Conclusie
1.Feiten en procesverloop
grief IIkomen de curatoren op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [eiseres] ageert uit hoofde van (een inbreuk op) haar eigendomsrecht. De grief treft doel, reeds omdat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] geen eigenaar (meer) is van het terrein waarop de reststoffen lagen opgeslagen ten tijde van het instellen van de vordering, en dat de grondslag van haar vordering niet wordt gevormd door een (vermeend) eigendomsrecht.
grief IVhet oordeel van de voorzieningenrechter (rov. 4.11 en 4.12) dat de betreffende boedelvordering onmiddellijk en integraal moet worden voldaan zonder de afwikkeling van de (negatieve) boedel af te wachten en met voorbijgaan van de aanspraken van andere boedelschuldeisers, zulks onder verwijzing naar het arrest van het hof Amsterdam van 28 mei 1998, JOR 1999/13 (Stigter/Tanger q.q.). Met
grief IIIwordt opgekomen tegen het oordeel dat gesteld noch gebleken is dat tussen [eiseres] en Aldel een contractuele relatie bestaat die voor de beoordeling van het geschil relevant is (rov. 4.5). Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
nietals partij bij de deelovereenkomsten is aan te merken niet opgaat. Daarvan uitgaande miskent het betoog van [eiseres] dat de reststoffen van Aldel op het terrein van [eiseres] lagen opgeslagen krachtens de beide deelovereenkomsten A en B van 22 mei 2013, en de overeenkomst van 12 mei 2011 voor de opslag van kathodepool. Het betreft hier wederkerige (duur)overeenkomsten ter zake van de opslag en verwerking van reststoffen. Voor wederkerige overeenkomsten die ten tijde van de faillietverklaring nog niet of niet geheel zijn nagekomen - waaronder begrepen op dat tijdstip lopende duurovereenkomsten -, gaat de faillissementswet uit van het volgende stelsel. Op zichzelf brengt het faillissement geen wijziging in de verbintenissen die voortvloeien uit een overeenkomst. De curator heeft echter, zoals blijkt uit artikel 37 lid 1 Fw Pro, de mogelijkheid om overeenkomsten niet gestand te doen en dus de daaruit voortvloeiende verbintenissen niet na te komen (vgl, HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8838, NJ 2007/155). Die verbintenissen leveren in het faillissement een concurrente vordering op die, indien het geen geldvordering betreft, overeenkomstig artikel 133 Fw Pro voor de geschatte waarde kan worden ingediend. Indien de curator de overeenkomst niet gestand doet, kan de wederpartij deze ook ontbinden, na de weg van artikel 37 lid 1 Fw Pro te hebben gevolgd, en heeft zij daarnaast wegens het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst een concurrente vordering op grond van artikel 37a Fw. Ingeval de curator in verband met het belang van de boedel besluit de overeenkomst niet gestand te doen, resteert voor de wederpartij dus steeds - behoudens door de wet erkende redenen van voorrang - een concurrente vordering. Dit is in overeenstemming met het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers dat aan de Faillissementswet ten grondslag ligt (vgl. HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 rov. 3.6.1, NJ 2013/291 ([B/C])).
strekkingvan de overeenkomsten nooit is geweest dat de reststoffen na de opslag weer aan Aldel zouden worden teruggegeven. Weliswaar is, aldus de curatoren, in de overeenkomsten bepaald dat Aldel tot aan de betaling eigenaar van de reststoffen zal blijven, maar evident is dat nooit de bedoeling heeft voorgelegen dat deze reststoffen op enig moment door Aldel weer zouden (moeten) worden teruggenomen (pleitnotitie curatoren eerste aanleg onder 26 e.v./memorie van grieven onder 28). Daarin is een belangrijk verschil gelegen met overeenkomsten van huur, pacht, bruikleen en/of bewaarneming waarbij naar zijn aard de zaak na het einde van de overeenkomst dient te worden teruggegeven. Om die reden kan ook een beroep op het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 7 juli 2001, JOR 2001,266 (Provag) [eiseres] niet baten, reeds omdat aan die zaak ten grondslag lag een door de curator niet nagekomen bewaarnemingsovereenkomst.
eigenaaris van het gehuurde
kan verlangendat de curator de tot de boedel behorende zaken uit het gehuurde verwijdert, welke verplichting een boedelschuld is. Niet alleen is de positie van [eiseres] - zo volgt uit (c) - niet gelijk te stellen met die van een verhuurder, pachter of bruikleengever, maar bovendien is [eiseres] geen eigenaar van het terrein waarop de reststoffen opgeslagen lagen zodat zij ook om die reden niet van de curatoren kan verlangen dat zij overgaan tot verwijdering van haar terrein van de tot de boedel behorende reststoffen.
Grief IVkeert zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter (rov. 4.11) dat sprake is van een boedelvordering die onmiddellijk en integraal moet worden voldaan. Nu volgens het hof geen sprake is van een boedelvordering bestaat geen belang bij bespreking van de vraag of indien wel sprake was van een boedelvordering, deze superpreferent zou zijn geweest.
