Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
4.De wet en parlementaire behandeling
Minister Blok: (…) Dan is er de intrigerende vraag van mevrouw Schouten en anderen over de oudste rechthebbende, die in de meeste gemeentes de WOZ-beschikking krijgt. Is daarbij sprake van een juridisch gelijke behandeling? Verreweg de meeste gemeentes hebben er, op heel praktische gronden, voor gekozen om de WOZ-beschikking toe te sturen aan de oudste rechthebbende, vaak de oudste eigenaar van een woning. Wetende dat dit zo is, sluiten we in de systematiek van deze wet aan bij de praktijk die gegroeid is. Ook dat gebeurt vanuit het oogpunt dat we de administratieve lasten zo beperkt mogelijk willen houden, ook wanneer we met een nieuwe maatregel komen. Dat is de reden waarom ik geen nieuwe regel zou willen introduceren voor een praktijk die al bestaat, in een wet die gewoon aanhaakt bij de manier waarop op dit moment WOZ-beschikkingen worden afgegeven.
5.Jurisprudentie
nietgelijk is aan volle eigendom, wél over één kam geschoren wordt met volle eigendom. Zij wordt voor de volle eigendom van alle 51 woningen belast omdat de wet haar als enige belastingplichtig maakt, en wel uitsluitend op grond van haar leeftijd, dus op grond van een aangeboren persoonskenmerk dat geen enkel verband houdt met enig gerechtvaardigd doel van de verhuurderheffing. Niet alleen het ongerechtvaardigd verschillend behandelen van gelijke gevallen is discriminatie, ook het willekeurig op basis van een irrelevant en bovendien verdacht kenmerk (leeftijd) over één kam scheren van ongelijke eigendomsgevallen is discriminatie. De rechtbank gaat ook niet in op de (on)verhaalbaarheid van de op basis van het voor de verhuurderheffing willekeurige leeftijdscriterium opgelegde belasting op de voor de heffingsratio identieke, maar desondanks niet-belastingplichtige mede-eigenaren.
6.Literatuur
Belastingadvies2015/12.6 bij de uitspraak van de Rechtbank aan:
7.Analyse
A. Wie is belastingplichtig?
surflangs gemeentelijke regelingen wijst inderdaad op bekendmaking aan de oudste mede-eigenaar, zij het dat daar soms pas aan wordt toegekomen ná de criteria woonplaats (binnen of buiten de gemeente) en (grootste) omvang van deelgerechtigdheid. Veel gemeenten hanteren ook het criterium
gebruik(nu het de gemeenten uiteraard om de gemeentelijke heffingen gaat), maar dat is voor de (rijks)
verhuurderheffing uit de aard der zaken niet relevent. De Gemeente Buren bijvoorbeeld stelt de WOZ-beschikking te naam van (i) degene die door het kadaster als voornaamste eigenaar wordt aangewezen, (ii) als gebruiker bekend staat, (iii) in de gemeente woont of is gevestigd, (iv) het grootste aandeel heeft of – dan pas – (v) de oudste is; [31] deze criteria kunnen bovendien anders worden toegepast naargelang de mede-eigenaar al dan niet in de gemeente is gevestigd. De belanghebbende stelt dat ook Rhenen, Alkmaar, Maastricht en Rotterdam een ander adresseringsbeleid voeren dan op basis van leeftijd. [32] Weer andere criteria worden toegepast als woningen worden gehouden door een samenwerkingsverband zoals een vennootschap onder firma (zie ook 4.9). Nu ik niet het beleid van alle (per 2017: 388) gemeenten heb kunnen onderzoeken en geen zicht heb op de praktijk, ga ik er met de medewetgever (zie de citaten in de onderdelen 4.8, 4.12, 4.13, 4.15, 4.16, en 4.17 hierboven) van uit dat de WOZ-beschikking in de praktijk veelal, zoals bijvoorbeeld in de gemeenten Lisse en Noordwijk, aan de oudste medegerechtigde wordt bekendgemaakt.
