Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak bevestigde het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de Rechtbank Rotterdam waarin verdachte was veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. Verdachte had aanvankelijk een bekennende verklaring afgelegd, maar verklaarde tijdens de terechtzitting anders en ontkende of betwistte onderdelen van zijn eerdere verklaring.
De verdediging stelde in cassatie dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd omdat het hof volstond met een verkorte weergave van de bewijsmiddelen conform art. 359 lid Pro 3, tweede volzin Sv, terwijl verdachte na zijn bekentenis anders had verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat deze wettelijke bepaling geen toepassing vindt indien de verdachte nadien anders verklaart en dat het hof ten onrechte het vonnis bevestigde zonder de motiveringsgebreken te herstellen.
De Hoge Raad benadrukte dat de wet strikt moet worden uitgelegd en dat het hof het vonnis niet had mogen bevestigen zonder verbetering van de gronden. Omdat het hof dit naliet, kleeft het motiveringsgebrek ook aan het arrest van het hof. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens ontoereikende motivering van de bewezenverklaring na gewijzigde bekentenis van verdachte.