussenhoudster weg te laten. De A-G lijkt daaraan voorbij te gaan.
inboundrechtsvormneutraliteit. Hoewel zij fiscale coherentie afwijst als rechtvaardigingsgrond (zie hierboven), geeft zij aldus toch een oordeel over de proportionaliteit van de uitsluiting van kleindochters gehouden via buitenlandse tussenhoudsters:
eo ipso, per definitie al ‘gevoegd’ met hun hoofdhuis, óók civielrechtelijk, waardoor
eo ipsovolledige neutralisatie van onderlinge verhoudingen bestaat; bij dochters van niet-gevoegde tussenhoudsters is dat juist niet het geval;
juistvanuit de ratio van de fiscale eenheid bezien, gaat het om
onvergelijkbare gevallen.
intégration fiscaleen de Nederlandse fiscale eenheid brachten A-G Kokott evenmin tot een ander oordeel:
Het arrest van het HvJ EU in de gevoegde zaken C-39/13,SCA Group Holding, C-40/13,X AG e.a.en C-41/13,MSA International Holdings [13]
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a.en C-41/13,
MSA International Holdings, voor recht verklaard:
mogelijkheidheeft om moeder en kleindochter te voegen doordat het de mogelijkheid heeft om ook de tussenhoudster te voegen:
prima faciedoor het Hof bevonden discriminatie kan, behalve door dwingende eisen van algemeen belang, gerechtvaardigd worden door een objectief verschil in situatie dat het verschil in behandeling kan verklaren (r.o. 28). Die objectieve (niet)vergelijkbaarheid moet beoordeeld worden in het licht van de strekking van de nationale regeling. Het Hof ziet de strekking van de fiscale eenheid als volgt:
Papillon-situatie door ook in die situatie voeging toe te staan, maakt die
Papillon-situatie immers niet objectief vergelijkbaar met de interne situatie, waarin de tussenhoudster wél volledig onderworpen is en om voor de hand liggende redenen wél een ononderbroken aandeelhouderschapsrelatie vereist is. Wellicht bedoelt het Hof te zeggen dat het doel van de fiscale eenheid is om ‘consolidatie van resultaten’
binnen één belastingjurisdictiete bereiken (welke beperking blijkens de zaak C-337/08,
X Holding BV, toegestaan is) en dat alsdan niet valt in te zien – evenmin als in zaken zoals
ICI v. Colmer [14] Philips Electronicsen
Felixstowe [15] (die hij echter niet noemt, behalve
Felixstowein ander verband) – waarom dergelijke binnenjurisdictionele consolidatie niet mogelijk zou zijn vanwege de aanwezigheid van een buitenjurisdictioneel concernonderdeel, nu de consolidatie immers beperkt kan worden tot de binnenjurisdictioneel onderworpen resultaten van het concern. Geheel binnenlandse en mede grensoverschrijdende concerns zijn in het licht van resultaatconsolidatie niet onvergelijkbaar, mits de consolidatie beperkt wordt tot de binnenslands onderworpen concernonderdelen. Zoals opgemerkt in onderdeel 5.9 in de eerste conclusie in belanghebbendes zaak:
dezelfdejurisdictie zijn ontstaan, en die geweigerd wordt (louter) omdat het concern (ook) groepsvennootschappen in andere EU-lidstaten heeft, en (ii) fiscale integratie van resultaten van (groeps)vennootschappen die in
verschillendejurisdicties zijn ontstaan. Ter zake van de eerste groep is ongelijke behandeling op grond van de aanwezigheid van een buitenlandaspect in beginsel verboden, behoudens concreet gevaar voor
double dipsof (ander) misbruik. In deze gevallen moet minstens tegenbewijs toegelaten zijn. Ter zake van de tweede groep is het andersom: daar is de hoofdregel dat grensoverschrijdende resultaatsintegratie - die in puur interne situaties wél toegepast zou worden - in beginsel (in abstracto) geweigerd mag worden, met als uitzondering het geval van definitieve verliezen van een (geliquideerde) groepsvennootschap in de andere jurisdictie. In de hieronder (5.12) geciteerde r.o. 25 en 26 van de genoemde zaak C-18/11,
Philips Electronics, maakt het HvJ EU het onderscheid tussen deze twee categorieën gevallen met zoveel woorden.”
i.e.de grotere
double dip- en andere incoherentierisico’s in de grensoverschrijdende (
Papillon-)situatie, waarin – door de niet-voeging van de buitenlandse tussenhoudster – de aandeelhoudersketen wél onderbroken wordt en waarin dus, anders dan in binnenlandse verhoudingen, wél afwaardeerbare onderlinge deelnemings- en leenverhoudingen en manipuleerbare onderlinge transacties fiscaal zichtbaar blijven.
Papillon(zie 4.9 hierboven) volgt namelijk dat het zonder meer toestaan van
intégration fiscaletussen moeder- en kleindochtervennootschap het mogelijk zou maken dat een verlies van de kleindochter tweemaal genomen zou worden: eenmaal bij de moeder via de fiscale integratie en een tweede maal bij de moeder via afboeking op de deelneming in de tussenhoudster. Omdat in die situatie geen neutralisering van resultaten en transacties zou kunnen plaatsvinden jegens de niet-ingezeten tussendochter, kon weigering van een
Papillon-eenheid volgens het HvJ EU gerechtvaardigd worden uit fiscale coherentie-overwegingen. Het Hof legt dit in r.o. 35 van zijn arrest van 12 juni 2014 echter onnavolgbaar uit in het kader van dubbele verliesverrekening in twee
verschillendejurisdicties (die volgens zijn arrest
Philips Electronicsechter niet relevant is), daarbij bovendien de mogelijkheid veronachtzamend van verliesneming door de moeder door afboeking op de aandelen in de tussenhoudster:
Papillonbestaat in de Nederlandse zaken volgens het Hof geen rechtstreeks verband tussen de fiscale eenheid en een bepaalde belastingheffing, nu de deelnemingsvrijstelling al voor fiscale coherentie zou zorgen. De coherentie-rechtvaardiging gaat daarom niet op, en aan een evenredigheidstest komt het Hof dus niet toe:
Papillon; PJW] en het rechtskader van de hoofdgedingen.
allefiscale eenheden van toepassing zou zijn (én daar volledige coherentie zou bewerkstelligen, althans voorkoming van dubbele verliesverrekening). In werkelijkheid is de deelnemingsvrijstelling uit de aard der zaken binnen een fiscale eenheid juist
nooitvan toepassing en voorkomt zij dus ook niets. [16] De essentie van de fiscale eenheid – en daarmee ook dier ratio – lijkt het Hof dus ontgaan te zijn. Daarmee lijkt het Hof ook ontgaan te zijn het verschil tussen het Franse
intégration fiscale-regime, waarin onderlinge deelnemings- en schuldverhoudingen wél blijven bestaan, en het Nederlandse fiscale-eenheidsregime, waarin die onderlinge verhoudingen niet blijven bestaan. Het Hof denkt kennelijk dat in het Nederlandse systeem het de deelnemingsvrijstelling is die zorgt voor neutralisering van onderlinge transacties en verhoudingen, terwijl het juist het fiscale-eenheidsregime is.
Papillon-fiscale eenheid toegelaten moet worden. [17]
binnen een fiscale eenheid. Het HvJ EU lijkt er dus van uit te gaan – terwijl zijn arrest
X Holding BVanders leert – dat ook de buitenlandse tussenhoudster gevoegd wordt. Kiekebeld merkt daarover op: [18]
Papillon-fiscale eenheid mogelijk is tussen moeder en kleindochter, de buitenlandse tussendochter voldoet aan het 5%-criterium van art. 13(2) Wet Vpb, maar art. 13(11) Wet Vpb stelt aanvullende eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling: de reële-heffingstoets en de bezittingentoets. Als de buitenlandse tussenhoudster daar niet aan voldoet (een laagbelaste beleggingsdeelneming is), dan is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing (art. 13(9) jo. 13(11) Wet Vpb). Omdat de moeder alsdan – ook buiten het geval van liquidatie van de tussenhoudster – verlies kan nemen op de deelneming in de tussenhoudster bij verlies van de kleindochter, dreigt ook hier binnenlandse dubbele verliesneming. [20]
Papillon-eenheden. Nu het duidelijk is dat de antwoorden van het HvJ EU berusten op gebrekkig begrip van het Nederlandse belastingrecht, rijst de vraag of duidelijk is wat het Hof geantwoord zou (moeten) hebben als hij die fouten niet gemaakt zou hebben, dan wel belanghebbendes zaak naar Luxemburg moet voor beoordeling op basis van correct inzicht in het nationale recht. Die vraag behandel ik in onderdeel 9.
