Conclusie
Zitting: 10 juni 2016
1.[eiser 1],
[eiseres 2]beiden wonende te [woonplaats]
(hierna afzonderlijk [eiser 1] en [eiseres 2] en gezamenlijk [eisers])
1.[verweerder 1],
[verweerster 2]beiden wonende te [woonplaats]
(hierna afzonderlijk [verweerder 1] en [verweerster 2] en gezamenlijk [verweerders])
1.Feiten
(i) [verweerders] hebben op 19 september 2003 aan [eisers] voor € 375.000,-- kosten koper verkocht de boerderij met schuren, ondergrond, erf en land (met een totale oppervlakte van 5.24.14 ha), staande en gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1]. Het betreft een boerderij die omstreeks 1880 is gebouwd. [eisers] hebben, voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst, de boerderij twee maal bezichtigd. Er was op die momenten zichtbaar sprake van veel achterstallig onderhoud en in de muren van zowel het voorhuis als het achterhuis van de boerderij waren veel scheuren waarneembaar.
Artikel 2 - Eigendomsoverdracht (juridische levering)
2. Procesverloop
In het eerste inhoudelijke tussenvonnis van 12 april 2006 heeft de rechtbank het volgende overwogen:
Verder overweegt de rechtbank dat uit het deskundigenbericht van Oranjewoud blijkt dat sprake is van een redelijke mate van verontreiniging. Voor wat betreft erfdeel RE7 gaat het om de aanwezigheid van een asbesthoudende ophooglaag, waarvoor op grond van de toepasselijke regelgeving een saneringsnoodzaak bestaat. Sanering kan plaatsvinden door het aanbrengen van een verhardingslaag. Voor wat betreft erfdelen RE5 en RE6 is eveneens sprake van een asbesthoudende ophooglaag en overschrijding van de interventiewaarden; voor deze erfdelen is echter alleen sprake van een saneringsnoodzaak indien het ophoogmateriaal is aangebracht na 1987. Vervolgens overweegt de rechtbank:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1.2wordt opgekomen tegen rov. 7.9, waar het hof overweegt dat [eisers] nog slechts partiële ontbinding vorderen. Geklaagd wordt dat het enkele feit dat [eisers] in eerste aanleg hun eis hebben gewijzigd in die zin dat nog slechts partiële ontbinding wordt gevorderd, er niet aan in de weg staat om in appel weer terug te keren tot de oorspronkelijke eis van algehele ontbinding. Uit de memorie van grieven blijkt dat algehele ontbinding wordt gevorderd.
(…)”
6. De wijziging van eis[eisers] hebben in eerste aanleg hun eis hebben gewijzigd. In appel keren zij, zonder nadere motivering, weer terug naar hun oorspronkelijke eis. Het hof zal daar nader op ingaan bij rechtsoverweging 7.9. Voor het overige zal het hof recht doen op de eis zoals die in appel luidt.”
Uit het petitum van de memorie van grieven blijkt dat [eisers] primair de algehele ontbinding van de koopovereenkomst van 29 november 2003 vorderen. Het staat [eisers] vrij om in appel hun eis te wijzigen en weer terug te keren tot hetgeen zij aanvankelijk hebben gevorderd. Dat het [eisers] hierom is te doen, volgt ook uit verschillende passages uit de memorie van grieven (onder punt 24-25, 46-47, 54 en 82). Ook [verweerders] hebben de vordering van [eiser 1] in deze zin opgevat, zo blijkt uit de memorie van antwoord (punt 2.1 e.v. en punt 8.4). Weliswaar wordt uit de memorie van grieven niet duidelijk hoe deze vordering tot algehele ontbinding van de koopovereenkomst zich verhoudt tot de in eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen van [eisers], gedaan in de conclusie na deskundigenbericht d.d. 19 maart 2008, dat nog slechts partiële ontbinding wordt gevorderd, maar de genoemde passages alsmede het petitum van de memorie van grieven laten geen andere conclusie toe dan dat [eisers] algehele ontbinding van de koopovereenkomst van 29 november 2003 vorderen. In zoverre zijn de klachten uit onderdeel 2.1.2 terecht voorgesteld.
