Conclusie
sowieso- los van de overeenkomsten - zouden worden uitgevoerd, kunnen gelden als werkzaamheden die op grond van de (nietige) overeenkomsten zijn verricht en waarop de zogenaamde
Warmond-jurisprudentie [2] en art. 6:210 lid 2 BW Pro toepassing kunnen vinden. Voorts is aan de orde of het hof bij de waardering van de door de Gemeente verrichte werkzaamheden in het kader van art. 6:210 lid 2 BW Pro voldoende rekening heeft gehouden met de uit HR 5 december 2014 (
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierden), ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159 m.nt. S.D. Lindenbergh, voortvloeiende eisen, die onder meer inhouden dat de op grond van art. 6:210 lid 2 BW Pro verschuldigde vergoeding de marktwaarde van de prestatie voor het betrokken perceel niet mag overtreffen.
1.Feiten en procesverloop
in aanmerking nemende:
(€ 35.700,00).
(€ 327.189,75). (...)
Artikel 4. Vaststelling kostenverhaalsbesluit
primairgevorderd een verklaring voor recht dat de Gemeente haar in de Akte en de Overeenkomst neergelegde aanspraken op een financiële bijdrage van [eiser] van in totaal € 735.789,75 (€ 408.600 en € 327.189,75) niet geldend kan maken en niet met succes een beroep kan doen op art. 6:210 lid 2 BW Pro,
subsidiaireen verklaring voor recht dat de Akte en de Overeenkomst nietig zijn, en
meer subsidiairde vernietiging van de Akte en de Overeenkomst. De Gemeente heeft zich tegen de reconventionele vordering verweerd.
Exploitatieverordening Uden), ECLI:NL:HR:1996:ZC1990, NJ 1996/608 m.nt. Ch. Backes [8] ) geoordeeld dat dit tot gevolg heeft dat de Gemeente haar in de Akte en de Overeenkomst neergelegde aanspraken op een financiële bijdrage niet (althans niet op die grond) geldend kan maken. In de omstandigheid dat de Gemeente heeft aangevoerd dat - wanneer de Akte en de Overeenkomst geen grondslag bieden voor haar vorderingen tot betaling van de bedoelde bedragen - zij op grond van art. 6:210 BW Pro aanspraak heeft op vergoeding van de door haar verrichte prestaties, heeft de rechtbank (onder verwijzing naar HR 12 december 2003 (
Warmond II), ECLI:NL:HR:2003:AL8443, NJ 2005/431 m.nt. JH [9] ) aanleiding gezien de Gemeente te verzoeken zich uit te laten over hetgeen de Gemeente op basis van de Exploitatieverordening als tegenprestatie voor haar prestaties van [eiser] had kunnen bedingen (rov. 7.5.4).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Op grond van de nietige Akte en Overeenkomst verrichte prestaties: onverschuldigde betaling?
Warmond I), ECLI:NL:HR:2001:AB1055, NJ 2001/581 m.nt. JH [13] en HR 12 december 2003 (
Warmond II), ECLI:NL:HR:2003:AL8443, NJ 2005/431 m.nt. JH [14] , geen ruimte is. Het arrest
Warmond Ibetreft immers een prestatie die is verricht
op grond van een overeenkomstdie later nietig bleek te zijn. Dit blijkt ook uit de tekst van art. 6:211 BW Pro, die eveneens spreekt van een prestatie die
op grond van een nietige overeenkomstis verricht. [eiser] heeft in dat kader aangevoerd (i) dat de
Warmond-jurisprudentie de situatie betreft waarbij er ten behoeve van één partij een prestatie werd verricht, terwijl de werkzaamheden in de onderhavige zaak niet, althans niet uitsluitend, ten behoeve van [eiser] worden verricht; (ii) dat de werkzaamheden door de Gemeente
“sowieso”al zouden worden verricht en ten tijde van het aangaan van de Akte en de Overeenkomst voor een deel al waren verricht; (iii) dat de Akte en de Overeenkomst de Gemeente jegens [eiser] niet tot het aanleggen van ontsluitingswegen en riolering verplichten, maar in de Akte en de Overeenkomst uitsluitend over een daarop gericht voornemen van de Gemeente wordt gesproken; en (iv) dat later de Akte en de Overeenkomst zijn gesloten op grond waarvan de Gemeente beoogde alsnog een deel van de kosten om te slaan op [eiser] . De werkzaamheden zijn volgens het subonderdeel dus niet verricht op grond van de nietige Akte en Overeenkomst; art. 6:210 BW Pro en de
Warmond-jurisprudentie komen daarom niet voor toepassing (naar analogie) in aanmerking.