nietbelastingplichtig is), valt niet in te zien waarom B zou moeten meebetalen aan de door A’s woningen – waarvan B het bestaan mogelijk niet eens vermoedde - opgeroepen belastingschuld. In ongewogen aantal is B slechts tot acht woningen mede-gerechtigd en qua WOZ-waarde (de heffingsgrondslag van de verhuurderheffing) is B slechts gerechtigd tot vier woningen, zodat hij in alle relevante aspecten beneden de voetvrijstelling blijft (overigens wordt ook B alsdan gediscrimineerd in vergelijking met een voor de verhuurderheffingsgrondslag (de WOZ-waarde) identieke enkelvoudige bezitter van vier woningen of zelfs een enkelvoudige bezitter van acht woningen, die niets hoeft te betalen). Mede-eigenaren van minder dan elf woningen zouden dus, indien wél regres mogelijk zou zijn, hun mede-eigenaren nauwlettend in de gaten moeten houden: als bij vier mede-eigenaren van tien woningen de WOZ-beschikkeling er individueel één woning bij koopt, dan maakt hij daarmee de andere drie – indien regres mogelijk zou zijn – opeens elk draagplichtig voor 2,5/11e van de verhuurderheffing over éénmaal de gemiddelde WOZ-waarde. Of zou de voetvrijstelling van tien woningen als regres wél mogelijk zou zijn eerst aan de gemene woningen moeten worden toegerekend en zouden de andere drie dus niet hoeven bij te dragen? (wat, als één van die drie anderen ook nog volle eigenaar is van 12 andere woningen, of oudste mede-eigenaar van 12 andere woningen met andere mede-eigenaren?). U merke overigens op dat indien in het boven gegeven voorbeeld niet A, maar B de oudste is, opeens niemand meer belastingplichtig is (zie daarover nader onderdeel C. hieronder, met name 7.20), ook niet als A er individueel nog zes woningen bij zou kopen.
nietin een geldwaarde maar in een aantal woningen dat bovendien eveneens voorbijgaat aan de werkelijke eigendomsverhoudingen.
fraus legisgezien worden (maar eerder als verstandige zelfredzaamheid tegen overheidswillekeur).
matevan medegerechtigdheid van de WOZ-beschikkeling negeert:
fraus legisis mijns inziens geen sprake nu de wetgever zelf de omvang van de medegerechtigdheid voor het ontstaan van de belastingplicht irrelevant heeft verklaard en hij - gezien de door het parlement expliciet aan de orde gestelde voorbeelden - bewust een inconsistente regeling met uiterst willekeurige resultaten heeft ingevoerd. Ik herhaal dat in de voorbeelden 1 en 2 de feitelijk grondslagen identiek zijn hoewel de belastingposities van de betrokkenen in de twee situaties volstrekt tegengesteld zijn (wel c.q. niet-belastingplichtig) en dat vanaf 2017 het daar beschreven willekeurige effect zal vervijfvoudigen: als A 50 woningen in volle eigendom heeft en samen met B nog 50 in mede-eigendom, is A belastingplichtig als A de WOZ-beschikkingen ter zake van de gemene woningen krijgt en is niemand belastingplichtig als B ze krijgt.
nietbelastingplichtige medegerechtigden (en de onzekerheid over schuldtoerekening als wél regres mogelijk zou zijn). Daarbij realisere men zich dat als de betrokken gemeente, zoals de wetgever veronderstelt, de oudste medegerechtigde aanschrijft, de willekeur in belastingplichtvestiging en voetvrijstellingsaanspraak gebaseerd is op leeftijdsdiscriminatie, dus op een aangeboren kenmerk. Onjuist is dan ook mijns inziens ’s Hofs stelling (r.o. 4.7) dat aansluiting bij het gemeentelijke WOZ-beschikkingbekendmakingsbeleid geen onderscheid naar aangeboren kenmerk zou inhouden. Als er één kenmerk aan
geborenis, dan is het wel leeftijd. Hoewel de klacht van de belanghebbende zich ook richt tegen het ontstaan van belastingplicht op grond van leeftijd, is mij uit het dossier overigens niet duidelijk - de feitenrechters hebben dat opmerkelijkerwijs niet vastgesteld – of de belanghebbende (mede) op grond van zijn leeftijd of (mede) op grond van een (ander) gemeentelijk criterium van een (andere) gemeente de 13 WOZ-beschikkingen heeft ontvangen.
