Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
family lifevan de betrokken personen en de belangen van het kind (als bedoeld in art. 3 IVRK Pro) centraal. Enerzijds is er de biologische afstammingsrelatie (
nature), die juridisch bevestiging verdient; anderzijds is er het belang dat een bestaand
family lifein het gezin waarin het kind wordt opgevoed en verzorgd (
nurture), wordt beschermd; ook dat is een beschermingswaardig belang van het kind. Wanneer de verwekker, hoewel bekend met zijn biologisch vaderschap, niet overgaat tot een erkenning, behoeft het kind voor de wet niet vaderloos op te groeien: de wettelijke regeling in Nederland maakt het mogelijk dat het kind wettelijk een ouder/kind-relatie kan hebben ten opzichte van een ander (dan de verwekker), door wie het kind mede wordt opgevoed en verzorgd in het gezin waarin het opgroeit. Ook bij de uitoefening van het recht van het kind, te weten wie zijn biologische vader is en mede door hem te worden verzorgd, bedoeld in art. 7 lid 1 IVRK Pro, is het belang van het kind een eerste overweging.
voorafgaandeerkenning van het kind door een andere man met toestemming van de moeder in de aangehaalde jurisprudentie beperkt ingeval sprake is van misbruik van bevoegdheid. Indien de biologische vader niet tijdig actie heeft
kunnenondernemen (bijvoorbeeld omdat hem niet bekend was dat hij de verwekker was), geldt volgens de Hoge Raad een minder strikte maatstaf.
family life) te versterken en aan de verwekker haar toestemming tot erkenning heeft onthouden om dat gezinsleven te beschermen, zoals het hof in dit geval kennelijk heeft aangenomen [6] , en de verwekker, hoewel op de hoogte van zijn vaderschap en, in dit geval, van het voornemen tot erkenning door een andere man, niet tijdig actie heeft ondernomen om het kind te erkennen, behoefde het hof niet te besluiten dat de vrouw misbruik maakt van haar bevoegdheid om de verwekker haar toestemming te onthouden. De beschreven jurisprudentie laat nauwelijks ruimte voor de ‘spijtoptant’: de verwekker die, hoewel bekend met de biologische afstammingsrelatie en (in dit geval) met het voornemen tot erkenning door een andere man, aanvankelijk geen verzoek heeft ingediend om vervangende toestemming tot erkenning van het kind te verkrijgen en om hem moverende redenen later alsnog tot erkenning wil overgaan hoewel er inmiddels een wettelijke vader is. Het cassatiemiddel is niet op deze situatie toegespitst. De rechtsgevolgen die de wet aan het vaderschap verbindt zijn velerlei (niet slechts de omgang met het kind, maar bijvoorbeeld ook de onderhoudsplicht, erfrechtelijke of fiscale gevolgen). Een constructie waarin de verwekker een erkenning door een andere man kan aantasten buiten het geval van misbruik van bevoegdheid is in de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad onder ogen gezien, maar verworpen. De slotsom is dat het middelonderdeel faalt. Zolang voor de wet één vader per kind mogelijk is (en niet, bijvoorbeeld, een zorgvader naast de biologische vader), is het voor de rechter ook lastig om voor dit probleem een oplossing te vinden die in het stelsel van de wet past.