Conclusie
3.Het eerste middel
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld wegens diefstal en een schadevergoeding van €52,50 aan de benadeelde partij toegekend, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 maart 2014. De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de wettelijke rente had toegewezen, omdat de benadeelde partij deze niet had gevorderd.
De Hoge Raad overwoog dat uit het voegingsformulier en de proces-verbalen niet blijkt dat de benadeelde partij wettelijke rente heeft gevorderd, zodat het hof het toegewezen bedrag niet met wettelijke rente had mogen vermeerderen. Echter, het hof had de wettelijke rente opgelegd als onderdeel van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte, wat losstaat van de vordering van de benadeelde partij. Hierdoor ontbrak het belang voor de verdachte om hierover te klagen.
Verder werden de bewezenverklaringen door het hof voldoende gemotiveerd geacht, waarbij de verklaring van de getuige de verklaring van de benadeelde partij ondersteunde. De klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd en onvoldoende steun vond in het bewijs werd verworpen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het hof, inclusief de toewijzing van de materiële schadevergoeding zonder wettelijke rente aan de benadeelde partij.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand met toewijzing van materiële schadevergoeding zonder wettelijke rente aan de benadeelde partij.