Grief Vbestrijdt de in eerste aanleg ten laste van de curatoren uitgesproken proceskostenveroordeling. Met het slagen van de grieven I - III slaagt ook deze grief. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en het hof zal, opnieuw recht doende, de vordering van [eiseres] alsnog afwijzen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
tussen partijen niet in geschil is dat (...) de grondslag van [de] vordering niet wordt gevormd door een (vermeend) eigendomsrecht”(rov. 5.5) en dat
“[eiseres] niet ageert op grond van (een inbreuk op) haar eigendomsrecht”(rov. 5.12 sub
a).
a [9] heeft het hof niet meer tot uitdrukking gebracht dan dat vaststaat dat [eiseres] geen eigenaar (meer) is van het perceel en dus niet ageert op grond van
haareigendomsrecht [10] , zodat het onderdeel op dat punt feitelijke grondslag mist.
a)of een persoonlijk (obligatoir) gebruiksgerechtigde van een terrein aanspraak kan maken op verwijdering van storende zaken, net zoals een eigenaar dat kan [13] , en, zo ja,
b)of hij zo’n aanspraak ook kan effectueren jegens de curator in het faillissement van de eigenaar van de storende zaken.
omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting” (rov. 3.7.2).
Deze verplichting rust op de curator in zijn hoedanigheid en is derhalve een boedelschuld.”
sub 9-20keert zich tegen de in rov. 5.12 genoemde vier argumenten (
at/m
d) waarmee het hof het beroep van [eiseres] op – kort gezegd – analoge toepassing van de in rov. 5.11 beschreven verwijderingsleer verwerpt.
avoert het hof aan dat een belangrijk verschil met de in rov. 5.11 genoemde rechtspraak is dat [eiseres] niet ageert op grond van een inbreuk op haar eigendomsrecht. Voorts heeft het hof in rov. 5.12 sub
duit het arrest [B/C] q.q. afgeleid dat nu [eiseres] geen eigenaar is, zij om die reden niet van curatoren kan verlangen dat zij tot verwijdering van de tot de boedel behorende reststoffen overgaan.
onderdeel 2 sub 11zijn deze oordelen de eerste plaats onjuist en/of onbegrijpelijk gelet op de klachten in onderdeel 1, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.
onderdeel 2 sub 12wordt geklaagd dat het hof met deze oordelen miskent dat het voor het antwoord op de vraag of een gehoudenheid tot verwijdering bestaat onverschillig is of wordt geageerd door een perceeleigenaar die wordt gehinderd in de uitoefening van zijn eigendomsrecht, of door een partij die ten aanzien van het perceel een exclusief gebruiksrecht heeft en wordt gehinderd in de uitoefening van dat recht. Ook de (exclusief) gebruiksgerechtigde kan verwijdering vorderen op de grond dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht althans haar (exclusieve) gebruiksrecht met betrekking tot het voorwerp van dat eigendomsrecht, dan wel op grond van de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid.
onderdeel 2 sub 13dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het feit dat [eiseres] niet ageert op grond van een inbreuk op haar eigendomsrecht van belang zou zijn, nu het hof in rov. 3.2 immers heeft vastgesteld dat [eiseres] een contractuele bevoegdheid tot gebruik van het perceel heeft en [eiseres] uitdrukkelijk die gebruiksbevoegdheid aan haar vordering tot verwijdering ten grondslag heeft gelegd
bacht het hof van belang dat een ander belangrijk verschil met de in rov. 5.11 genoemde arresten zou zijn dat de reststoffen aanvankelijk – tot de ontbinding – krachtens overeenkomst op het terrein van [eiseres] lagen. Naar ’s hofs oordeel zou het standpunt van [eiseres] impliceren dat de curator die rechtmatig gebruikmaakt van de mogelijkheid om een wederkerige overeenkomst niet gestand te doen, onrechtmatig zou handelen indien hij de gevolgen daarvan niet ongedaan maakt met een boedelschuld tot schadevergoeding als gevolg, hetgeen volgens het hof een onaanvaardbare doorkruising van het in rov. 5.8 geschetste stelsel zou opleveren.
onderdeel 2 sub 15ligt in dit oordeel van het hof besloten dat het volgens het hof van belang is of de zaken waarvan verwijdering wordt gevorderd zich aanvankelijk rechtmatig op het perceel bevonden. Aldus heeft het hof miskend dat voldoende moet worden geacht dat de zaken zich zonder recht of titel op het desbetreffende perceel bevinden op het moment waarop de verwijdering wordt gevorderd.
contractuelegevolgen daarvan niet ten laste van de boedel ongedaan behoeft te maken. Indien het door de niet-gestanddoening veroorzaakte verlies van het recht op nakoming van de overeenkomst (daarnaast) tot gevolg heeft dat jegens de (na ontbinding: voormalige) contractspartij onrechtmatig is gehandeld, dan dienen de gevolgen
daarvanwél door de curator ongedaan te worden gemaakt. Van een doorkruising van het stelsel van de Faillissementswet is daarbij geen sprake, aldus de klacht.
coverweegt het hof dat de curatoren met kracht van argumenten – die door [eiseres] niet gemotiveerd zouden zijn weersproken – hebben betoogd dat de
strekkingvan de overeenkomsten nooit is geweest dat de reststoffen na de opslag weer aan Aldel zouden worden teruggegeven.
onderdeel 2 sub 18berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat de desbetreffende overeenkomsten door de curatoren niet gestand zijn gedaan en in aansluiting daarop zijn ontbonden, zodat aan (de vermeende strekking van) die overeenkomsten niet langer betekenis toekomt.
onderdeel 2 sub 20dat ’s hofs oordeel dat de strekking van de overeenkomsten nooit is geweest dat de reststoffen na de opslag weer aan Aldel zouden worden teruggegeven, ook onbegrijpelijk is omdat uit rov. 5.9, laatste zin en rov. 5.10 blijkt dat het hof van oordeel is dat [eiseres] een vordering tot verwijdering heeft die voortvloeit uit de met Aldel gesloten overeenkomst(en).
onderdeel 2 sub 21brengt gegrondbevinding van één of meer van de hiervoor genoemde klachten mee dat 's hofs oordelen in rov. 5.13 evenmin in stand kunnen blijven.