Of zij echter ook tot vernietiging van het arrest kunnen leiden, hangt ervan af of het hof in het onderhavige geval, evenals de rechtbank, ervan mocht uitgaan dat aan het normale gebruik van de boerderij geen hoge eisen mochten worden gesteld. [8] Dat zal in de bespreking van de volgende (sub)onderdelen aan de orde komen. In het navolgende zal blijken dat die onderdelen terecht zijn voorgesteld, zodat [eisers] belang hebben bij de onderhavige klacht.
onderdeel 2.1.3 sub (ii)wordt betoogd, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat [eisers] in grief 1 hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de algehele ontbinding heeft afgewezen, omdat de gebreken van dien aard waren dat een normaal gebruik van de boerderij niet mogelijk is zoals [eisers] aan de hand van door hen overgelegde rapportage in hun visie hebben aangetoond. [eisers] hebben daartoe verwezen naar de rapportages van TMS, [A] en Sigma. Het hof had alle gebreken in aanmerking dienen te nemen, ook ten aanzien van bodemvervuiling die niet onmiddellijk behoeft te worden gesaneerd en ook die welke blijken uit de bewuste rapporten van TMS en [A]. Daarbij merkt het onderdeel nog op dat het enkele feit dat [eisers], ondanks zichtbare gebreken en zonder nader onderzoek, zijn afgegaan op de garantie dat de boerderij met schuren die eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik in de vorm van bewoning door [eiser 1] met zijn gezin, niet maakt dat al die gebreken later, toen er wel deugdelijk onderzoek is gedaan, niet meer meetellen voor de vraag of er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in het kader van de garantie. [9]
a. Indien de garantie wordt gegeven dat de boerderij geschikt is voor bewoning met zijn gezin (art. 8 van Pro de koopovereenkomst), dan moeten alle gebreken worden afgemeten aan de vraag of daarmee afbreuk wordt gedaan aan de garantie. Daarbij moet alle aangetroffen bodemverontreinigingen worden meegenomen, ook indien deze niet behoeven te leiden tot sanering;
klachtonderdeel 2.1.3 sub (ii) onder (a)stellen [eisers] de betekenis van de door [verweerders] gegeven garantie uit art. 8 van Pro de koopovereenkomst aan de orde. [verweerders] hebben immers gegarandeerd dat de boerderij de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn en die uitdrukkelijk zijn overeengekomen, waarbij [eisers] voornemens zijn het gekochte te gebruiken voor bewoning met zijn gezin (rov. 7.2 van het arrest).
De bijzondere omstandigheden van het geval kunnen met zich brengen dat een uitzondering op dit uitgangspunt moet worden aangenomen, zo volgt uit het arrest
[B]/Gemeente Kampen. [15] In deze zaak wierp de koper aan de verkoper, de gemeente Kampen, tegen dat een non-conforme zaak was geleverd. Dit omdat de verdiepingsvloer in het verkochte pand, dat dateerde uit circa 1500, niet belastbaar was in de mate die nodig was voor het door koper beoogde en bij de gemeente bekende gebruik van het pand als restaurant. De Hoge Raad overwoog als volgt:
Christiaanse/Van Dijk [17] was in art. 5.3 van de koopovereenkomst bepaald dat de onroerende zaak bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Voorts was in de overeenkomst opgenomen dat koper voornemens is de onroerende zaak te gebruiken als woonboerderij. In art. 5.4 van de koopovereenkomst was onder meer bepaald dat aan verkoper niet bekend is dat de onroerende zaak enige verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het in lid 3 (dus: art. 5.3) omschreven gebruik door koper. In appel en in cassatie is de verhouding tussen deze bepalingen aan de orde. Het hof was tot het oordeel gekomen dat art. 5.4 op geen enkele wijze afbreuk doet aan de garantie in art. 5.3. In cassatie wordt dit niet onbegrijpelijk geacht door de Hoge Raad.