6.De reacties van de partijen op het HvJ EU-arrest in de Amsterdamse zaken
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a., en C-41/13,
MSA International Holdings. De Staatssecretaris heeft dat gedaan bij brief van 25 november 2014, waarin hij ’s Hofs onjuiste uitgangspunten benoemt:
Papillon-fiscale-eenheden om dubbele verliesneming te voorkomen; hij refereert ter zake aan uw oordeel:
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a., en C-41/13,
MSA International Holdings. De uitspraak met Amsterdams zaaknr. 11/00180bis (Luxemburgs zaaknr. C-40/13) gaat over moederloze voeging van zusters en laat ik buiten beschouwing.
Papillon-achtige) zaken betoogd
Papillon-eenheden. Voorkoming dat de buitenlandse tussendochter hetzelfde verlies neemt (op de deelneming in of een lening aan de kleindochter) als de moeder zou nemen binnen de
Papillon-eenheid, is volgens het Hof Amsterdam geen rechtvaardiging voor weigering:
Emerging Markets). In die gedachtegang is binnen het Franse integratieregime een zodanige compensatie te vinden: het voordeel van de overheveling van het verlies van de kleindochter naar de moeder wordt tussen de groepsvennootschappen ‘geneutraliseerd’ door middel van correcties, zoals het bij de dochter schrappen van een mogelijke afwaardering van een vordering op de kleindochter. Binnen het Nederlandse fiscale-eenheidsregime vallen dergelijke, ‘expliciet compenserende maatregelen’ niet aan te wijzen, zoals het HvJ EU vervolgens in rov. 40 – op zichzelf terecht – vaststelt.
Papillonzelve in het geheel niet wordt gesproken over de mogelijkheid dat de tussenliggende buitenlandse dochter ‘hetzelfde’ verlies van de kleindochter in aftrek zou kunnen brengen, ofschoon die casus
in zoverrewèl vergelijkbaar was met de onderhavige en de vermelding daarvan – dan toch – voor de hand had gelegen.
Deutsche Shell, C-293/06, en van 29 november 2011,
National Grid Indus, C-371/10) door het HvJ EU steeds is bevestigd dat een lidstaat niet zijn belastingstelsel hoeft af te stemmen op dat van een andere lidstaat teneinde in alle situaties een verschil in behandeling van grensoverschrijdende vestigingen te vermijden, is het Hof van oordeel dat het HvJ EU niet aldus is te verstaan dat een lidstaat met succes een beroep zou kunnen doen op het belastingstelsel van een andere lidstaat om een geconstateerde belemmering te rechtvaardigen.”
Philips Electronics: uit die zaak blijkt dat een lidstaat overheveling van een binnenlands v.i.-verlies binnen het binnenlandse deel van het concern niet kan weigeren op de grond dat dat verlies (tijdelijk) ook aftrekbaar is bij het hoofdhuis in het buitenlandse deel van het concern.
binnenlandsedubbele verliesneming betreft, begrijpt het Hof Amsterdam (r.o. 4.15) het HvJ EU-arrest aldus dat de deelnemingsvrijstelling geacht wordt te voorkomen dat de moedermaatschappij enig verlies van een deelneming kan nemen zodat, anders dan in de zaak
Papillon, in de samenloop met het fiscale-eenheidsregime geen bijzondere bepalingen nodig zijn om binnenlandse dubbele verliesneming te voorkomen. Ook het Hof Amsterdam merkt op dat het HvJ EU die samenloop echter verkeerd begrepen heeft:
Rewe Zentralfinanz) zowel in het arrest
Papillonals in rov. 35 van het arrest van 12 juni 2014 tot uitgangspunt heeft genomen, zal het Hof in casu eveneens aannemen dat het bij een eventueel liquidatieverlies van belanghebbende 1 op haar deelneming in [X GmbH] (uit hoofde van dier participatie in, of vordering op, belanghebbende 2) voor doeleinden van de onderhavige kwestie om hetzelfde verlies gaat als het verlies dat door belanghebbende 2 is geleden.”