al dan niet ontstaanvan belastingplicht en het al dan niet in aanmerking komen voor voetvrijstelling (zie onderdeel C. hierboven) en (ii) voor de gevallen waarin
wél– op basis van leeftijd of een ander willekeurig adresseringscriterium - belastingplicht is ontstaan: de juridische onmogelijkheid voor de willekeurig als enige belastingplichtige aangewezen medegerechtigde om de belasting op zijn niet-belastingplichtige medegerechtigdheden te verhalen voor hun (waarde)deel, met name als die aanwijzing is geschied op basis van leeftijd (zie onderdeel B. hierboven). Aan de laatstgenoemde vorm van discriminatie (die in onderdeel B) kan de onrechtmatigheid wellicht ontnomen worden door een fatsoenlijke regresregeling te treffen (die voor alle vormen van medegerechtigdheid ook duidelijk zal moeten maken hoe de voetvrijstelling verdeeld moet worden over de draagplichtigen), maar aan de eerstgenoemde vorm van (leeftijds)discriminatie (die in onderdeel C.) niet.
margin of appreciationals de betrokken gemeente niet op basis van een aangeboren kenmerk als leeftijd adresseert, maar bijvoorbeeld op basis van ingezetenschap, maar het uitgangspunt van de wetgever (en ik veronderstel ook de werkelijkheid; zie 7.7) is dat de meeste gemeenten adresseren op basis van leeftijd. Dan moet het wettelijke stelsel ter zake van particuliere medegerechtigden ook op basis van dat uitgangspunt beoordeeld worden. Overigens leiden ook andere adresseringscriteria zoals ingezetenschap tot willekeurige belastingplichtvestiging en willekeurige voetvrijstellingsaanspraak en neemt het gebruik van andere criteria hoe dan ook het ontbreken van een regresregeling niet weg.
8.Beoordeling van de middelen
Middelen (i), (ii) en (iii)
single ownersvan dezelfde WOZ-waarde (dus met een identieke heffingsgrondslag voor de verhuurderheffing). Ook als individuele mede-eigenaren naar een ander criterium (ongewogen aantal) in de verhuurderheffing betrokken zouden mogen worden dan
single owners(waarde) en middel (ii) dus zou falen, blijft de in onderdeel B. hierboven beschreven discriminatie bestaan en slaagt dus middel (iii): de belanghebbende is (op grond van zijn leeftijd, neem ik aan) voor 100% belastingplichtig gemaakt hoewel hij slechts voor een derde gerechtigd is en rechtens geen regres heeft op zijn mede-eigenaren die voor de ratio en de grondslag van de verhuurderheffing in een volstrekt identieke positie verkeren. De Wvh moet dan mijns inziens jegens de belanghebbende buiten toepassing gelaten worden voor zover hij juridisch geen regres heeft.
lawfulnessvan de verhuurderheffing ten laste van particuliere mede-eigenaren kunnen aantasten wegens onvoldoende precisie van de eigendomaantastende wetgeving, maar mijns inziens valt dat gebrek samen met de boven (onderdeel C) beschreven (leeftijd)willekeur van het al dan niet ontstaan van belastingplicht en het al dan niet meer malen kunnen genieten van de voetvrijstelling.
9.Wat te doen?
Prospective overrulingheeft geen zin, want vanaf 2017 is de belanghebbende waarschijnlijk niet meer belastingplichtig; voor hem zit de pijn juist in de reeds verstreken jaren 2014 t/m 2016.