[C/D] [18] wordt een oordeel gegeven over het begrip ‘normaal gebruik’ in art. 5.3 van de standaard NVM-koopakte. Hierin overweegt de Hoge Raad:
Haviltex-maatstaf. [19] Daarbij is een uitleg van het begrip ‘normaal gebruik’ naar gangbaar taalgebruik aangewezen. Nu in het onderhavige geval in de overeenkomst is vermeld dat [eiser 1] het object zal gebruiken ‘voor bewoning met zijn gezin’, gaat het erom wat naar gangbaar taalgebruik onder ‘normaal gebruik’ ten behoeve van ‘bewoning met zijn gezin’ moet worden verstaan. Deze garantie – geschiktheid voor normaal gebruik ten behoeve van bewoning met gezin – vult nader in welke eigenschappen [eisers] op grond van de overeenkomst mogen verwachten. Indien daarom de door [eisers] gestelde gebreken een schending van de garantie (in de zin dat het object niet geschikt is voor bewoning met gezin) betekenen, zal daarmee in beginsel tevens vaststaan dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, zodat sprake is van een schending van art. 7:17 BW Pro. [20]
alleomstandigheden een inbreuk op het normaal gebruik leidt tot het oordeel dat de garantie uit art. 8 van Pro de koopovereenkomst is geschonden. Voor een dergelijke (afwijkende) uitleg is met name aanleiding indien de koper uit de aard van de zaak of uit mededelingen van de verkoper wist welke eigenschappen hij ten aanzien van de zaak op grond van de overeenkomst mocht verwachten, en hij daaruit ondubbelzinnig moest afleiden dat de zaak niet de feitelijke eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn. [21] Ook zal een afwijkende uitleg in de rede liggen indien de koper bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. [22]
onderdeel 2.1.3 sub (ii) onder ahet volgende worden opgemerkt. De klacht gaat uit van een algemeen uitgangspunt dat indien een normaal gebruik is gegarandeerd (in de vorm van bewoning door een gezin), alle gebreken die hieraan afbreuk doen, met zich brengen dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Dit uitgangspunt is te algemeen, gelet op hetgeen onder 3.17 is opgemerkt. De inhoud van de garantie als gegeven in art. 8 van Pro de onderhavige koopovereenkomst dient te geschieden in het licht van alle omstandigheden van het geval en die omstandigheden kunnen meebrengen dat de strekking van de garantie beperkter is. In zoverre kan de klacht niet slagen.
is opgemerkt, is dit oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
per gebrekzal moeten worden beoordeeld of in de gegeven omstandigheden sprake is van een inbreuk op de aldus uit te leggen garantie. Concreet gaat het dan om de gebreken die [eisers] onder punt 26 van zijn memorie van grieven heeft aangevoerd: lekkage dak, lekkende dakgoten, blank staan van de schuren na regenbuien, funderingsprobleem, enzovoort. Ten onrechte is nagelaten deze gebreken elk afzonderlijk te beoordelen en vast te stellen of dat gebrek in strijd komt met de door [verweerders] in art. 8 van Pro de koopovereenkomst gegeven garantie, dan wel heeft het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Zelfs al zou het hof bedoeld hebben aan te sluiten bij de benadering van de rechtbank, dat alle gebreken die betrekking hebben op ‘staat van boerderij en schuren’ (rov. 5.2 van het tussenvonnis van 12 april 2006) afstuiten op wat [eisers] te dien aanzien mochten verwachten, dan nog is dat een te globale benadering, die geen recht doet aan de gespecificeerde opsomming van de gebreken die [eisers] hebben gegeven. Bovendien zijn daarmee niet alle opgevoerde gebreken gedekt. [verweerders] zijn overigens ook gedetailleerd op al deze gebreken ingegaan (memorie van antwoord punt 2.4-2.9).