Papillon-eenheden kan rechtvaardigen:
Papillonhet geval was, het fiscale-eenheidsregime coherent is voor zover geen liquidatieverliezen ter zake van gevoegde (klein)dochtervennootschappen kunnen ontstaan en dat die coherentie in het geval van de door belanghebbenden verzochte fiscale eenheid onder omstandigheden teniet zou kunnen worden gedaan, hetgeen de samenhang van het fiscale-eenheidsregime aantast. In zoverre (...), is het standpunt van de inspecteur derhalve valide.”
geschiktis om de coherentie van het Nederlandse fiscale systeem en voorkoming van binnenlandse dubbele verliesverrekening te waarborgen. Blinde weigering is volgens het Hof Amsterdam echter niet
proportioneel:
Papillon, de overige jurisprudentie van het HvJ EU en (onderdeel 63 van) de conclusie van Advocaat-Generaal J. Kokott in de onderhavige zaak, buiten redelijke twijfel verheven dat de Nederlandse fiscale-eenheidsregeling verder gaat dan noodzakelijk is om de coherentie van het fiscale stelsel, de doelstelling van voorkoming van dubbele verliesverrekening in Nederland, te behouden. Immers, ter voorkoming van eventuele onsamenhangendheden in het Nederlandse belastingsysteem, kunnen (bijvoorbeeld) in het Besluit [fiscale eenheid 2003; PJW] (in aansluiting bij de bepalingen van artikel 34 en Pro 35 daarvan) aanvullende voorwaarden worden gesteld.”
Papillon-gevallen een verboden beperking van de vrijheid van vestiging voordoet, zodat de belanghebbenden de gewenste voeging met binnenlandse overigens kwalificerende groepsvennootschappen niet mag worden geweigerd. Het stellen van aanvullende voorwaarden, met name ter voorkoming van binnenlandse dubbele verliesneming, is volgens het Hof Amsterdam niet aan de rechter, maar aan de wetgever of de FE-Besluiter:
MSA International Holdingsniet alsnog evenredige, op een
Papillon-eenheid toegespitste aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld door de fiscus, maar aan andere ‘belanghebbenden’ wél. Dat onderscheid ontgaat mij.
De reactie van de medewetgever/executieve op de uitspraken van het Hof Amsterdam
Papillon-fiscale eenheid kan behandelen.
i.e.16 december 2014. Op het moment van aankondigen was het Besluit dus al gereed. Het Besluit keurt goed: (i) een fiscale eenheid tussen twee of meer in Nederland gevestigde zusters zonder de niet in Nederland gevestigde moeder (moederloze zusterseenheid), en (ii) een fiscale eenheid tussen een Nederlandse moeder- en kleindochtervennootschap bij een niet in Nederland gevestigde, niet-gevoegde tussenvennootschap (
Papillon-eenheid).
Papillon-fiscale-eenheid.
Tussenmaatschappij: een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, dan wel een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam dat is opgericht naar het recht van een in artikel 15, derde lid, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 bedoelde staat,
Papillon-eenheden niet toegestaan worden als de tussenhoudster in Nederland is gevestigd:
Papillon-eenheid (waarbij dus een of meer buitenlandse tussenmaatschappijen geen deel uitmaken van de fiscale eenheid):
9.Beschouwing
Belemmering/beperking?
Datverschil in behandeling is echter gevolg van het objectieve verschil tussen een in Nederland gevestigde tussenhoudster, die volledig is onderworpen aan de Nederlandse belastingjurisdictie, en een niet in Nederland gevestigde tussenhoudster zonder vaste inrichting in Nederland, die in het geheel
nietis onderworpen aan de Nederlandse belastingjurisdictie. Onderworpen en niet-onderworpen is objectief ongelijk. In de zaak C-337/08,
X Holding BV, heeft het HvJ EU dan ook geoordeeld – zij het mijns inziens ten onrechte niet op grond van objectieve ongelijkheid, maar op grond van rechtvaardigbaarheid – dat het onthouden van de mogelijkheid van voeging van een niet-onderworpen buitenlandse tussenhoudster niet in strijd is met de vestigingsvrijheid. Verschil met onze zaak is wel dat de belanghebbende in de zaak
X Holding BVhaar buitenlandse dochter niet wenste te voegen om het
binnenlandseverlies van een
binnenlandse kleindochter te kunnen absorberen, maar om het
buitenlandseverlies van de
buitenlandsedochter zelf te kunnen absorberen.
vanuit de Nederlandse moeder bezien, secundaire vestiging fiscaal ongunstiger behandeld wordt als de secundaire vestiging niet binnenslands, maar in een andere EU-lidstaat plaatsvindt (het Hof kijkt niet naar de fiscale onderworpenheid van de
dochter, maar naar die van de
moeder), en (ii) het in casu – anders dan in
X Holding BV– om consolidatie van alleen
binnenlandseconcernonderdelen, althans -resultaten gaat. Aldus bezien is er inderdaad (i) een
prima faciefiscale discriminatie van Nederlandse moeders van buitenlandse dochters, alsmede (ii) een gebrek aan objectief verschil tussen de interne en de grensoverschrijdende situatie (ervan uitgaande dat de ratio van de fiscale-eenheidsregeling is de consolidatie van
in Nederlandonderworpen groepsonderdelen, c.q. -resultaten).
