Conclusie
Aluminium explosion, Home made explosives, flash powder kopen, flash powder formulas, black powder, action man/detonator.De verdachte wist dat een detonator een knopje was waarmee je een bom kon laten ontploffen. Hij heeft op YouTube gezien wat je met flash powder kon doen en is hierdoor verder gaan zoeken. Ook heeft hij gezocht of dit te koop was en, toen dit niet het geval bleek, is hij gaan zoeken hoe je dit poeder kon maken.
hoe maak je flash powder. Op 6 februari 2012 zocht de verdachte naar
Aluminiumpoedersop de website www.artsuppliesonweb.com. Op 8 februari 2012 heeft de verdachte de zoektermen
zelfgemaakte explosieven,
sodium nitrateen
kaliumnitraatingevoerd op de websites www.wikipedia.nl, www.naturalspices.eu en
aluminiumpowder, aluminium powder indian, sulphur, potassium nitrate (kno3) , magnesium en ferrocerium.Op deze pagina's wordt uiteengezet hoe explosieven kunnen worden vervaardigd van aluminiumpoeder door middel van instructievideo's, gedetailleerde handleidingen, FAQ's, tekst en uitleg over veelgebruikte explosieven, aanbevolen materialen en chemicaliën. Ook wordt ingegaan op risico's, veiligheidsvoorschriften en mogelijke juridische gevolgen.
(…)”.
eerste middelricht zich tegen het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde handelingen kunnen worden aangemerkt als “zich middelen verschaffen” en “verwerven van kennis en vaardigheden” in de zin van art. 134a Sr.
“Sinds 11 september 2001 is in hoog tempo gewerkt aan wetgeving die beter is toegesneden op de bestrijding van terroristische aanslagen. Kern van het strafrechtelijk instrumentarium is een adequate strafbaarstelling van terroristische aanslagen. Het Wetboek van Strafrecht voorzag op dat punt reeds in een groot aantal strafbaarstellingen. De Wet terroristische misdrijven, op 10 augustus 2004 in werking getreden, heeft tal van strafbepalingen, op de voet van het EU-kaderbesluit inzake terrorismebestrijding, verder aangescherpt.
Het strafrecht heeft een functie bij het reageren op gepleegd onrecht, maar ook bij het voorkomen daarvan. Het materiële strafrecht kent delictsomschrijvingen die op het voorkomen van strafbare feiten toegesneden zijn. Van belang zijn vooral de strafbaarstellingen van poging, voorbereiding, samenspanning en deelneming aan een criminele organisatie. Bij terroristische misdrijven zijn deze bepalingen van groot belang, nu het voorkomen van terroristische aanslagen centraal staat.
Op het gebied van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen zijn met het oog op een adequate terrorismebestrijding reeds de nodige verruimingen gerealiseerd. Zo heeft de eerdergenoemde Wet terroristische misdrijven de samenspanning tot het plegen van de ernstigste terroristische misdrijven in het Wetboek van Strafrecht geïntroduceerd. Eerder al werd in het kader van de goedkeuring en uitvoering van het op 9 december 1999 te New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (
Trb. 2000, 12) het bereik van artikel 46 Sr Pro uitgebreid. Verder bracht ook de Wet van 20 november 2006 ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (
Stb. 2006, 580) een wijziging in artikel 46 Sr Pro aan.
De strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen is ook op een ander punt nog voor verbetering vatbaar. Dat betreft de strafbaarheid van het deelnemen en meewerken aan kort gezegd training voor terrorisme. De strafbaarstelling van het
deelnemenaan een terroristisch trainingskamp vormde onderwerp van een motie, ingediend tijdens het debat over terrorismebestrijding op 9 februari 2005 (Kamerstukken II 2004/05, 29 754, nr. 13). Toegezegd is dat aan deze motie gevolg zou worden gegeven (Kamerstukken II 2005/06, 29 754, nr. 60). Met het onderhavige voorstel wordt die toezegging gestand gedaan.
De voorgestelde aanvulling, die verband houdt met de strafbaarheid van het
meewerkenaan training voor terrorisme, heeft een internationale achtergrond. Zij hangt samen met artikel 7 van Pro het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (
Trb. 2006, 34)dat de verdragspartijen verplicht «training voor terrorisme» in hun nationale wetgeving strafbaar te stellen.
Teneinde te voorzien in strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens het deelnemen én het meewerken aan training voor terrorisme in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen stel ik voor een nieuw artikel 134a in het Wetboek van Strafrecht op te nemen. Daarin wordt strafbaar gesteld het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerven of een ander bijbrengen. Het voorgestelde artikel 134a Sr verwijst naar de terroristische misdrijven zoals genoemd in artikel 83 Sr Pro én de misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf zoals genoemd in een nieuw voorgestelde definitiebepaling, artikel 83b Sr. In het navolgende licht ik dit voorstel nader toe.