“de prestaties van de Gemeente op basis van de exploitatieovereenkomsten”heeft gerekend. Daartoe heeft het hof in aanmerking genomen dat
“deze prestaties”in de exploitatieovereenkomsten met zoveel woorden worden omschreven. Dat oordeel is, gelet op de (imperatief geformuleerde) tekst van de Akte respectievelijk de Overeenkomst niet onbegrijpelijk. De Akte vermeldt onder
“BEDINGEN”in art. 3 lid Pro 3:
“Partij 1(de Gemeente; LK)
zal in het openbare gebied van het bedrijventerrein Gelkenes Oost infrastructurele werken en riolering aanleggen. (...)”; in de Overeenkomst is, onder
“verklaren te zijn overeengekomen als volgt”in art. 1 (
“bouwrijp maken van de grond en aanbrengen infrastructuur”), onder b bepaald:
“Partij 1(de Gemeente; LK)
zal tevens in het openbare gebied van het bedrijventerrein Gelkenes(bedoeld zal hier zijn: Gelkenes-West; LK)
infrastructurele werken en riolering aanleggen. (...)”. Daarmee verkreeg [eiser] een rechtens afdwingbare afspraak op de totstandbrenging van de bedoelde voorzieningen, waartegenover stond dat hij (naar rato) in de kosten daarvan diende bij te dragen. Waar het tot stand brengen van de bedoelde voorzieningen een in de Akte en de Overeenkomst overeengekomen prestatie van de Gemeente was, gaf de Gemeente met de totstandbrenging van die voorzieningen uitvoering aan de Akte en de Overeenkomst, ongeacht of bij de totstandbrenging van die voorzieningen ook derden waren gebaat en ongeacht of die voorzieningen ook tot stand zouden zijn gebracht als de Gemeente en [eiser] daarover niet hadden gecontracteerd. In die zin getuigt het (kennelijke) oordeel van het hof dat de Gemeente de genoemde prestaties (althans mede) op grond van de (nietige) exploitatieovereenkomsten heeft verricht, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Hetgeen het subonderdeel daartegen aanvoert, kan niet tot een andere beoordeling leiden, zodat het subonderdeel moet falen.
Warmond-jurisprudentie. De prestatie waarop de
Warmond-jurisprudentie betrekking had, betrof niet de totstandbrenging van infrastructurele voorzieningen, (mede) ten behoeve van de wederpartij van de betrokken gemeente. Zij betrof de medewerking die de betrokken gemeente bereid was te verlenen aan een herziening van het vigerende bestemmingsplan, waartegenover zij een bijdrage bedong ter vermindering van het exploitatietekort van een complex dat buiten het exploitatiegebied van de exploitatieovereenkomst was gelegen. Naar uit het arrest
Warmond IIvolgt, staat het ontbreken van een wettelijke grondslag voor die bijdrage niet eraan in de weg dat de prestatie van de betrokken gemeente (het bevorderen van een herziening van het bestemmingsplan) in het kader van art. 6:210 lid 2 BW Pro wordt gewaardeerd op de grondslag van hetgeen de gemeente op grond van de exploitatieverordening als tegenprestatie voor haar medewerking had kunnen bedingen. In de onderhavige zaak omvat de prestatie van de Gemeente waarom het in de gedachtegang van het hof gaat, (althans mede) de totstandbrenging van bepaalde infrastructurele voorzieningen. Nu het naar de aard van de tot stand gebrachte voorzieningen (ook) jegens [eiser] is uitgesloten dat deze ongedaan worden gemaakt, is het geheel in lijn met de
Warmond-jurisprudentie om in verband met de gebleken nietigheid van de door het hof bedoelde exploitatieovereenkomsten aan te nemen dat in het kader van art. 6:210 lid 2 BW Pro bij de waardering van de jegens [eiser] verrichte prestatie in aanmerking wordt genomen wat de Gemeente in haar relatie met [eiser] op grond van de Exploitatieverordening als tegenprestatie voor de totstandbrenging van de bedoelde voorzieningen had kunnen bedingen.
andereprestatie waartoe de Gemeente zich heeft verbonden (zoals de verlening van haar medewerking aan de herziening van het bestemmingsplan of een grondruil) en waartegenover de Gemeente (zij het in strijd met de Exploitatieverordening) betaling van een bijdrage in de kosten van die voorzieningen heeft bedongen. Ik wijs in dit verband op het arrest
Warmond II, waarin de Hoge Raad niet bij voorbaat uitsloot dat een door de betrokken gemeente in strijd met de exploitatieverordening als tegenprestatie voor haar medewerking aan de herziening van het bestemmingsplan bedongen bijdrage in een (nota bene: zich buiten het betrokken exploitatiegebied voordoend) exploitatietekort, niettemin op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro zou zijn verschuldigd, voor zover de gemeente met inachtname van de exploitatieverordening op een dergelijke bijdrage aanspraak had kunnen maken. In dat licht is van belang dat uit de eerste volzin van rov. 8.2 van het tussenarrest van 21 augustus 2012 blijkt dat het hof in de onderhavige zaak de van [eiser] bedongen bijdragen
medeheeft beschouwd als tegenprestatie voor de in de Overeenkomst beschreven bestemmingswijziging:
“Uit HR 12-12-2003, LJN:AL8443 volgt, dat de waardering van de door de Gemeente - op basis van de nietige exploitatieovereenkomsten - voor haar prestatie bedongen tegenprestaties, die ingevolge artikel 6:210, lid 2 BW moet worden vergoed, dient te geschieden op grondslag van hetgeen voor de Gemeente wel geoorloofd zou zijn geweest van [eiser] als tegenprestaties te bedingen voorhaar prestatie die erin bestond dat zij medewerking verleende aan de in de Overeenkomst beschreven bestemmingswijziging, alsmede de in de Akte en Overeenkomst genoemde “infrastructurele werken en riolering”(onderstreping toegevoegd; LK).
sowiesozouden worden verricht en ten tijde van de Akte en de Overeenkomst (mogelijk) al voor een deel waren verricht. Dat de bedoelde voorzieningen niet uitsluitend ten behoeve van [eiser] zouden worden gerealiseerd, dat zij mogelijk ook zouden worden gerealiseerd als de Akte en de Overeenkomst niet tot stand zouden zijn gekomen en dat de Gemeente de realisatie van de bedoelde voorzieningen ten tijde van de Akte en de Overeenkomst mogelijk reeds ter hand had genomen, behoefde de Gemeente niet te beletten zich (mede) jegens [eiser] tot realisatie van die voorzieningen te verbinden en daarvoor een (door de Exploitatieverordening toegelaten) bijdrage te vragen.
Warmond-jurisprudentie daarop bij uitstek van toepassing. Dat de arresten
Warmond I en IIbetrekking hadden op een geval waarin was gepoogd de verlangde bijdrage (die overigens géén betrekking had op kosten van werkzaamheden die tot baat van het exploitatiegebied strekten) te verbinden aan een prestatie (de herziening van een bestemmingsplan) die slechts aan één ontwikkelaar ten goede kwam, doet daaraan niet af.
“sowieso”zullen worden gerealiseerd. Dat laatste brengt niet met zich dat, als een gemeente zich jegens een ontwikkelaar tot realisatie van die voorzieningen tegen een bijdrage in de kosten daarvan heeft verbonden, bij gebleken nietigheid van de desbetreffende overeenkomst de
Warmond-jurisprudentie toepassing zou missen, omdat de realisatie van die voorzieningen niet als een prestatie op grond van de (nietig gebleken) overeenkomst zou kunnen gelden.
Jegens haar contractpartnerzou de betrokken gemeente de voorzieningen dan immers hebben gerealiseerd zonder rechtsgrond die zulks rechtvaardigt [17] .
Warmond-jurisprudentie en art. 6:210 lid 2 BW Pro in aanmerking te nemen. Een gemeente kan zich jegens haar contractpartners ongetwijfeld tot de realisatie van bepaalde voorzieningen verbinden en aldus voor beschikbaarheid van die voorzieningen ten behoeve van haar contractpartners instaan, ook als is zij feitelijk reeds met de daarop gerichte werkzaamheden aangevangen. In dit verband kan nog worden vermeld dat volgens (art. 4 lid 1 van Pro) de Exploitatieverordening weliswaar is vereist dat een kostenverhaalsbesluit wordt genomen vóórdat met het treffen van de bedoelde voorzieningen van openbaar nut wordt aangevangen, maar dat daaruit niet blijkt dat ook een eventuele exploitatieovereenkomst reeds tevoren moet zijn gesloten [18] . Volledigheidshalve kan erop worden gewezen dat ook tot invoering van een zogenaamde baatbelasting kon en kan worden besloten (tot twee jaar) nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid [19] .
“met zoveel woorden worden omschreven”, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel heeft het hof daarmee niet gerespondeerd op de essentiële stelling van [eiser] ten aanzien van het onderscheid tussen het verrichten van een prestatie op grond van een overeenkomst enerzijds, en het eerst verrichten van werkzaamheden die later worden genoemd in een overeenkomst anderzijds, en de daarmee gepaard gaande stelling van [eiser] dat de art. 6:210-211 BW alsmede de
Warmond-jurisprudentie slechts op eerstgenoemd geval zien.
“Gelkenes”(bedoeld zal hier zijn het bedrijventerrein Gelkenes-West; LK) infrastructurele werken en riolering
zalaanleggen, en dat is overeengekomen dat [eiser] aan de Gemeente een bijdrage betaalt in de exploitatiekosten voor de realisatie van deze infrastructurele voorzieningen van € 408.600,00 (art. 3 lid 3 van Pro de Akte) respectievelijk een bijdrage vergoedt in de exploitatiekosten voor de realisatie van de infrastructurele werken van € 327.189,75 (art. 1 sub b en Pro art. 2 sub b van Pro de Overeenkomst). Op grond van deze bepalingen heeft het hof zonder nadere motivering mogen aannemen dat (het de bedoeling was dat) de Gemeente jegens [eiser] verplicht werd bedoelde infrastructurele werken en riolering te realiseren, en het haar niet meer vrijstond daarvan zonder meer af te zien. Overigens geeft subonderdeel 1.2 evenmin als subonderdeel 1.1 aan waaruit zou blijken dat hier geen sprake was van (een intentie tot) het in het leven roepen van rechtens bindende verplichtingen, maar slechts van (de Gemeente niet jegens [eiser] bindende) voornemens.
Warmond-jurisprudentie te onderscheiden tussen gevallen waarin de gemeente ten tijde van de betrokken overeenkomst al dan niet reeds is aangevangen met de realisatie van de voorzieningen tot het treffen waarvan zij zich heeft verbonden, is ook subonderdeel 1.2 daarom tevergeefs voorgesteld.
subonderdeel 1.3heeft het hof miskend dat de Akte en de Overeenkomst ten aanzien van de daarin opgenomen exploitatiebedragen op de keper beschouwd niet meer of minder inhouden dan dat [eiser] een vergoeding toezegde voor (i) reeds verrichte werkzaamheden en (ii) voor werkzaamheden die
sowiesoal zouden worden verricht. De Gemeente ziet dus met de nietigheid van de Akte en de Overeenkomst een grondslag wegvallen voor het omslaan van kosten die zij altijd al zou hebben gehad. Er is dus geen sprake van
“prestaties die niet in het geven van een goed hebben bestaan”als bedoeld in art. 6:210 BW Pro. Het hof had dit - met inachtneming van de stellingen van [eiser] - zo nodig ambtshalve onder aanvulling van rechtsgronden op grond van art. 25 Rv Pro behoren te constateren. Bij gebreke van een prestatie wordt aan toepassing van art. 6:210 lid 2 BW Pro niet toegekomen; het hof heeft dit, nog steeds volgens het subonderdeel, miskend.
Warmond-jurisprudentie en art. 6:210 BW Pro toereikende wijze (mede) jegens [eiser] tot de totstandbrenging van die voorzieningen verbond.
subonderdeel 1.4dat het causaal verband tussen het verrichten van de werkzaamheden en de overeenkomst ontbreekt. [eiser] heeft immers aangevoerd dat de Gemeente een deel van de prestatie al had verricht en een ander deel van de prestatie ook zou hebben verricht als [eiser] niet “in beeld” was. Volgens het subonderdeel heeft het hof daarom ten onrechte dat causaal verband aangenomen, althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, nu het omtrent het door [eiser] gestelde ontbreken van causaal verband niets heeft vastgesteld en dus geen inzicht in zijn gedachtegang te dien aanzien heeft geboden.
“een prestatie die op grond van een nietige overeenkomst is verricht”, impliceert niet dat causaal verband dient te bestaan tussen de (nietige) overeenkomst en de uitvoering van de werkzaamheden waartoe de presterende partij zich jegens haar contractpartner had verbonden. Men kan zich jegens zijn wederpartij zeer wel ook verbinden tot het uitvoeren van werkzaamheden die men zich hoe dan ook had voorgenomen te zullen verrichten. Uitvoering van die werkzaamheden impliceert vervolgens in de verhouding tot de contractpartner (die bij het resultaat van die werkzaamheden is gebaat) dat men jegens die contractpartner de overeengekomen prestatie verricht en dat, zo de betrokken overeenkomst nietig blijkt te zijn, die prestatie jegens de contractpartner zonder rechtsgrond is verricht.
“de vraag op welk bedrag de exploitatiebijdragen van [eiser] op grond van (artikel 8 van Pro) de Exploitatieverordening, zouden moeten worden gesteld”(arrest van 21 augustus 2012, rov. 9.1; zie ook arrest van 22 januari 2013, rov. 2 en 7). Van die maatstaf wordt ook in het eindarrest van 2 december 2014, meer in het bijzonder in de rov. 9-22, uitgegaan. Het subonderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een fictieve berekening van de exploitatiebijdrage die maximaal had kunnen worden doorberekend, zonder acht te slaan op de vraag of de in die berekening meegenomen prestaties wel daadwerkelijk zijn verricht. Daarmee gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het een onjuiste maatstaf aangelegd, nu de maatstaf op grond van het arrest HR 5 december 2014 (
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierden), ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159 m.nt. S.D. Lindenbergh [20] , behoort te zijn
welke voorzieningen van openbaar nut specifiek voor de desbetreffende percelen daadwerkelijk zijn getroffen en welke kosten daar voor de Gemeente aan waren verbonden. Daarbij had het hof voorts (ambtshalve, op grond van art. 25 Rv Pro) een onderscheid dienen te maken tussen hetgeen toelaatbaar zou zijn geweest op basis van de Exploitatieverordening, enerzijds, en de waarde die daaraan in het economisch verkeer wordt toegekend (
“de marktwaarde”), anderzijds. Ten onrechte heeft het hof niet (eventueel ambtshalve ex art. 25 Rv Pro) de Gemeente opgedragen aanknopingspunten te verschaffen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of zij aldus een bedrag vordert dat niet hoger is dan het bedrag van de marktwaarde die de prestaties voor de betrokken percelen van [eiser] zouden hebben; ten onrechte heeft het hof niet (eventueel ambtshalve ex art. 25 Rv Pro) de Gemeente opgedragen aannemelijk te maken wat de marktwaarde van de door haar verrichte prestaties is.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierden), ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159 m.nt. S.D. Lindenbergh). Het subonderdeel betoogt dat het hof met zijn oordeel in de rov. 9-22 in het eindarrest van 2 december 2014 voorts heeft miskend dat in een geval als het onderhavige, waarin de Gemeente de gemiddelde kosten per vierkante meter van de door haar verrichte prestatie heeft berekend met betrekking tot een gebied waarvan het perceel deel uitmaakt, onvoldoende is dat de Gemeente gegevens in het geding brengt waaruit de kosten met betrekking tot dat hele gebied blijken. [eiser] heeft onder meer bij memorie van grieven onder II.46 (jo III.24) aangevoerd dat de door de Gemeente overgelegde berekening niet inzichtelijk en gespecificeerd is, noch is voorzien van toelichtende stukken. Uit de berekeningen van de Gemeente en de deskundige valt niet af te leiden welke prestaties, meer in het bijzonder: welke voorzieningen van openbaar nut, specifiek met betrekking tot de percelen van [eiser] , zijn getroffen en welke kosten daaraan voor de Gemeente waren verbonden (vergelijk genoemd arrest, rov. 3.6.3 en 3.7). Door de grieven 4 en 11 te verwerpen en daarmee te oordelen dat de Gemeente aannemelijk zou hebben gemaakt op welke tegenprestatie zij aanspraak kan maken, heeft het hof volgens het subonderdeel dan ook
hetzijblijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting,
hetzijzijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het niet zonder te onderzoeken
welke voorzieningen specifiek met betrekking tot de percelen van [eiser] zijn getroffen en welke kosten daaraan voor de Gemeente waren verbonden, heeft kunnen oordelen dat de maximaal op grond van de Exploitatieverordening toe te kennen exploitatiebijdrage daadwerkelijk aan de Gemeente kon worden toegekend. Indien en voor zover het hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de vergoeding van art. 6:210 lid 2 BW Pro tevens zou moeten worden betaald ten aanzien van niet daadwerkelijk verrichte prestaties, is zijn oordeel (ook om die reden) rechtens onjuist. De vergoeding ex art. 6:210 lid 2 BW Pro kan, nog steeds volgens het subonderdeel, slechts verschuldigd zijn voor prestaties die daadwerkelijk zijn verricht, ergo: voor hetgeen daadwerkelijk, feitelijk onverschuldigd is betaald. Het hof gaat dan dus uit van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 2.3voorts miskend dat het aan de Gemeente is - en niet aan [eiser] - om in het kader van een vordering op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro de waarde van de prestatie aannemelijk te maken en haar vordering zodanig toe te lichten en te onderbouwen dat het voor [eiser] redelijkerwijs mogelijk is daartegen verweer te voeren. Het bestreden oordeel is volgens het subonderdeel voorts onbegrijpelijk nu [eiser] in zijn antwoordakte onder 11 wel degelijk heeft aangegeven welke werkzaamheden de deskundige ten onrechte heeft meegenomen in zijn berekening, namelijk de werkzaamheden die zijn opgenomen in productie 38 en 39, waarvan het hof bij zijn tussenarrest van 21 augustus 2012 in de rov. 5.4 en 5.5 heeft vastgesteld dat die op de percelen van [eiser] niet behoefden te worden uitgevoerd (en niet zijn uitgevoerd) en op basis waarvan het hof heeft geoordeeld dat de grieven 1 en 6 falen, doch die de deskundige volledig heeft meegenomen in zijn berekening, uitgaande van de fictie dat alle grond (dus ook de percelen van [eiser] ) in eigendom was van de Gemeente.
hetzijvan een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven,
hetzijzijn oordeel onvoldoende gemotiveerd nu niet blijkt dat het heeft onderzocht wat de marktwaarde is van de door de Gemeente geleverde prestatie en welke van de bijdragen - te weten die op grond van de Exploitatieverordening
ofdie op grond van de marktwaarde - de laagste is.
gespecificeerd aangeeft welke prestaties zij heeft verricht in het kader van de exploitatieovereenkomst en welk bedrag hiervoor, gelet op de bepalingen van de Exploitatieverordening, van [eiser] gevorderd had kunnen worden. (…)” (cursivering toegevoegd; LK).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Gemeente Liesveld door overlegging van de producties 38 en 39 voldoende inzicht gegeven in en onderbouwd welke werkzaamheden ten behoeve van de bedoelde percelen zijn verricht en tegen welke kosten dat is gebeurd.Uit de door Gemeente Liesveld overgelegde overzichten valt af te leiden op basis van welk artikel uit de Exploitatieverordening de betreffende kosten voor vergoeding in aanmerking komen. [eiser] heeft hier niet inhoudelijk op gereageerd. De stukken zijn, mede gezien de toelichting die Gemeente Liesveld daarbij geeft, voldoende helder. Van [eiser] had dan ook een meer gespecificeerde, concrete reactie verwacht mogen worden op deze stukken. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door Gemeente Liesveld overgelegde overzichten.
Daarmee staat in rechte vast dat de in die overzichten genoemde werkzaamheden zijn verricht tegen de kosten als weergegeven door Gemeente Liesveld.Gesteld noch gebleken is dat de kosten op onjuiste wijze zijn omgeslagen over de betrokken percelen. Gemeente Liesveld heeft bovendien onderbouwd gesteld dat met toepassing van artikel 6 van Pro de Exploitatieverordening een hogere vergoeding van [eiser] had kunnen worden bedongen dan met [eiser] is overeengekomen. [eiser] heeft dit niet gemotiveerd betwist.
De conclusie van de rechtbank luidt dan ook dat de waarde van de door Gemeente Liesveld verrichte prestaties terzake de infrastructurele voorzieningen en rioleringgelijk is aan de door Gemeente Liesveld gevorderde bedragen. Vast staat voorts, gelet op het voorgaande, dat de hoogte van deze waarde niet uitgaat boven hetgeen Gemeente Liesveld op grond van de Exploitatieverordening kon vragen voor de prestaties. De vordering van Gemeente Liesveld tot betaling van € 408.600,- en € 327.189,75 ligt dan ook voor toewijzing gereed” (cursiveringen toegevoegd; LK).
Hoogte van het bedrag dat de Gemeente op grond van artikel 6:210, lid 2 BW mag verhalen.
kostenzij op basis van de Exploitatieverordening kan verhalen (wat iets anders is dan dat de Gemeente inzichtelijk zou moeten maken welke
werkzaamhedenzij daadwerkelijk heeft verricht). Kennelijk heeft het hof in de grieven niet gelezen dat [eiser] mede zou hebben betoogd dat de Gemeente de in de producties 38 en 39 beschreven werkzaamheden überhaupt niet (alle) heeft verricht en/of dat de rechtbank anderszins werkzaamheden in aanmerking heeft genomen die de Gemeente niet heeft uitgevoerd.
daadwerkelijk gemaakte kosten, die vanzelfsprekend de omvang van de (vermeende) onverschuldigde betaling invullen” (cursivering toegevoegd: LK).
op grond van de Akte en Overeenkomstwaren verricht en zijn beschouwingen dienaangaande vooral in de sleutel stonden van de vraag of er werkzaamheden waren die de Gemeente niet heeft verricht omdat was afgesproken dat zij door [eiser] zelf zouden worden verricht en derhalve voor rekening en risico van [eiser] zouden komen in de zin van art. 8 lid 3 onder Pro b2 van de Exploitatieverordening [22] , heeft ook het hof de door [eiser] in zijn antwoordmemorie na deskundigenbericht opgeworpen vragen - kennelijk en niet onbegrijpelijk - in dat kader geplaatst en behandeld [23] . Zie de rov. 15-17 en 22 van het eindarrest van 2 december 2014 (waarin de onderstrepingen door mij zijn toegevoegd; LK):
(On)volledige toepassing van de Exploitatieverordening
wordt verminderd met het in de kostenbegroting opgenomen bedrag aan kosten zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid sub 1 onder b. tot en met f., voorzover de uitvoering van de daarmee verband houdende werken en werkzaamheden voor risico en rekening komen van de exploitant”.
De deskundige had dus moeten onderzoeken welke werkzaamheden door de Gemeente daadwerkelijk in het plangebied zijn verricht en welke niet, omdat deze door [eiser] zelf zouden worden verricht.Uit de Akte en de Overeenkomst blijkt dat een groot deel van de in de Exploitatieverordening omschreven werkzaamheden op het perceel van [eiser] niet door de Gemeente zou worden verricht, maar dat deze voor risico van [eiser] zelf zouden blijven. [eiser] wijst erop dat Overwater in haar rapport onderscheid maakt tussen twee kostensoorten: enerzijds kosten voor werkzaamheden die uitsluitend op het perceel van [eiser] worden verricht en die uitsluitend dat perceel baten en anderzijds kosten voor werkzaamheden die betrekking hebben op voorzieningen in het openbaar gebied die meerdere gebruikers baten en de daarop aansluitende voorzieningen op de individuele percelen [24] . De invloed van het aldus niet volledig beantwoorden van de vragen van het hof door de deskundige op het uiteindelijke resultaat is, blijkens het rapport van Overwater, zéér groot, aldus nog steeds [eiser] .
Er is volgens de Gemeente geen sprake van dat [eiser] op zijn kavels voor zijn rekening openbare voorzieningen zou moeten aanleggen.Waar in de door de Gemeente geraamde kosten ook de kosten voor het dempen van sloten op de kavel van [eiser] waren opgenomen, is dit door de deskundige gecorrigeerd. Voor het overige bevat de kostenbegroting geen vergoeding voor werkzaamheden op de aan [eiser] toebehorende kavels. Het rapport van Overwater is dus gebaseerd op onjuiste uitgangspunten, interpretaties en aannames, aldus de Gemeente.
maar heeft niet nader onderbouwd welke werkzaamheden op het perceel van [eiser] ten onrechte door de deskundige in zijn kostenraming zijn meegenomen, terwijl deze door [eiser] zelf zijn of moesten worden verricht.
Aangezien onder de gegeven omstandigheden een nadere onderbouwing als hiervoor bedoeld wel van [eiser] had mogen worden verwacht, betekent dit dat het hof het ervoor moet houden dat van degelijke werkzaamheden geen sprake was, zodat ook niet kan worden geoordeeld dat de deskundige met deze werkzaamheden ten onrechte geen rekening heeft gehouden.
De deskundige heeft dus op goede gronden alleen de werkzaamheden van de Gemeente in de kostenraming betrokken die buiten de gronden van [eiser] zijn uitgevoerd en waarvan die gronden baar (lees: baat; LK) hebben ondervonden. Dit betekent tevens dat niet geoordeeld kan worden dat de prestatie niet daadwerkelijk is geleverd, zodat de “vooropstelling” van [eiser] , dat van onverschuldigde betaling geen sprake is omdat niet onverschuldigd is betaald, feitelijke grond mist.
“(d)e deskundige (…) dus op goede gronden alleen de werkzaamheden van de Gemeente in de kostenraming (heeft) betrokken die buiten de gronden van [eiser] zijn uitgevoerd en waarvan die gronden baat hebben ondervonden”, alsmede
“dat niet geoordeeld kan worden dat de prestatie niet daadwerkelijk is geleverd”. Aan dit een en ander doet niet af de door subonderdeel 2.3 aangedragen vindplaats (antwoordakte onder 11), waar [eiser] werkzaamheden heeft genoemd, opgenomen in productie 38 en 39, waarvan het hof in de rov. 5.4 en 5.5 van het tussenarrest van 21 augustus 2012 heeft vastgesteld dat die op de percelen van [eiser] niet behoefden te worden (en niet zijn) uitgevoerd en op basis waarvan het hof heeft geoordeeld dat de grieven 1 en 6 falen. De rov. 5.4 en 5.5 van het tussenarrest van 21 augustus 2012 hebben immers uitsluitend betrekking op de vraag welke werkzaamheden op grond van de Akte en Overeenkomst onder de noemer
“bouwrijp maken”van de percelen van [eiser] moeten worden begrepen (en zijn uitgevoerd) en zeggen niets over de vraag welke werkzaamheden deel uitmaken van de door de Gemeente verrichte prestatie, bestaande uit de aanleg van
“infrastructurele werken en riolering”in het openbare gebied.
in fine, tot uitgangspunt wordt genomen. Ook subonderdeel 2.3 kan op grond van het bovenstaande niet slagen. In zoverre falen derhalve de klachten van de subonderdelen 2.1-2.3.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierden), ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159 m.nt. S.D. Lindenbergh [25] , welk arrest enkele dagen na het in de onderhavige zaak bestreden eindarrest werd gewezen. In het arrest
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenheeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierden, dat enkele dagen na het bestreden arrest werd gewezen. Zo is het hof niet expliciet ingegaan op de vraag of de Gemeente naar behoren heeft voldaan aan de in rov. 3.6.3 van het arrest
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenbedoelde plicht te stellen en met bescheiden te onderbouwen welke voorzieningen van openbaar nut specifiek met betrekking tot het desbetreffende perceel zijn getroffen en welke kosten daaraan voor haar waren verbonden, en, in de woorden van het arrest, aanknopingspunten te verschaffen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of zij aldus een bedrag vordert dat niet hoger is dan het bedrag van de marktwaarde die de prestatie voor het betrokken perceel heeft.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenzijn gebaseerd (en met name het criterium dat het door de Gemeente gevorderde bedrag de marktwaarde van haar prestatie voor het betrokken perceel niet mag overtreffen), een ongeoorloofd novum in cassatie bevatten. Ik kan dat standpunt niet volgen. Weliswaar heeft [eiser] niet (althans niet met zoveel woorden) gesteld dat het door de Gemeente gevorderde bedrag de marktwaarde van haar prestatie overtreft, maar [eiser] is blijkens de weergave van zijn grieven in rov. 8.1 van het tussenarrest van 21 augustus 2012 wél met grief 4 en 11 opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente kosten mag verhalen tot het bedrag dat zij zou hebben kunnen verhalen als de Exploitatieverordening juist zou zijn toegepast (vergelijk memorie van grieven onder II.41). Voorts heeft hij in hoger beroep geklaagd dat een evenredige toerekening van de kosten over alle percelen in het plangebied in dit geval onvoldoende uitdrukking geeft aan de mate waarin de diverse percelen door de werkzaamheden zijn gebaat (vergelijk memorie van grieven onder II.46, in het bijzonder sub iii slot en iv, en III.23) en onvoldoende is voor de concrete vaststelling van wat de aan de op basis van de Akte en Overeenkomst door de Gemeente verrichte prestatie toe te kennen waarde is, waarvoor zij jegens [eiser] op grond van onverschuldigde betaling een vorderingsrecht zou kunnen hebben (vergelijk memorie van grieven onder II.47). Bij dit alles komt dat hetgeen [eiser] in de feitelijke instanties heeft gesteld, in dit verband minder relevant is, nu het arrest
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdende stelplicht met betrekking tot de vraag of aan de in dat arrest ontwikkelde criteria is voldaan bij de Gemeente legt en de subonderdelen in wezen klagen dat het hof heeft miskend dat de Gemeente niet naar behoren aan die stelplicht heeft voldaan.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdendat
“in de regel onvoldoende”is dat een gemeente de gemiddelde kosten per vierkante meter van de door haar verrichte prestatie heeft berekend met betrekking tot een gebied waarvan het perceel deel uitmaakt.
“voorzieningen van openbaar nut specifiek met betrekking tot het desbetreffende perceel zijn getroffen”een
contradictio in terminis. Voorzieningen van openbaar nut als die waarvan in het onderhavige geval sprake is, plegen niet specifiek met betrekking tot één perceel te worden getroffen. Doorgaans zijn bij dergelijke voorzieningen méér percelen gebaat. Aangenomen dat de Hoge Raad niet heeft bedoeld dat in dat laatste geval vergoeding van de waarde van de prestatie van de betrokken gemeente op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro zou zijn uitgesloten [26] , kan naar mijn mening niet méér worden verlangd dan dat de betrokken gemeente stelt en aannemelijk maakt dat óók het betrokken perceel bij de bedoelde prestatie is gebaat.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenis, in het geval dat een gemeente de gemiddelde kosten per vierkante meter van de door haar verrichte prestatie heeft berekend met betrekking tot een gebied waarvan het perceel deel uitmaakt, voor de van die gemeente verlangde onderbouwing welke voorzieningen van openbaar nut specifiek met betrekking tot het desbetreffende perceel zijn getroffen en welke kosten daaraan voor haar waren verbonden, in de regel onvoldoende dat de gemeente gegevens in het geding brengt waaruit die kosten met betrekking tot dat gehele gebied blijken. Dat is in zoverre juist dat de kosten die met betrekking tot het gehele gebied zijn gemaakt, nog niets zeggen over de vraag of het desbetreffende perceel bij de getroffen voorzieningen is gebaat, welke andere percelen binnen dat gebied eveneens bij die voorzieningen zijn gebaat en of het door de gemeente voor het desbetreffende perceel gevorderde bedrag het deel van de totale kosten dat aan het desbetreffende perceel kan worden toegerekend, al dan niet overtreft. In een dergelijk geval zal de gemeente naast de kosten met betrekking tot het gehele gebied óók inzichtelijk moeten maken welke percelen bij de betrokken voorzieningen zijn gebaat en hoe de kosten (naar rato van de baat) aan die percelen zijn toegerekend.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenvoor de stelplicht van de betrokken gemeente gelden, heeft geformuleerd, juist
“met het oog op de vraag in hoeverre de exploitatieverordening een grondslag biedt voor het bedingen van een tegenprestatie voor de door haar verrichte prestatie”; tegen die achtergrond kan onmogelijk worden aangenomen dat de Hoge Raad in rov. 3.6.3 zou hebben bedoeld de gemiddelde kosten van de getroffen voorzieningen per vierkante meter als rekeneenheid uit te sluiten, óók als de exploitatieverordening die rekeneenheid nu juist voorschrijft [27] .