X Holding BVEU-rechtelijk akkoord), maar in de onmogelijkheid om de
binnenslandsonderworpen
kleindochter te voegen met de eveneens binnenlandse moeder. Zoals boven (zie 5.6 – 5.7) bleek, heeft het HvJ EU in de Amsterdamse zaken ten onrechte geoordeeld dat voor die onmogelijkheid geen rechtvaardiging zou bestaan. Net als in de zaak
Papillon, geldt ook in casu als rechtvaardiging wel degelijk de noodzaak om de fiscale systeemcoherentie te bewaren, met name door voorkoming van binnenlandse dubbele verliesverrekening; zoals ook het Hof Amsterdam oordeelde (zie 7.6 – 7.7 hierboven).
Papillon-eenheden evenredig is aan het doel dubbele binnenlandse verliesneming en andere incoherenties uit te sluiten.
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a., en C-41/13,
MSA International Holdings:
Papillon-eenheid hoe dan ook disproportioneel is. Wel kan de fiscale regelgever zijns inziens aanvullende voorwaarden stellen voor een
Papillon-eenheid, nu even duidelijk is dat ’s Hofs oordeel dat überhaupt geen rechtvaardiging voor weigering zou bestaan onjuist is:
Papillonheeft het HvJ EU immers de bewaring van fiscale coherentie als rechtvaardiging aanvaard wegens het gevaar van dubbele binnenlandse verliesneming, welk gevaar zich bij correcte uitleg van het Nederlandse recht ook in casu wel degelijk voordoet.
Papillon-eenheden, aan de beoordeling waarvan het HvJ EU niet is toegekomen, is het mijns inziens evenmin zinvol nieuwe prejudiciële vragen te stellen. Met het Hof Amsterdam (r.o. 4.19) meen ik dat evident is dat uitsluiting geschikt is om dubbele binnenlandse verliesneming te voorkomen, en dat eveneens duidelijk (
éclairé) is, mede gezien het
Papillon-arrest, dat blinde uitsluiting zonder uitzondering voor gevallen waarin geen dubbele verliesneming of ander incoherentie of misbruik dreigt, verder gaat dan nodig is.
bis-conclusie in deze zaak heb uiteengezet, een omgekeerde discriminatie. Het Besluit – en naar te verwachten valt ook de te treffen wettelijke voorziening van
Papillon-eenheden – creëert twee soorten fiscale eenheden: één waarin een ononderbroken aandeelhouderschapsketen is vereist (voor geheel binnenlandse groepen) en één waarin de aandeelhouderschapsketen onderbroken mag zijn (voor groepen die ook een grensoverschrijdende intragroepsrelatie hebben of organiseren), die daardoor fiscaal moeilijker beheersbaar is. Het Besluit laat er geen twijfel over bestaan dat
veroorzaaktde incoherentie en het mogelijke misbruik die juist voorkomen moeten worden en waarvoor na die opheffing dus ook voor binnenslandse verhoudingen ingewikkelde andere antimisbruikbepalingen bedacht zouden moeten worden.
