Conclusie
Zitting: 27 mei 2016
1.[eiseres 1] , gevestigd te [plaats] ,
Vereniging FNV Bondgenoten,gevestigd te Utrecht
(hierna FNV)
1.Feiten
(i) FNV is partij bij de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie vanaf in ieder geval 1 juli 2007. De opvolgende CAO’s hebben gegolden tot in ieder geval 30 juni 2013 en zijn algemeen verbindend verklaard voor de periode 6 oktober 2007 tot en met 30 juni 2009 en voor de periode van 16 juli 2011 tot en met 30 juni 2013.
(…)”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Gelet op deze ruime, niet strikte omschrijving van het begrip ‘onderneming’ in arbeidsrechtelijke context, is zeker niet uit te sluiten dat het begrip ‘onderneming’ in de CAO ook een concern of groep zou kunnen omvatten.
gecombineerdom één onderneming te drijven. Het komt voor dat een nv de meerderheid van de aandelen in een aantal bv’s houdt. De nv noemt men in zo’n geval wel moedermaatschappij of moedervennootschap. De bv’s worden wel dochtermaatschappijen of dochtervennootschappen genoemd (zie art. 2:24a BW). Het geheel van deze rechtsvormen (de combinatie dus) heet
concernof
groep(zie art. 2:24b BW). Het concern of de groep vormt één onderneming.” [20]
Ten aanzien van de (gestelde) werkingssfeeruitbreiding hebben cao-partijen in reactie op de bedenkingen verklaard dat met het aanpassen van de werkingssfeer een verduidelijking van de bestendige praktijk van toetsing op basis van verloonde arbeid is beoogd. Van een uitbreiding van de werkingssfeer is derhalve geen sprake”.
Hoewel het betrekken van een
latereverduidelijking bij de uitleg van een CAO, niet te verenigen is met de maatstaven van uitleg zoals hiervoor uiteengezet bij punt 3.4 en die verduidelijking daarom geen argument kan vormen voor de hier verdedigde uitleg, [25] kan het geen kwaad deze nieuwe omstandigheid te benoemen. [26]
minderdan 50% van de verloonde arbeid wordt besteed aan de productie of groothandel van gemaksvoeding én er geen andere CAO geldt. In dat geval is de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie van toepassing. Het gaat hier dus om een bepaling die een uitbreiding geeft aan de werkingssfeer als omschreven in art. 1.1 en die in samenhang met die bepaling moet worden gelezen. De in art. 1.3 van de CAO gebruikte bewoordingen ‘(het onderdeel van) de onderneming’ moeten daarom op overeenkomstige wijze worden begrepen als de vergelijkbare bewoordingen uit art. 1.1 van de CAO. Dat betekent dat ook in art. 1.3 van de CAO, ‘(het onderdeel van) de onderneming’ zo dient te worden opgevat, dat hiermee wordt gedoeld op de afzonderlijke rechtspersoon die opereert binnen een groter verband, zoals een concern of groep.
alleondernemingen (in de zin van de afzonderlijke rechtspersonen) waarin die dienstverlenende activiteiten worden verricht, reeds daardoor ook vallen onder de CAO. Het feit dat sprake is van samenhangende activiteiten noopt namelijk nog niet tot de conclusie dat alle activiteiten (althans meer dan 50% van de verloonde arbeid ten behoeve van die activiteiten, dan wel meer dan 50% van de totale omzet die met die activiteiten wordt behaald) ten dienste staan van het
klaarmakenvan gemaksvoeding. De activiteiten kunnen, ondanks hun samenhang, immers ook zelfstandige en nevengeschikte onderdelen betreffen die geen verwantschap hebben met het klaarmaken van gemaksvoeding. [29] Het hof heeft echter niet vastgesteld in hoeverre dat geldt voor [eiseres 1] , [eiseres 3] en [eiseres 4] . [30] Indien in de genoemde rechtspersonen sprake zou zijn van activiteiten die geen verwantschap hebben met het klaarmaken van gemaksvoeding, is er geen doorslaggevende reden om daarop ook de onderhavige CAO toe te passen. Niet is in te zien waarom het van toepassing verklaren van de onderhavige CAO op rechtspersonen waarin sprake is van activiteiten die geen verwantschap hebben met het klaarmaken van gemaksvoeding, in overeenstemming zou zijn met de ratio van de werkingssfeerbepalingen.
minderdan 50% van de verloonde arbeid wordt besteed aan productie of groothandel van gemaksvoeding. Omdat art. 1.3 van de CAO is op te vatten als een complement bij art. 1.1 van de CAO, ligt het in de rede dat ook bij de toepassing van art. 1.3 van de ,
eerstde vraag moet worden beantwoord of er sprake is van een (onderdeel van een) onderneming die etenswaren klaarmaakt zoals omschreven in art. 1.2 van de CAO, dan wel etenswaren maakt of samenstelt die als gemaksvoeding kunnen worden aangemerkt. Indien in een (onderdeel van een) onderneming sprake is van uitsluitend groothandelsactiviteiten en geen activiteiten worden verricht die zien op het klaarmaken, maken of samenstellen van gemaksvoeding, valt die onderneming niet binnen de reikwijdte van art. 1.3 van de CAO.