Conclusie
eerste middelklaagt met betrekking tot feit 3 dat het oordeel van het hof dat aan het klachtvereiste zoals vervat in art. 164, eerste lid, Sv is voldaan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.
12.Het eerste middel faalt.
tweede middelklaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met het tijdsverloop, een gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van het openbaar ministerie en strijd met beginselen van een behoorlijke en goede procesorde ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
tweede middelfaalt, omdat het hof gelet op de wijze waarop het verweer in feitelijke aanleg is ingekleed, niet was gehouden aan de ‘belangrijke aspecten’ in het kader van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid aandacht te besteden.
derde middelklaagt met betrekking tot feit 2 dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen aan art. 262 Sr Pro ontleende delictsbestanddeel ‘wetende dat’.
26.Het derde middel faalt.
vierde middelklaagt dat het hof met betrekking tot de feiten 2 en 3 een te ruime uitleg heeft gegeven aan het in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen delictsbestanddeel “met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven”, zodat het oordeel van het hof dat daaraan is voldaan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
38.Het vierde middelfaalt.
vijfde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.