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenniet miskend. Het hof heeft op basis van het deskundigenrapport geoordeeld dat de deskundige in zijn kostenraming (welke kostenraming het hof heeft gevolgd)
“alleen de werkzaamheden van de Gemeente (…) heeft betrokken die buiten de gronden van [eiser] zijn uitgevoerd enwaarvan die gronden baat hebben ondervonden(onderstreping toegevoegd; LK)
”(zie rov. 17 van het eindarrest van 2 december 2014). Voorts heeft het hof zich onmiskenbaar gebaseerd, niet alleen op de door de deskundige beoordeelde totale kosten voor het hele gebied, maar ook op de door de deskundige vastgestelde totale oppervlakte van de gebate percelen en de door hem becijferde rekeneenheid, een en ander geheel volgens de Exploitatieverordening, alsmede op de berekening door de deskundige van het aan [eiser] toe te rekenen deel van de kosten en daarmee van de van [eiser] op grond van de Exploitatieverordening te bedingen vergoeding (vergelijk in dit verband ook de rov. 20 en 21 van het arrest van 2 december 2014, waarin het hof nog een variant op de kostenbegroting heeft “doorgerekend”).
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenin een situatie als de onderhavige het op grond van art. 6:210 lid 2 BW Pro te vergoeden bedrag niet alleen wordt gemaximeerd door hetgeen de betrokken gemeente op grond van de exploitatieverordening voor haar prestatie kon bedingen, maar ook door het bedrag van de marktwaarde van haar prestatie ten tijde van de ontvangst daarvan. In dat verband dient de gemeente (volgens rov. 3.6.3) aanknopingspunten te verschaffen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of zij een bedrag vordert dat niet hoger is dan het bedrag van de marktwaarde die de prestatie voor het betrokken perceel heeft.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenaan de door de Gemeente op basis van art. 6:210 lid 2 BW Pro te vorderen vergoeding stelt. Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat die vergoeding slechts wordt begrensd door hetgeen de Gemeente op grond van de Exploitatieverordening van [eiser] had kunnen bedingen; zie bijvoorbeeld rov. 3, slotzin, van het arrest van 2 december 2014:
“Voorts heeft het hof overwogen dat dit(de toepasselijkheid van art. 6:210 lid 2 BW Pro; LK)
betekent dat de Gemeente kosten mag verhalen tot het bedrag dat zij zou hebben kunnen verhalen als de exploitatieverordening juist zou zijn toegepast.”In beginsel zou het voorgaande moeten leiden tot vernietiging van (in elk geval) het eindarrest en tot verwijzing, waarna partijen, ofschoon het arrest
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenals verduidelijking van de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad is gepresenteerd, mijns inziens in de gelegenheid zouden moeten worden gesteld hun stellingen en weren naar aanleiding van dat arrest aan te passen en aan te vullen, in het bijzonder met betrekking tot de “marktwaarde” van de prestatie van de Gemeente.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenwerd gewezen, werd in de literatuur verdedigd dat de marktwaarde van de prestatie van de betrokken gemeente als begrenzing zou kunnen dienen van hetgeen een gemeente in geval van nietigheid van een exploitatieovereenkomst uit hoofde van onverschuldigde betaling van de projectontwikkelaar zou kunnen vorderen. Zo schreven Van Hee en Kortmann [28] :
“(…) Nu tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] en de Gemeente (…) uitgebreid (…) hebben onderhandeld over de samenstelling en de hoogte van de exploitatiebijdrage (…).”), waarbij (iii) - naar de Gemeente heeft gesteld - bovendien eerder in vergelijkbare situaties overeengekomen bijdragen in aanmerking zijn genomen (zie het deskundigenrapport, p. 13:
“Omdat voor [B] in 1998 de exploitatiebijdrage in een vergelijkbare situatie in dezelfde grondexploitatie bepaald was op € 40,16 (fl. 88,50) en de bijdrage voor Gelkenes-Oost bepaald was op € 36,50 is in onderhandeling met [eiser] een bijdrage overeengekomen van € 38,50 excl. BTW voor 9.463,50 m2.”), hetgeen eveneens een aanwijzing voor de “marktconformiteit” van de
de factoovereengekomen bedragen vormt.
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenwel is aangenomen dat de eis van een vergoeding die de marktwaarde van de prestatie van de betrokken gemeente niet te boven gaat, impliceert dat zou moeten worden vastgesteld met welk bedrag de waarde van de betrokken bouwgrond is gestegen. Zo stelt Kortmann in zijn TBR-noot de dubbele toets van het arrest
Michielse /Gemeente Reusel-De Mierdenaldus voor dat het gaat om de vraag
“of kostenverhaal op basis van dit omslagsysteem(te weten dat van de exploitatieverordening; LK)
leidt tot een hoger of lager bedrag dan het (markt)waardeverhogende effect van de getroffen voorzieningen op het specifieke perceel van de eigenaar met wie een nietige exploitatieovereenkomst is gesloten”. Volgens Kortmann kan
“(h)et waardeverhogende effect van de getroffen voorzieningen (…) slechts door taxatie worden bepaald, en die taxatie zal in veel gevallen duivels moeilijk zijn” [29] .
voorzieningen(de prestatie van de gemeente) zonder meer met een eventuele waardestijging van de
bouwgronddie (mede) bij het treffen van die voorzieningen is gebaat, gelijk te stellen. Dat laatste lijkt ook niet de benadering te zijn van Lindenbergh, die in zijn NJ-noot [30] onder 3 opmerkt:
de factoals vergoeding voor die prestaties waren overeengekomen, missen de op de vaststelling van die marktwaarde gerichte klachten mijns inziens belang. Is het voorgaande anders, dan zal (in elk geval) het bestreden eindarrest moeten worden vernietigd, opdat de bedoelde marktwaarde na verwijzing alsnog zal worden bepaald.