Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1van het middel stelt de vader voorop dat het aan de Raad voor de kinderbescherming is, te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de desbetreffende ouder ongeschikt dan wel onmachtig is om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Het hof overweegt in rov. 4.10 dat het gaat om ernstig beschadigde kinderen met bijbehorende bijzondere opvoedingsbehoeften om, in combinatie met de duur van het verblijf van de kinderen in het pleeggezin, tot de slotsom te komen dat de vader ongeschikt en onmachtig is de plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen voor deze kinderen. De klacht in het cassatierekest onder 12 houdt in dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 149 en Pro 150 Rv, althans onbegrijpelijk is: de vader heeft in de procedure bij het hof betwist dat hij over onvoldoende opvoedingsvaardigheden zou beschikken. Daarbij heeft hij naar voren gebracht dat hij altijd heeft meegewerkt aan verzoeken die hem in het belang van de kinderen werden gedaan, waaronder medische behandeling en scholing, en ook overigens steeds het belang van de kinderen voorop heeft gesteld (cassatierekest onder 14). De Raad voor de kinderbescherming spreekt weliswaar van ‘twijfels’ over het pedagogisch inzicht van de vader in de problematiek waarmee de kinderen te maken hebben [7] , maar volgens de klacht is dat niet voldoende om de gevolgtrekking te maken dat de vader ongeschikt of onmachtig is. De vader heeft bij het hof aangevoerd dat geen onderzoek is gedaan naar zijn (specifieke) opvoedingskwaliteiten en de Raad voor de kinderbescherming heeft dat niet betwist. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
in het algemeenongeschikt of onmachtig heeft geacht tot het verzorgen en opvoeden van zijn kinderen, mist zij feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof is gebaseerd op een combinatie van factoren:
equality of arms’-gedachte van art. 810a lid 2 Rv.
equality of arms-gedachte.