Conclusie
Feit 1 (zaak Asperge)
Feit 2 (zaak Latas)
eerste middelklaagt over de berechting van de verdachte buiten zijn aanwezigheid. Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht luidt dat het hof niet heeft gereageerd op ‘het uitdrukkelijk onderbouwde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het recht tot strafvervolging wegens schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte’. De tweede klacht houdt in dat het hof ‘ten onrechte althans ontoereikend heeft gemotiveerd dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot de beslissing om niet de (al dan niet tijdelijke) uit- of overlevering van Peru naar Nederland te verzoeken heeft kunnen komen’.
“5.3. Overige verzoeken
gerechtvaardigdvertrouwen in een goede afloop is bij de verdediging op geen enkel moment sprake geweest. Onder deze omstandigheden en gezien de motivering van de beslissing van het Openbaar Ministerie in de brief van 24 maart 2014 om geen verzoek tot uitlevering te doen uitgaan, is geen sprake van een schending van eerder gewekt gerechtvaardigd vertrouwen bij [verdachte] door het Openbaar Ministerie. Het verweer kan dan ook niet leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.”
tweede middelkeert zich met motiveringsklachten tegen (i) de bewezenverklaringen van het (meermalen) medeplegen van het opzettelijk binnen het Nederlands grondgebied brengen van ongeveer 1650 kilogram cocaïne (feit 1; zaak Asperge) respectievelijk, door middel van schakelbewijs, van eerdere transporten (feit 2; zaak Latas) en tegen (ii) ’s hofs verwerpingen van zijdens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in dat verband. Ook wordt geklaagd dat het hof de verdachte niet heeft gehoord over de gang van zaken zoals deze feitelijk en in werkelijkheid heeft plaatsgevonden (het alternatieve scenario).
“6.4 Opzet
“6.5 Invoer van blikken (zaak Latas)
derde middelklaagt over ’s hofs afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging om [betrokkene 26] als getuige te (doen) horen.
NJ2014/441 m.nt. Borgers en het gegeven dat de verdediging omtrent de getuige [betrokkene 26] geen concrete persoons- en adresgegevens heeft kunnen produceren, meen ik dat de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om [betrokkene 26] als getuige te (doen) horen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.
vierde middelkomt op tegen de verwerping van het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid in de vervolging van het openbaar ministerie in verband met schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel en/of beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het ‘ne bis in vexari’-beginsel, doordat het openbaar ministerie willens en wetens een vervolging in Peru heeft doen entameren, dan wel een afspraak heeft gemaakt met de Peruaanse autoriteiten over de vervolging van de verdachte ter zake van dezelfde feiten waarvoor de verdachte in Nederland wordt vervolgd, althans ter zake van feiten die met die feiten onlosmakelijk zijn verbonden of daaruit voortkomen.
“6.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
NJ2011/394 m.nt. Buruma: ‘De tenlastelegging is toegesneden op art. 10a Opiumwet en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging op art. 420bis Sr. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen is dermate groot dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde" feit in de zin van art. 68 Sr Pro.’ De stelling in de toelichting op het middel dat de onderhavige zaak noopt tot een ruimere uitleg van het ne bis in idem-beginsel dan in de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad gebruikelijk is, maakt dit niet anders. Voorts vermag ik niet in te zien dat en waarom in het onderhavige verband sprake zou zijn van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde. Daarbij merk ik nog een keer op dat de verdachte geheel uit vrije wil en beweging naar Peru is teruggegaan; het openbaar ministerie staat daar volledig buiten. Dat Peru de verdachte heeft aangehouden en tot vervolging wegens witwassen is overgegaan, raakt de ontvankelijkheid van het Nederlandse openbaar ministerie met betrekking tot de in de onderhavige zaak tenlastegelegde feiten niet.
vijfde middelkeert zich tegen ’s hofs afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging om de officier van justitie mr. Mol als getuige te horen.
NJ2014/441 m.nt. Borgers en in het licht van hetgeen de verdediging te dezen heeft aangevoerd, dat de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om mr. Mol als getuige te horen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.