Société Papillon, dat het onder meer mogelijk maakte dat een in Frankrijk gevestigde kleindochter, gehouden via een niet-ingezeten dochter, fiscaal geïntegreerd wordt met een in Frankrijk gevestigde moeder. In het Franse stelsel kan het vennootschappelijke consolidatieniveau niet naar eigen inzicht gekozen worden: als moedermaatschappij kan in beginsel alleen de topholding fungeren. Na het
Papillon-arrest zag Frankrijk zich echter genoodzaakt om groepen met een buitenlandse tussendochter iets toe te staan wat voor geheel binnenlandse groepen niet is weggelegd: in geval van een buitenlandse tussenhoudster kan de binnenlandse kleindochter zelf fungeren als moedermaatschappij en kan zij kiezen om ofwel fiscaal te integreren met haar (groot)moeder ofwel zelfstandig hoofd van haar eigen groep te zijn, los van haar grootmoeder. In een volledig binnenlandse situatie daarentegen moet de kleindochter die fiscaal wil integreren met haar dochters daarin ook haar moeder en grootmoeder betrekken:
Papilloncase in the light of reverse discrimination
Papillondecision, in a case where a French company (A) holds more than 95% of an EU resident company (B), which, in turn, holds more than 95% of a French company (C), which is the parent company of a French integration group that includes its French subsidiary (D), C will have the choice of becoming the new member of a tax group headed by A or remain the parent of a tax group including D. However, if B were a French company subject to French corporate income tax, C would have no choice but to either join the group formed by A of not to be integrated with D, as the French tax integration system does not allow for a choice of the level of integration: the head of the group will be the top eligible parent company (i.e., A in the present case). In the Papillon situation and under French tax rules as they exist today, A is not the top eligible parent company and C can maintain its existing tax group. On the other hand, A can rely on the
Papilloncase to overrule French law and elect for tax integration of C and D. This absence of choice in the case where the interposed company is a French company constitutes reverse discrimination against French resident companies. Although the ECJ does not systematically condemn such discrimination, [33] it has already condemned it when applied to the freedom of establishment. [34] ”
moetenhebben), nl. bij de vraag binnen welke heffingsjurisdictie de fiscaal te consolideren groepsonderdelen c.q. -resultaten vallen. Het HvJ EU blijft, net als in de zaak
X Holding BV, de fiscale eenheid beschouwen als weinig meer dan een resultatenconsolidatievehikel dat niet verschilt van de Franse
intégration fiscalein de zaak
Papillon. Vanuit dát (jurisdictie)perspectief bezien, kan volgehouden worden dat een binnenlands concern met een
niet-gevoegde buitenlandsetussenhoudster vergelijkbaar is met een binnenlands concern met een
gevoegde binnenlandsetussenhoudster omdat in beide gevallen alleen de
binnende Nederlandse jurisdictie vallende concernresultaten geconsolideerd worden. R.o. 30 van het HvJ EU-arrest in de zaken
SCA Group Holding,
X AG e.a., en
MSA International Holdings(zie 5.3 hierboven) kan met enige goede wil aldus gelezen worden dat
die binnenjurisdictionele consolidatiedoelstelling van de fiscale eenheid zowel het interne als het grensoverschrijdende geval regardeert. Dat is feitelijk onjuist (de Nederlandse wetgever wilde dat
niet), maar r.o. 30 is normatief: de Nederlandse wetgever had dat
moetenbedoelen. Nu dat ook is wat het Besluit thans regelt, kan volgehouden worden dat het Besluit (en de aangekondigde, naar verwachting op dit punt gelijkluidende wetgeving) de interne situatie niet discrimineert: ook in de interne situatie worden de resultaten van moeder en kleindochter geïntegreerd en hun onderlinge verhoudingen en transacties uitgeschakeld. Dat in het interne geval ook de tussenhoudster gevoegd moet worden, neemt niet weg dat in beide gevallen de moeder en de kleindochter met elkaar gevoegd worden. Het Besluit (en de aanstaande wet) biedt aldus beschouwd in de buitenlandsituatie hetzelfde als in de binnenlandsituatie beschikbaar is: consolidatie van
binnenslandsonderworpen groepsresultaten.
binnenlandsetussenhoudster ongevoegd te laten. Een Nederlandse grootmoeder met een buitenlandse dochter, een Nederlandse kleindochter en een Nederlandse achterkleindochter kan sinds 16 december 2014 een fiscale eenheid aangaan met alleen haar kleindochter of met zowel haar kleindochter als haar achterkleindochter, maar voeging van alleen haar achterkleindochter is niet mogelijk (zo blijkt uit het Besluit; zie onderdeel 9.12). Aldus beschouwd, is er ook in zoverre geen ongelijkheid tussen de interne en de grensoverschrijdende situatie: het ongevoegd laten van een tussengelegen
binnenlandsevennootschap is in
beidegevallen uitgesloten.
X Holding BVhet EU-recht zich niet verzet tegen de ontzegging van de keuze om een niet-onderworpen tussenhoudster te voegen die het HvJ EU thans wél als verboden discriminatie aanmerkt. In deze benadering is het immers niet die keuze-ontzegging die de verkeersbelemmering oplevert (al zegt het HvJ EU r.o. 25 juist dat die keuze-ontzegging discriminatoir is; zie 5.2 hierboven), maar de onmogelijkheid om binnenlands onderworpen concernonderdelen met elkaar te voegen omdat er ook een groepsvennootschap in een andere lidstaat onderdeel van de groep uitmaakt. Zoals opgemerkt in 5.3 hierboven: de zaak
Papillonen de zaken
SCA Group Holding,
X AG e.a., en
MSA International Holdingsmoeten mijns inziens opgevat worden als behorend in het rijtje
ICI,
Philips Electronicsen
Felixstowe: een nationale fiscale groepsregeling mag niet uitgeschakeld worden om de enkele reden dat de groep ook grensoverschrijdende secundaire vestigingen heeft als het mogelijk is om die groepsregeling ook toe te passen op alleen het binnenlandse deel van de groep.
