Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat art. 51 Sv Pro in hoger beroep is geschonden, aangezien niet blijkt dat de raadsman van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep is opgeroepen en evenmin blijkt dat het hof heeft onderzocht of de raadsman voor de zitting in hoger beroep is opgeroepen. Volgens de steller van het middel heeft de raadsman schriftelijk kennis gegeven van zijn optreden als zodanig aan de griffie van het hof, terwijl niet blijkt dat de raadsman anderszins van de zitting in hoger beroep op de hoogte was.
(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 juli 2013 zijn de verdachte en zijn raadslieden (mr. A.T. Bol en mr. G.R. Stolk, beiden advocaat te Rotterdam) verschenen. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van diezelfde datum veroordeeld. [1] (ii) Namens de verdachte heeft mr. Bol op 8 juli 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De appelaktes vermelden als adres van de verdachte [a-straat 1] in Rotterdam. [2] (iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2015 (om 9:45 uur) is op 17 juli 2015 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1] in Rotterdam en is vervolgens, na niet te zijn afgehaald op het postkantoor, op 28 juli 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag. Voorts is op 28 juli 2015 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het voornoemde adres van de verdachte in Rotterdam.
(iv) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 28 juli 2015 en 17 juni 2015 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 8 januari 2007 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Rotterdam. [3] (v) Op de terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2015 is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in Rotterdam.
(vi) Bij arrest van 14 augustus 2015 heeft het hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte niet een schriftuur met grieven heeft opgegeven tegen het vonnis van de politierechter, dat hij evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en dat het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Ook het arrest van het hof vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in Rotterdam.
(vii) Bij faxbericht van 11 februari 2016, gericht aan de rolraadsheer van de Hoge Raad, heeft mr. T.J. Lindhout, advocaat te Rotterdam, [4] verzocht de stukken aan te vullen met de stelbrief van de raadsman in hoger beroep en de oproeping van de advocaat voor de behandeling in hoger beroep, aangezien deze stukken ontbreken in het dossier dat door het hof aan de Hoge Raad is toegezonden.
(viii) In reactie op dit verzoek heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad bij brief van 11 februari 2016, gericht aan mr. Lindhout, meegedeeld dat de stelbrief van de advocaat in hoger beroep en de oproeping van de advocaat voor de behandeling in hoger beroep geen deel uitmaken van het dossier dat aan de Hoge Raad is toegestuurd.
(i) Een afschrift van een brief van 9 juli 2013 van mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam, gericht aan de strafgriffie van het hof Den Haag, betreffende “stelbrief” onder vermelding van één van de parketnummers in eerste aanleg van de strafzaak tegen de verdachte (10/091691-13). Deze als stelbrief aan te merken brief houdt in dat mr. Newoor zich heeft gesteld als raadsman van de verdachte in de procedure in hoger beroep met het verzoek hem op de hoogte te houden van de verdere ontwikkelingen.
(ii) Een “verzend controle rapport” waaruit kan worden afgeleid dat deze brief op 10 juli 2013 om 14:36 uur per fax is verzonden naar het toenmalige faxnummer van de strafgriffie van het hof Den Haag.
tweede middelbevat de klacht dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte in hoger beroep is geschonden, aangezien het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de verdachte. Volgens de steller van het middel blijkt uit de aan de cassatieschriftuur gehechte stukken dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd.