Deze zaak betreft de effectenleaseovereenkomsten die door eiser zijn gesloten en de daaropvolgende problematiek rond het Dexia Aanbod en de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van deze overeenkomsten. De Hoge Raad bespreekt onder meer of het Dexia Aanbod, een vaststellingsovereenkomst, de toestemming van de echtgenoot behoeft en of de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is ingeroepen.
De Hoge Raad bevestigt dat voor het aangaan van een effectenleaseovereenkomst toestemming van de andere echtgenoot vereist is, maar dat dit niet geldt voor een vaststellingsovereenkomst zoals het Dexia Aanbod. De vaststellingsovereenkomst bindt alleen de handelende echtgenoot en maakt het recht van de andere echtgenoot om de onderliggende effectenleaseovereenkomsten te vernietigen niet onmogelijk.
Verder wordt geoordeeld dat de stuiting van de verjaring door een collectieve actie zich uitstrekt tot individuele vorderingen tot vernietiging van overeenkomsten, ook als de belanghebbende niet is aangesloten bij de rechtspersoon die de collectieve actie is begonnen. De stuitende werking geldt totdat uiterlijk zes maanden na het definitieve einde van de collectieve actie een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring wordt uitgebracht.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van eiser niet-ontvankelijk voor zover het tegen de echtgenote is gericht en vernietigt het arrest van het hof voor zover het de vordering van Värde betreft, met verwijzing voor verdere beoordeling van de verjaring en de gevolgen van de vernietigingsbrief van juli 2006.