10.Wat nu?
Aansluiting bij de regeling voor voeging van een binnenlandse v.i. van een buitenlander?
Papillon-eenheid aansluiting te zoeken bij de regeling in het Besluit Fiscale Eenheid 2003 (BFE) van de eenheid waarin de binnenlandse vaste inrichting van een buitenlandse dochter wordt gevoegd. A-G Kokott bij het HvJ EU heeft bij haar coherentiebeoordeling van de uitsluiting van
Papillon-eenheden ook naar die regeling verwezen (§ 63). Het gegeven dat een fiscale eenheid mogelijk is met het Nederlands onderworpen deel van een buitenlandse groepsvennootschap, was voor haar reden om te oordelen dat er een minder ver gaande maatregel (dan uitsluiting) voorhanden is om de fiscale coherentie van het Nederlandse fiscale stelsel te behouden.
Papillon-situatie bestaande onderlinge aandeelhouders-, leen- en transactie-verhoudingen tussen de dochter en de kleindochter (die niet bestaan tussen een hoofdhuis en zijn vaste inrichting) is die situatie vergelijkbaar met die van een binnenlandse kleindochter gehouden via een buitenlandse dochter. De werkzaamheid en het vermogen van de vaste inrichting worden geacht deel uit te maken van de werkzaamheid en het vermogen van de moeder (art. 34(2) BFE). Het aandelenbelang in de buitenlands belastingplichtige dochter blijft fiscaalrechtelijk bestaan zodat alle bepalingen over de deelnemingsvrijstelling (ook die over de aftrekbaarheid van liquidatieverlies) toegepast kunnen blijven worden (art. 35(1) BFE). Nu bij een
Papillon-eenheid de aandeelhoudersbanden en leenverhoudingen tussen (i) de binnenlandse moeder en de buitenlandse dochter en (ii) die dochter en de binnenlandse kleindochter volledig intact blijven (de buitenlandse dochter blijft geheel buiten de voeging), lijken enerzijds bepalingen als art. 34(2) en 35(1) BFE onnodig bij een
Papillon-eenheid, maar anderzijds bepalingen te ontbreken die de deelnemings- en leenverhouding tussen de buitenlandse tussenhoudster en de binnenlandse kleindochter adresseren. Het huidige art. 35 BFE Pro geldt voor een buitenlands belastingplichtige dochter (met gevoegde v.i. in Nederland) waarvoor de deelnemingsvrijstelling geldt en art. 36 BFE Pro voor een buitenlands belastingplichtige dochter (met gevoegde v.i. in Nederland) waarvoor de deelnemingsvrijstelling niet geldt. Art. 35(3-7) BFE strekt ertoe dubbele verliesneming te voorkomen als gevolg van samenloop van het fiscale eenheidsregime (in de verhouding tot de v.i.) en de liquidatieverliesregeling van art. 13d Wet Vpb (in de verhouding tot het buitenlandse hoofdhuis). Zo bepaalt art. 35(3) BFE dat het opgeofferde bedrag verlaagd wordt met de v.i.-verliezen die binnen de fiscale eenheid door de moeder zijn geabsorbeerd. Als de deelnemingsvrijstelling niet geldt in de verhouding met de buitenlandse tussenhoudster, dreigt het gevaar van dubbele verliesneming niet alleen bij liquidatie, maar in elk verliesjaar van de v.i. Art. 36(3 en 4) BFE gaat zowel dergelijke dubbele verliesneming als dubbele heffing tegen: vi-winsten en verliezen van na het aangaan van de fiscale eenheid kunnen niet nogmaals via de (niet-vrijgestelde) deelneming in de buitenlands belastingplichtige dochter bij de fiscale eenheid terecht komen; alleen de resultaten van het hoofdhuis van de buitenlandse dochter worden in aanmerking genomen als zij de waarde van het aandelenbezit in die dochter beïnvloeden. [36]
Papillon-situaties wegneemt. Sommigen betogen dan ook dat het arrest
X Holding BVvan het HvJ EU sinds de invoering van de objectvrijstelling achterhaald is, nu die objectvrijstelling voor v.i.-resultaten reeds voor de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid zorgt. [39] Met Korving [40] en Engelen [41] meen ik dat dat niet zo is omdat andere onevenwichtigheden/incoherenties denkbaar zijn dan dubbele verliesrekening, nu de fiscale eenheid immers veel meer omvat dan alleen een intragroepsresultaatoverheveling (zoals de Britse