Grief 2 in principaal appelis gestoeld op de opgemaakte rapporten van TMS Holland B.V. en [A] B.V. Deze rapporten hebben betrekking op de fundering, gevels, dak en de scheurvorming van de boerderij met bijgebouwen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.6 en 677 [23] is overwogen, rustte op [eisers] een nadere onderzoeksplicht ten aanzien van de gebreken die uit deze rapporten naar voren zijn gekomen. [eisers] hebben voorafgaande aan de koop geen nader onderzoek verricht of doen verrichten, reden waarom [verweerders] niet jegens [eisers] met deze gebreken zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen jegens hen. Dit betekent in de eerste plaats dat grief 2 niet gegrond is.
Grief 3 in principaal appelis eveneens gebaseerd op deze rapporten. Voor zover in de toelichting op deze grief met een beroep op de rapporten van TMS Holland B.V. en [A] B.V. wordt betoogd dat de koopsom tot € 50.000,- dient te worden verminderd, faalt de grief op dezelfde gronden als de voorgaande grief. (…)”
klachtonderdeel 2.1.3 sub (ii) onder (a)hebben [eisers] in cassatie ook aangevoerd dat gelet op de garantie uit art. 8 van Pro de koopovereenkomst, rechtbank en hof geen onderscheid hadden moeten maken met betrekking tot de vraag of de verontreinigde grond gesaneerd diende te worden of niet; in alle gevallen voldeed immers de grond niet aan de in art. 8 van Pro de koopovereenkomst gegeven garantie. Dezelfde kwestie, de verontreinigde grond en het al dan niet bestaan van een saneringsnoodzaak, wordt behandeld bij
klachtonderdeel 2.1.3 sub (iii)en
2.1.3. sub (v). Deze klachtonderdelen, althans de hierop betrekking hebbende gedeeltes daarvan, zullen dan ook tezamen worden behandeld.
Uit het tussenvonnis van 26 augustus 2009, dat volgde op het uitbrengen van het deskundigenbericht van Oranjewoud, blijkt uit rov. 2.12 (hiervoor geciteerd onder punt 2.4) dat de rechtbank aan het deskundigenbericht niet alleen betekenis toekent ten aanzien van de noodzaak van sanering, maar ook voor wat betreft de vraag welke verontreiniging voor [eisers] te verwachten was. Een conclusie trekt de rechtbank echter nog niet, mogelijk omdat zij wil nagaan of een regeling tussen partijen mogelijk is (zie rov. 2.13 van het vonnis). Wanneer dat niet het geval blijkt te zijn, gelast de rechtbank in het daarop volgende vonnis van 14 april 2010 een nader deskundigenonderzoek over, kort gezegd, saneringsnoodzaak, saneringsmaatregelen en de kosten daarvan. Vervolgens wordt dan in het eindvonnis van 24 augustus 2011 op basis van het aanvullende deskundigenonderzoek uitsluitend nog ingegaan op de vraag op welk moment de verontreiniging is ontstaan – in verband met het bestaan van een saneringsnoodzaak – en of [verweerders] in dat licht hun zorgplicht jegens [eisers] hebben geschonden. [26] Volgens de rechtbank is alleen sprake van een non-conforme levering voor zover sprake is van een saneringsnoodzaak. De eerder opgeworpen vraag welke verontreiniging voor [eisers] te verwachten was, wordt niet meer behandeld.
Op beide benaderingen is het nodige af te dingen. Voor de eerste lezing geldt dat het maar de vraag is of verontreinigingen waarvoor geen saneringsplicht geldt, geen afbreuk doen aan de geschiktheid voor normaal gebruik voor bewoning met gezin. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom dat zo zou zijn.
