Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte de mogelijke toepassing van het adolescentenstrafrecht heeft uitgesloten omdat dit feit gepleegd is voor 1 april 2014 en op grond van de overgangsbepaling van het adolescentenstrafrecht zoals dat in werking is getreden per 1 april 2014, dit recht slechts van toepassing is op feiten gepleegd na deze datum. Gesteld wordt dat dit oordeel in strijd is met het aan art. 7 EVRM Pro ten grondslag liggende lex mitior-beginsel zoals dat door het EHRM in de Scoppola-zaak nader is gedefinieerd en op grond waarvan bij wijziging van het sanctieregime, het meest gunstige regime op de verdachte zou moeten worden toegepast.
Stb. 2013, 485) is het adolescentenstrafrecht ingevoerd dat op 1 april 2014 in werking is getreden. In deze wet wordt maximale flexibiliteit wat sanctiemogelijkheden betreft mogelijk gemaakt bij adolescenten van 16 tot 23 jaar. Onder de in art. 77c Sr genoemde omstandigheden kunnen jeugdsancties worden toegepast op adolescenten en volwassenen, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van 23 jaar nog niet hadden bereikt. Vóór 1 april 2014 kon dit al op grond van art. 77c Sr (oud) bij jongvolwassenen van 18 tot 21 jaar. Tevens was het voorheen al mogelijk om op grond van art. 77b Sr aan jeugdigen van 16 tot 18 jaar bij ernstige strafbare feiten een volwassenensanctie op te leggen. [1] In essentie komt de wijziging van art. 77c Sr erop neer dat de leeftijdsgrens waarbij adolescentenstrafrecht kan worden toegepast is opgetrokken van 21 naar 23 jaar.
lighter penaltyof de terminologie die het EHRM gebruikt in de Scoppola-zaak, namelijk
the more lenient criminal law. [8]
tweede middelklaagt dat het hof het verzoek om toepassing van art. 77c Sr heeft verworpen op gronden die de afwijzing van dit verzoek niet kunnen dragen.