Strafbaarheid van het deelnemen aan training voor terrorismeStrafbaarheid van het deelnemen aan training voor terrorisme, zoals het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp, zal dikwijls kunnen worden aangenomen op grond van de strafbaarstellingen van deelneming aan een terroristische organisatie, samenspanning en/of strafbare voorbereiding. Maakt betrokkene deel uit van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en laat hij zich in dat kader bekwamen in bepaalde vaardigheden of technieken, dan kan dergelijk gedrag strafbaar zijn op grond van het huidige artikel 140a Sr. Het volgen van een opleiding tot het plegen van een terroristische daad levert onder omstandigheden ook samenspanning tot het plegen van een bepaald terroristisch misdrijf op. Bepaalde personen worden bijvoorbeeld «opgeleid» tot het plegen van een terroristische daad waaraan een plan ten grondslag ligt. Het deelnemen aan een training illustreert in die gevallen de vastheid van het voornemen om de overeenkomst tot het plegen van een terroristisch misdrijf ten uitvoer te brengen. Tenslotte zullen veelal informatiedragers of voorwerpen (bijvoorbeeld houdende instructies) bij het volgen van een training worden verworven of voorhanden zijn. In dat geval kan sprake zijn van strafbare voorbereiding ingevolge artikel 46 Sr Pro.
Het is echter denkbaar dat iemand in het kader van een door hem zelf voorgenomen terroristische aanslag naar een terroristische training gaat. De vraag is of de bestaande strafbaarstellingen in een dergelijk geval toereikend zijn, althans ter zake voldoende duidelijkheid scheppen. Van een georganiseerd verband is dan geen sprake, van samenspanning evenmin en als betrokkene geen voorwerpen «bestemd tot het begaan» van de aanslag meeneemt van het trainingskamp lijkt ook strafbare voorbereiding niet te kunnen worden aangenomen. De voorbereiding heeft zich immers niet geconcretiseerd in het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen, informatiedragers, middelen etc, bestemd tot het begaan van het misdrijf.
De strafbare voorbereiding van artikel 96, tweede lid, onder 2°, Sr voorziet daarnaast nog in strafbaarheid van het zich trachten te verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf. Maar ook als de omschreven casus naast deze bepaling wordt gelegd, kan de vraag gesteld worden in hoeverre het bestanddeel «het zich inlichtingen trachten te verschaffen tot het plegen van het misdrijf» alle strafwaardige gedragingen in verband met training voor terrorisme dekt.
Bij deze stand van zaken acht ik het, mede in het licht van eerdergenoemde motie en de strafbaarstellingsverplichting voortvloeiend uit het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme, wenselijk op dit punt meer duidelijkheid te creëren. Deze duidelijkheid wordt bereikt door het voorgestelde artikel 134a Sr. Daarin wordt naast het zich verschaffen of trachten te verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen ook het verwerven van kennis of vaardigheden tot het plegen van terroristische misdrijven of misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan strafbaar gesteld.
Voor de uitvoering van de motie had kunnen worden volstaan met een aanvulling van artikel 96, tweede lid, onder 2°, Sr. Maar uit het navolgende zal blijken dat uitvoering van de verplichting tot strafbaarstelling van het geven van training voor terrorisme als bedoeld in artikel 7 van Pro het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme vergt dat aan de strafbaarstelling een ruimer toepassingsbereik wordt gegeven dan uitsluitend de terroristische misdrijven waartoe ook de samenspanning strafbaar is. Het College van Procureurs-generaal vestigde daar in zijn advies terecht de aandacht op.
Na ampele overweging is er voorts voor gekozen zowel het deelnemen als het meewerken aan training voor terrorisme in één delictsomschrijving onder te brengen. Daardoor krijgen beide gedragingen – deelnemen én meewerken – dezelfde reikwijdte. Dit verdient uit wetsystematisch oogpunt de voorkeur en wordt naar mijn oordeel ook gerechtvaardigd door het feit dat beide gedragingen nauwe verwantschap vertonen”.
“mijn hierboven gegeven antwoord op de door deze leden gestelde vraag naar de subjectieve bestanddelen van de voorgestelde delictsomschrijving volgt dat voor een veroordeling is vereist dat de rechter bewezen acht dat betrokkene willens en wetens kennis of vaardigheden verwierf voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Centraal staat aldus de bedoeling tot het verwerven van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf, (nog) niet de bedoeling tot het plegen van een terroristisch misdrijf”
tweede middelklaagt dat sprake is van een tegenstrijdigheid in het bestreden arrest. Het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder D tot en met J opgenomen handelingen verschaffen en verwerven in de zin van art. 134a Sr opleveren zou onbegrijpelijk zijn in het licht van het oordeel van het Hof dat deze handelingen niet in relatie staan tot het deelnemen aan een training tot het plegen van terroristisch misdrijf of misdrijf ter voorbereiding van terroristisch misdrijf.
De (combinatie van de) onder D t/m J genoemde handelingen zijn echter wel van belang in het kader van het vaststellen van het opzet bij de verdachte op het verwerven van kennis en vaardigheden als bedoeld in art. 134a Sr”.
derde middelin combinatie met de toelichting daarop klaagt dat het Hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van opzet.