group relief). Bovendien: zelfs als het HvJ EU in de invoering van de objectvrijstelling aanleiding zou zien om terug te komen op
X Holding BV, zou dat vanuit grensoverschrijdend-verliesverrekeningsoogpunt geen effect hebben juist door die objectvrijstelling. Zoals opgemerkt in 5.9 van de eerste conclusie in deze zaak (zie 5.3 hierboven), maakt het Hof onderscheid tussen (i)
binnenjurisdictionele consolidatie (als consolidatie bij geheel binnenlands onderworpen groepen wordt toegestaan, moet zij ook worden toegestaan – maar alleen voor de binnenlandse resultaten – als de groep ook buitenjurisdictionele onderdelen omvat) en (ii) grensoverschrijdende consolidatie (die hoeft niet toegestaan te worden, behalve – wellicht – bij definitief onverrekenbare verliezen van de buitenlandpoot, maar wellicht hoeft zelfs ook dat niet meer [42] ). Gezien de tot de tweede categorie behorende arresten van het HvJ EU in de zaken
Lidl Belgium, [43] Krankenheim Ruhesitz [44] en
Marks & Spencer II, [45] en gezien r.o. 25 en 26 van de tot de eerste categorie behorende zaak
Philips Electronics, hoeft Nederland niet-Nederlandse resultaten van een gevoegde buitenlandse dochter niet te absorberen.
jurisdicties?
Philips Electronicsoordeelde het HvJ EU – vanuit het perspectief van de bronstaat van het verlies – dat voorkoming van dubbele verliesverrekening in twee verschillende lidstaten geen zelfstandige rechtvaardiging is voor belemmering van de vestigingsvrijheid. De Vries (BNB 2014/216) meent dat
Philips Electronicsniet in de weg hoeft te staan aan uitsluiting van internationale dubbele verliesneming. Het Verenigd Koninkrijk beriep zich in
Philips Electronicsvoor zijn weigering om een Brits v.i.-verlies van een Nederlandse overigens kwalificerende groepsvennootschap over te dragen aan (andere) Britse groepsonderdelen als bronstaat op handhaving van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de lidstaten. Bij het fiscale-eenheidsregime gaat het echter om (i) fiscale systeemcoherentie in (ii) de
woonstaat van de moeder in plaats van de bronstaat van het verlies, aldus De Vries:
SCA Group Holding, C-40/13,
X AG e.a., en C-41/13,
MSA International Holdings; PJW] beslist dat het beroep door de Nederlandse Staat op fiscale coherentie niet opgaat, maar (…) dit oordeel berust op een onjuist begrip casu quo een verkeerde uitleg van de fiscale eenheid en de deelnemingsvrijstelling. Uitgaande van een juiste interpretatie van deze twee Nederlandse fiscale (concern)regelingen acht ik het zeker niet uitgesloten dat het Hof van Justitie in de toekomst anders zal oordelen over een beroep van de Nederlandse Staat op fiscale coherentie. Daarnaast dient te worden bedacht dat Philips Electronics UK Ltd. een verlies had geleden uit een onderneming die met behulp van een vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk werd gedreven, dat wil zeggen een verlies dat in het Verenigd Koninkrijk als bronland is opgekomen. Het arrest Philips Electronics is met andere woorden gewezen ten aanzien van de bronstaat, terwijl de in het onderhavige arrest opgeworpen fiscale-eenheidsvraag betrekking heeft op Nederland als vestigingsstaat.”
Philips Electronicszal redeneren dat de eventuele inaanmerkingneming van een in wezen Nederlands verlies door de vestigingsstaat van de tussenmaatschappij diens soevereine zaak is (waarvan vermoedelijk onderdeel zal zijn, net als in het geval van
Philips Electronics, waarin Nederland de vestigingsstaat van de buitenlandse groepsvennootschap was, een inhaalregeling bij latere winsten die de eerdere v.i.-verliesaftrek weer ongedaan maakt, zodat uiteindelijk geen internationale dubbele verliesneming resteert).