Voor wat betreft de tweede lezing geldt dat niet nader is toegelicht waarom in de situatie dat geen saneringsplicht geldt, een eigen onderzoeksplicht van [eisers] vóór de garantie van art. 8 zou Pro gaan, althans waarom de garantieplicht dan anders (beperkter) zou moeten worden uitgelegd.
klachtonderdeel 2.1.3 sub (ii) onder (a),
2.1.3 sub (iii)en
2.1.3. sub (v) slagen.
onderdeel 2.1.3 sub (ii) onder bis vermeld, is al besproken (zie hiervoor onder 3.8-3.11).
onderdeel 2.1.3 sub (ii) onder cgenoemde klacht geldt dat deze klacht onvoldoende is uitgewerkt en daarom niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
onderdeel 2.1.3 sub (iv) onder I-a(cassatiedagvaarding p. 21) wordt opgekomen tegen rov. 7.3. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de mededelingsplicht van [verweerders]
altijdboven een onderzoeksplicht van [eisers] gaat, en dat het enkele feit dat [eisers] pas na het tekenen van de koopovereenkomst onderzoek hebben laten doen, [verweerders] niet ontslaan van hun mededelingsplicht ten aanzien van de aard en omvang van de gebreken, zoals bodemverontreiniging en asbest.
onderdeel 2.1.3 sub (iv) onder II(cassatiedagvaarding p. 22), dat is gericht tegen rov. 7.3, 7.6, 7.7 en 7.10, wordt er tegenop gekomen dat het hof er niet kenbaar blijk van heeft gegeven dat niet de letterlijke tekst van de koopovereenkomst bepalend is, maar datgene wat partijen bij het aangaan voor ogen heeft gestaan en uit elkaars gedragingen en uitlatingen hebben mogen afleiden. Op grond van het Haviltex-criterium had het hof zijn oordeel niet uitsluitend mogen baseren op de tekst van de bepalingen van de koopovereenkomst, zoals weergegeven in rov. 4.2, maar had het alle omstandigheden van het geval moeten meewegen.
Voorts wordt bij subonderdeel III betoogd dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat een schade van 10% van de vordering geen reden zou zijn voor een gehele of partiële ontbinding, gelet op de terughoudende toetsing ervan, gegeven het feit dat in beginsel elke tekortkoming een ontbinding rechtvaardigt en bovendien alle omstandigheden van dit geval maken dat een ontbinding meer dan gerechtvaardigd is.
Mogelijk heeft het hof bedoeld aan te sluiten bij het oordeel van de rechtbank, dat de verhouding tussen het schadebedrag van € 37.500,- en de door partijen overeengekomen koopsom van € 375.000,-, de door [eisers] gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt (rov. 2.12 eindvonnis), maar dit blijkt niet uit het arrest. Het is ook moeilijk te verdedigen dat sprake is van zo’n evidente wanverhouding tussen schadebedrag en koopprijs, dat geen motivering nodig was.
In cassatie hebben [verweerders] erop gewezen dat erfdeel RE7 ten opzichte van de oppervlakte van het gehele erf een betrekkelijk klein gedeelte vormt, [42] maar dit is in de feitelijke instanties niet aangevoerd. [verweerders] hebben daar volstaan met de stelling dat geen sprake is van een tekortkoming en hebben zich niet gemotiveerd beroepen op de uitzondering van art. 6:265 lid 1 BW Pro. Mede daardoor heeft een debat over de gerechtvaardigdheid van een (partiële) ontbinding van de overeenkomst niet plaatsgevonden.
Nu het hof zijn oordeel op dit punt in het geheel niet heeft gemotiveerd, is niet inzichtelijk hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de wettelijke hoofdregel van art. 6:265 lid 1 BW Pro, inhoudende dat elke tekortkoming in beginsel de ontbinding rechtvaardigt. Bovendien is niet duidelijk op welke wijze het hof toepassing heeft gegeven aan de ‘tenzij-clausule’. Daarmee dienen ook de klachten uit onderdeel 2.1.5 te slagen.