Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
“het gevolg van de overboeking van de overtollige liquiditeiten van Het Zorgbureau Twente B.V. naar haar aandeelhouder Zorgbureau Holding B. V.”
3.Bespreking van de klachten
eerste onderdeelis gericht tegen het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van ZBH waarvoor ook TT, Quest, [verweerster 4] en [verweerder 5] ingevolge art. 2:11 BW Pro (in tweede en derde orde) aansprakelijk zijn. [8] Volgens Zorgbureau c.s. is het Hof uitgegaan van een te ruime - en dus onjuiste - opvatting van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur, althans heeft het Hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
besluittot uitkering van het dividend in stand hebben gelaten, zoals de curator in zijn s.t. onder 16 terecht opmerkt. ’s Hofs oordeel kan niet anders worden begrepen dan aldus dat het niet
verhinderen van de uitkeringvan het dividend (via verrekening) onbehoorlijk bestuur oplevert. Dit brengt mee dat ook in zoverre het subonderdeel feitelijke grondslag ontbeert.
het bestuurzich daarvoor niet had kunnen en moeten inspannen.
uitvoeringvan dat besluit tegenover derden onrechtmatig kan zijn en onder omstandigheden als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur kan worden aangemerkt. [12] Het onderhavige geval is vergelijkbaar met de kwestie die aan de orde was in het arrest
Reinders Didam. [13] Ook in die zaak was van een gewone betaling van het dividend - die een handeling van het bestuur vergt - geen sprake, omdat de verrekening in rekening-courant ingevolge art. 6:127 BW Pro eenzijdig door de aandeelhouders kan worden bewerkstelligd. [14] Aangenomen wordt evenwel dat zulks aan aansprakelijkheid niet in de weg staat. [15] Dat geldt in het onderhavige geval - waarin de hoedanigheden van aandeelhouder en bestuurder in ZBH waren verenigd – eens te sterker. [16] Zorgbureau c.s. hadden de uitkering/verrekening van het dividend op eenvoudige wijze kunnen en daarom ook moeten verhinderen. Dat uitkering/verrekening van het dividend in de gegeven omstandigheden niet verantwoord was, wordt op zichzelf door Zorgbureau c.s. niet bestreden.
onder a – e.Ze trekken ten strijde tegen het oordeel in rov. 3.20 dat TT, Quest, [verweerster 4] en [verweerder 5], als (middellijk) bestuurder van HZT, hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld doordat zij hebben nagelaten bij de aanvang van 2006 ‘vanuit HZT’ zorg te dragen voor versnelde afbouw van of zekerheidstelling voor de rekening-courant vordering van HZT op ZBH.
de curatorop de in voetnoot 13 genoemde passage in de inleidende dagvaarding niet gesteld - en staat ook niet vast - dat ZBH
begin 2006alle zekerheden die zij kon inzetten, ook heeft ingezet ten behoeve van HZT en dat daarna nog slechts een onverhaalbare vordering op ZBH resteerde van € 800.000. [18]
datZBH in financiële moeilijkheden is geraakt en dat Zorgbureau c.s. dit hadden moeten voorzien, behoefde het Hof zijn oordeel m.i. niet verder uit te schrijven.
onderdeel e.Zorgbureau c.s. wijzen erop - kort samengevat - dat
nietde conclusie mag worden getrokken dat deconfitures als gevolg van het onder 3.19 genoemde overheidsbeleid steeds of zelfs maar gemakkelijk zouden kunnen of moeten leiden tot aansprakelijkheid van bestuurders. Dat is namelijk niet het geval. Of daarvoor in een concreet geval voldoende grond bestaat, zal afhangen van de relevante feiten en omstandigheden en met name ook beoordeling van de wederzijdse stellingen.
tweede onderdeelis gericht tegen ‘s Hofs oordeel in rov. 3.27 dat “uiteindelijk” aannemelijk is dat het geconstateerde kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement van HZT is geweest.
geenbelangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Volgens de steller van het onderdeel ligt het evenwel op de weg van de curator om een en ander te stellen en zo nodig te bewijzen.
onder a - eeen reeks klachten tegen rov. 3.27 voor zover het Hof daarin heeft geoordeeld dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur van Zorgbureau c.s. een belangrijke oorzaak is van het faillissement van HZT omdat zij (i) tijdig voorzieningen hadden moeten treffen tegen de dreigende correctienota’s en naheffingsaanslagen, maar vooral (ii) ook geen dividend over 2004 hadden mogen “nemen” en (iii) hadden moeten zorgdragen voor de afbouw van of zekerheidsstelling bij de rekening-courant vordering.
ontstaanvan de rekening-courant vordering. In rov. 3.9 heeft het Hof slechts overwogen dat de rekening-courant constructie niet zonder risico’s is en dat het onder omstandigheden geboden kan zijn om de rekening-courant verhouding tijdig te minimaliseren dan wel van zekerheid te voorzien. Het verwijt dat het Hof Zorgbureau c.s. vervolgens maakt, zo volgt uit rov. 3.9 en 3.20, is dat zij toen zich dergelijke omstandigheden voordeden niet tot afbouw of zekerheidsstelling zijn overgegaan.
aannemelijkis dat een dergelijk verband bestaat; zie met zo veel woorden het slot van rov. 3.27. Het Hof heeft zich niet uitgelaten over de vraag of er daadwerkelijk sprake is van zodanig verband.
4.Afronding
gevoelsmatigis ten minste een beetje sprake van wijsheid achteraf. Kern van de zaak lijkt
in mijn ogende rol die het overheidsbeleid heeft gespeeld. Zorgbureau c.s. hebben weliswaar aangevoerd dat de gunning aan anderen een (kern) rol heeft gespeeld, maar het Hof heeft die stelling verworpen in rov. 3.27. Tegen dat oordeel is geen klacht gericht. Voor dat laatste zou trouwens een toereikend feitelijk substraat nodig zijn geweest. Kennelijk meenden Zorgbureau c.s. in cassatie dat dit in de vele ordners die partijen in feitelijke aanleg hebben ingeleverd niet in voldoende mate uit de verf is gekomen.