Conclusie
Zitting: 25 maart 2016
wonende te [woonplaats]
(hierna [eiser] )
gevestigd te Zaltbommel
(hierna FSV)
1.Feiten
(i) [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1945, is op 7 september 1971 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van N.V. Afvalverwerking Rijnmond, hierna: Rijnmond.
(ii) In 2003 genoot [eiser] een bruto maandsalaris van € 4.894 exclusief 8% vakantiegeld, 13e maand en 1,5% eindejaarsuitkering.
(iii) Op 7 februari 2003 heeft Rijnmond [eiser] een concept van een vaststellingsovereenkomst toegezonden, waarin Rijnmond hem aanbood om het dienstverband per 1 februari 2004 te beëindigen, onder toekenning van een ontslagvergoeding van € 48.000.
(iv) [eiser] heeft op 14 februari 2003 met het ontslag per 1 februari 2004 ingestemd, nadat hij met Rijnmond een ontslagvergoeding van € 60.000 was overeengekomen.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De spontane informatie-, handelings- en waarschuwingsplichten van de opdrachtnemer kunnen zowel betrekking hebben op de belangen van de opdrachtgever als op de belangen van derden. Of de zorgplicht van de opdrachtnemer in een concreet geval een dergelijke verplichting omvat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de rechtspraak zijn diverse malen spontane informatieplichten en spontane handelingsplichten van opdrachtnemers aangenomen. Zo is geoordeeld dat een advocaat de plicht heeft om een cliënt eigener beweging te wijzen op de mogelijkheid beroep in te stellen [12] ; dat een belastingadviseur naar aanleiding van enkele specifieke vragen van de opdrachtgever gehouden was spontaan te wijzen op art. 28b Wet op de vennootschapsbelasting 1969 [13] ; dat een accountant spontaan moest waarschuwen voor de fiscale consequenties van de door de opdrachtgever voorgenomen onderbreking van de bedrijfsvoering [14] ; dat een agrarisch makelaar gehouden was bij de opdrachtgever te informeren of over de te leveren melkquota omzetbelasting verschuldigd was. [15] De hier aan orde zijnde spontane zorgplicht van de opdrachtnemer zal onder meer zijn grens vinden wanneer de opdrachtnemer goede grond heeft te vertrouwen dat de opdrachtgever zichzelf reeds op de hoogte had gesteld van hetgeen voor hem van belang is. [16] De spontane zorgplicht vindt tevens een grens waar het gaat om mogelijkheden waar de opdrachtnemer redelijkerwijs geen rekening mee behoefde te houden. [17] Zo behoeft een belastingadviseur niet te wijzen op fiscale faciliteiten die weliswaar in theorie van toepassing zouden kunnen zijn, maar waarvan redelijkerwijs valt uit sluiten dat zij in de gegeven omstandigheden voor toepassing in aanmerking komen. [18] Het antwoord op de vraag of in een bepaald geval de opdrachtnemer voldoende zorgvuldigheid heeft betracht, hangt, zoals gezegd, in hoge mate af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarmee zal ook de vraag of in een concreet geval een advies-, informatie- of waarschuwingsplicht aan de zijde van de opdrachtnemer is geschonden in hoge mate afhangen van de waardering die men geeft aan de feitelijke omstandigheden. [19] Het desbetreffende oordeel kan derhalve als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. [20] De toetsing in cassatie zal met name betrekking hebben op de kwestie of het oordeel van het hof voldoende is gemotiveerd en/of niet onbegrijpelijk is.
[eiser] stelt in cassatie dat hij in feitelijke instanties een beroep heeft gedaan op de zorgplicht van de opdrachtnemer en dat hij daarbij heeft verwezen naar een aantal vindplaatsen. [23] Op die plaatsen heeft [eiser] gesteld dat FSV de norm van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. De norm hierbij is of FSV heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot heeft gehandeld. [eiser] heeft daarbij ook gesteld dat FSV zich presenteert als een kantoor met gespecialiseerde arbeidsrechtjuristen. Het beheersen van de kantonrechtersformule is wel het minste wat [eiser] van de FSV-jurist had mogen verwachten, aldus [eiser] . Uit deze vindplaatsen blijkt niet dat [eiser] óók heeft betoogd dat FSV een spontane advies-, informatie- of waarschuwingsplicht heeft ten aanzien van de arbeidsrechtelijke aspecten van het ontslagvoorstel, zoals hiervoor besproken onder punt 3.4. De stellingen die [eiser] in feitelijke instanties heeft ingenomen, kunnen moeilijk anders worden begrepen dan dat hij zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat de inhoud van de overeengekomen opdracht ook betrekking had op de arbeidsrechtelijke aspecten van het ontslagvoorstel, zodat FSV [eiser] ook daarover had behoren in te lichten. Noch in eerste aanleg noch in de memorie van grieven is door [eiser] verdedigd dat ook los van de vraag wat de inhoud van de opdracht aan FSV was, zij uit hoofde van de op haar rustende zorgplicht gehouden was hem spontaan te adviseren over de arbeidsrechtelijke aspecten van de beëindigingsovereenkomst. Het hof was ook niet gehouden hierover ambtshalve een oordeel te geven, zoals [eiser] betoogt. Of de zorgplicht van de opdrachtnemer meebrengt dat op de opdrachtnemer een spontane advies-, informatie- of waarschuwingsplicht rust, is in sterke mate afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. De feiten en omstandigheden van het onderhavige geval verplichtten het hof niet tot het door [eiser] gewenste ambtshalve oordeel.
wat mag een particulier als [eiser] bij het voorleggen van een dergelijke overeenkomst redelijkerwijs verwachten?’ Hij wijst in dit verband op de tekst van de website van FSV, waarin zij zich presenteert als fiscaal en juridisch adviseur (punt 30 akte uitlating bewijslevering). Ook in cassatie wijst [eiser] op deze omstandigheid. [24]
Tegen deze overweging heeft [eiser] in cassatie geen klacht gericht, zodat deze niet ter toetsing voorligt. Overigens lijkt het oordeel van het hof mij juist. Juist is ook dat [eiser] geen andere feiten en omstandigheden heeft gesteld ter ondersteuning van de hier bedoelde stelling.
onderdeel aheeft het hof ten onrechte een bewijsopdracht aan [eiser] verleend, althans is een bewijsopdracht verleend die, in het licht van de gedingstukken en de stellingen van partijen, onbegrijpelijk geacht moet worden. Uit art. 7:401 BW Pro kan, zo betoogt het onderdeel, onder omstandigheden een andere stelplicht en daaraan verbonden bewijslast voortvloeien dan op grond van art. 150 Rv Pro het geval zou zijn. Volgens het onderdeel had het hof er aandacht aan dienen te besteden dat op FSV op grond van artikel 7:401 BW Pro een informatieplicht rust, voortvloeiend uit de op de dienstverlener rustende (precontractuele) zorgplicht, en dat het (zo nodig ambtshalve) diende te oordelen of FSV die informatieplicht voldoende in acht heeft genomen.