Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder feit 1 (impliciet cumulatief) ten laste gelegde, voor zover dat inhoudt dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan het opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
,dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
Gegrondverklaring van de verweren met betrekking tot ‘de voordeur’
AHOJG-criteria
verkoopvan softdrugs in coffeeshops onder strikte voorwaarden wordt gedoogd. Eén van de voorwaarden die ook ten aanzien van Checkpoint gold, was dat de handelshoeveelheid softdrugs ten hoogste 500 gram mocht bedragen. Aldus biedt de Aanwijzing geen grondslag voor een splitsing tussen voorwaarden die zien op de ‘voordeur’ en voorwaarden die betrekking hebben op de ‘achterdeur’. Het overtreden van de voorwaarde die ziet op het aanhouden van een maximale handelsvoorraad raakt het gedogen als zodanig, dus (ook) de verkoop van softdrugs.
tweede middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 9, omdat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (de voortzetting van) de vervolging voor het deel uitmaken van een criminele organisatie in het onderhavige geval enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.