Conclusie
1.Procesverloop
2.Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
niet vast staat’ dat het onteigende perceel in zijn geheel feitelijk geschikt zou kunnen zijn voor glastuinbouw en dat ‘
niet met zekerheid kan worden gesteld’dat het onteigende perceelgedeelte in het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962’ werkelijk een glastuinbouwbestemming had, omdat de handgeschreven planregels en de plankaart slecht leesbaar zijn. Naar mijn mening kan niet worden gezegd dat de rechtbank met haar vooropstellingen in rov. 2.18 de stelling van Van den Berg q.q. dat onder vigeur van het genoemde uitbreidingsplan moet worden uitgegaan van de mogelijkheid om kassen op het onteigende te bouwen, heeft gelogenstraft, en dat dus de door het onderdeel bestreden oordelen in rov. 2.19 ten overvloede zijn gegeven. Daarvoor zijn de vooropgestelde omstandigheden te onbestemd, nu immers de rechtbank (in rov. 2.18) niet oordeelt dat het gehele onteigende perceelsgedeelte feitelijk ongeschikt is voor glastuinbouw en ook niet dat vaststaat dat het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962’ geen kassenbouw op het onteigende toestond. Dat zijn punten die zo nodig nader zullen moeten worden onderzocht als de tegen rov. 2.19 gerichte klachten slagen.
‘Recreatiegebied’, te gebruiken voor recreatieve doeleinden van actieve aard met daartoe behorende bebouwing en voorzieningen, hetgeen nog nader zou moeten worden uitgewerkt(zie rov. 2.8.3 van het bestreden vonnis) voor eliminatie in aanmerking komt. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank de maatstaf van de arresten van 9 juli 2010 had moeten aanleggen en dus had moeten onderzoeken of de in genoemd bestemmingsplan aan het onteigende gegeven recreatieve bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend is.
geen eliminatie, dus nog niet onjuist.
“Niet is gebleken dat de gemeente Nootdorp zich niet door eigen beleidsafwegingen heeft laten leiden, maar geheel (of: in overwegende mate) door het feit dat er een bestaand plan was waarvoor onteigend zou gaan worden, en dat tot de betreffende vaststelling noopte.”Hier zegt de rechtbank in wezen niets anders dan dat het bestemmingsplan Buitengebied uit 1973, voor zover het betreft de aan het onteigende gegeven recreatiebestemming, zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en dat de raad van de gemeente Nootdorp destijds die bestemming niet heeft vastgesteld teneinde de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven voor de uitvoering van een destijds al concreet bestaand plan (van de Provincie) voor het werk waarvoor thans wordt onteigend.
onderdeel b, dat uit een motiveringsklacht bestaat. Indien men (anders dan dit onderdeel doet) van het juiste begrip van
een al bestaand (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend isuitgaat, [21] lijkt mij het bestreden oordeel van de rechtbank in 3.19 ruim voldoende begrijpelijk.
ter plaatsete kostbaar is wegens de noodzaak om sloten te dempen en elders weer te graven waarvoor toestemming nodig is van het Hoogheemraadschap.