Conclusie
1. Staalbankiers N.V.,
Achmea Bank Holding N.V., (hierna: Staalbankiers
free float(de vrije verhandelbaarheid) in het aandeel VHS zou worden vergroot.
gentlemen’s agreementgesloten. Deze hield in:
lock-up regeling);
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel dat de op schending van de zorgplicht gebaseerde vorderingen zijn verjaard (rov. 3.1-3.11), de
onderdelen 2 t/m 5tegen de ten overvloede gegeven oordelen over de inhoud van de zorgplicht en de gevolgen van de schending ervan (rov. 4.1-8.1).
Onderdeel 6betreft het oordeel over vorderingen die zijn gebaseerd op de opzegging van de bancaire relatie. De
onderdelen 7 en 8verwijten het hof niet te hebben gereageerd op twee door 23 April in appel gevorderde verklaringen voor recht.
onderdelen 2 t/m 5, die de inhoud van de zorgplicht en de gevolgen van schending ervan aan de orde stellen.
onderdeel 2(
nr. 14) geeft het oordeel in rov. 7.1, eerste volzin, blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent wat een toereikende waarschuwing in de omstandigheden zoals door het hof vastgesteld dient in te houden. Aangezien het hof in rov. 7.6-7.7 aanneemt dat de enkele wetenschap dat de gemaakte afspraken (mogelijk) juridisch ontoelaatbaar waren 23 April er niet toe zou hebben gebracht om andere afspraken te maken of om af te zien van (verdere) aankopen via de constructie, kan in die omstandigheden een waarschuwing voor enkel die (mogelijke) ontoelaatbaarheid niet worden aangemerkt als een maatregel waarvan redelijkerwijs te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden.
nr. 15).
Jetblast), waarin voor ‘gevaarzettingssituaties’ is aanvaard dat voor het antwoord van de vraag of een waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar, van doorslaggevende betekenis is of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden. [6] Nu betrof die zaak een algemene waarschuwing aan het publiek, terwijl het hof het oog heeft op de (geïndividualiseerde) [7] waarschuwing door Staalbankiers van 23 April. Het hof vereist dat de waarschuwing “in duidelijke bewoordingen” diende te geschieden, zodat niet gezegd kan worden dat het hof de effectiviteit ervan niet heeft verdisconteerd.
nrs. 14-15dienen daarom te falen. In het verlengde daarvan faalt ook de tegen het causaliteitsoordeel gerichte klacht van
nr. 16, die veronderstelt dat het oordeel in rov. 7.6-7.7 anders zou zijn uitgevallen als het hof had vereist dat Staalbankiers ook had gewaarschuwd voor optreden van AFM en/of OM.
onderdeel 3, nu de daarin geformuleerde klachten tegen het relativiteitsoordeel eveneens voortbouwen op de veronderstelling dat een ‘toereikende waarschuwing’ als verdedigd door onderdeel 2 niet zinloos zou zijn geweest.
nr. 19getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht in de omstandigheden zoals door het hof vastgesteld. De bijzondere zorgplicht strekt er immers mede toe om ook eigengereide, moeilijk te overtuigen en (ten opzichte van de risico’s die zij lopen) lichtvaardige cliënten zo nodig tegen zichzelf in bescherming te nemen. Anders dan het hof oordeelt, neemt de omstandigheid dat de bank haar cliënt volgt in diens wens om uitvoering te geven aan bepaalde transacties die (mogelijk) in strijd zijn met de daarvoor geldende wet- en regelgeving dan ook niet iedere aansprakelijkheid van de bank weg, ook niet indien de cliënt bekend mag worden verondersteld met de risico’s van de betreffende transacties (maar daar – kennelijk – lichtvaardig tegenover stond).
nr. 20), maakt dit niet anders. Evenmin is het oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van het betoog in de MvG nrs. 5.13 en 7.11 (middel
nr. 21).
onderdeel 1achterwege te laten. De klachten van onderdeel 1 kunnen, ook voor zover zij zouden slagen, immers niet tot cassatie leiden gezien het falen van de onderdelen 2 t/m 5.
nr. 23geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen In aanmerking genomen dat Staalbankiers op de hoogte was van de koersmanipulatie, hieraan actief meewerkte en deze gang van zaken gedurende 2002-2003 heeft laten voortgaan, vergden redelijkheid en billijkheid dat Staalbankiers 23 April eerst zou hebben gewaarschuwd.
nr. 24heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de in die klacht genoemde stellingen van 23 April, waaronder haar stelling (MvG nr. 5.41), dat “Staalbankiers het beëindigen van de relatie tevoren niet met 23 April heeft besproken, laat staan 23 April daarvoor heeft gewaarschuwd, terwijl het toch een kleine moeite zou zijn geweest om met 23 April te overleggen over het aanhouden van de volledig gefinancierde portefeuille zolang er niet meer zou worden gehandeld op een volgens Staalbankiers ontoelaatbare wijze”. Volgens de klacht in
nr. 25is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 9.3 gewicht toekent aan de omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat 23 April al die tijd onkundig was geweest van het feit dat er in strijd met wet- en regelgeving werd gehandeld.
onderdelen 7 en 8klagen (
nrs. 26 en 29) dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op de door 23 April, in de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis, gevorderde verklaringen voor recht dat Staalbankiers c.s. hun zorgplicht hebben geschonden, althans onrechtmatig hebben gehandeld, (i) door aan [betrokkene 1] informatie te verstrekken over de prijzen waarvoor (Staalbankiers namens) 23 April, althans [betrokkene 2], aandelen VHS had aangekocht, alsmede de aantallen aangekochte aandelen [11] en (ii) door informatie aan de media te verstrekken die heeft geleid tot de in de memorie van grieven onder nr. 4.77 geciteerde publicaties in de media. [12] Indien het hof deze vorderingen heeft afgewezen, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd (
nrs. 27 en 30). Indien het hof de gedingstukken zo heeft uitgelegd dat 23 April niet deze zelfstandige verklaringen voor recht vorderde, is dit oordeel in het licht van de in het middel bedoelde gedingstukken onbegrijpelijk (
nrs. 28 en 31).
onderdeel 7bedoelde vordering luidt (MvG p. 110 en 111, vierde gedachtestreepje):
Staalbankiers heeft, zonder daartoe de bevoegdheid te hebben, [betrokkene 1] informatie verschaft over de aankopen van [betrokkene 2]/23 April,
met de bedoeling [betrokkene 1] in staat te stellen [betrokkene 2] onder druk te zetten.” Het hof oordeelt daartoe onder meer dat [betrokkene 2] zich er in een vroeg stadium van bewust was dat de constructie in nauw overleg met [betrokkene 1] werd uitgevoerd, niettemin daaraan zijn medewerking heeft voortgezet en de verdere uitvoering ervan heeft overgelaten aan Staalbankiers en [betrokkene 1]. De verwerping van de door onderdeel 7 bedoelde vordering volgt rechtstreeks uit de verwerping van de gecursiveerde stelling. Hierop stuiten de klachten van de nrs. 26 t/m 28 af. [13]
onderdeel 8bedoelde vordering luidt (MvG p. 110 en 111, zesde gedachtestreepje):