Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
tussen partijen bij die procedurevast staat. Het vonnis heeft daarmee het karakter van een declaratoir vonnis als bedoeld in artikel 3:302 BW Pro.
aan Fraanjekan tegenwerpen, was erop gericht de onderlinge rangorde tussen FGH en Fraanje vast te stellen.
‘comparante': de gevolmachtigde van (onder meer) Mewivast en FGH;
‘haar sub 6 genoemde opdrachtgever’: Mewivast;
‘volmachtgever sub 8’: FGH;
‘gerechtigden(n)’: de volmachtgevers waaronder Mewivast en FGH.
‘opdrachtgever sub 6’en
‘volmachtgever sub 8’onmiskenbaar bij vergissing omgewisseld.
‘comparante’heeft verklaard zoals daarin staat vermeld. Door FGH – die in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan – is dit tegenbewijs niet geleverd. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat zij ten overstaan van de notaris heeft verklaard dat FGH afstand doet van het (eerste) hypotheekrecht op A-13. Er zal veronderstellenderwijs van uit worden gegaan dat de
‘comparante’daarbij een (toereikende) volmacht van FGH bezat, zoals Fraanje stelt (in o.m. punt 59 MvA), maar FGH in (alleen) de eerste aanleg heeft betwist, zie blz. 9, bovenaan, en punt 17 van de inleidende dagvaarding en punt 7 e.v. conclusie van antwoord in reconventie.
‘comparante’waar is (in de zin van: overeenkomstig de wil van FGH). Te dien aanzien heeft de NAA alleen dwingende bewijskracht tussen de partijen bij die akte en hun rechtverkrijgenden (artikel 157 lid 2 Rv Pro). Daartoe behoort Fraanje niet.
in finebedoelde vergissing voor de bewaarder van de registers kennelijk geen beletsel heeft gevormd om het royement van de hypotheek op A-13 in te schrijven. Blijkens de toelichting op deze grief strekt deze ten betoge dat de rechtbank hierbij de lijdelijkheid van de bewaarder niet op juiste waarde heeft geschat. Wat hier verder van zij, nu de rechtbank de aangevallen overweging alleen maar heeft gebruikt ter adstructie van haar verder door FGH in hoger beroep niet bestreden vaststelling dat in artikel 6 NAA Pro een kennelijke onjuistheid was geslopen, kan deze grief niet leiden tot vernietiging van het vonnis.
‘ook door buitenstaanders als schuldenaars, schuldeisers en derden-verkrijgenden (kan) worden ingeroepen’(PG boek 3, blz. 173, bovenaan). Bij de losmaking van artikel 3:36 BW Pro (dat artikel 3.2.3a werd) van artikel 3:35 BW Pro (dat artikel 3.2.3 bleef) is dit herhaald, zie PG boek 3, blz. 174, onderaan/175 bovenaan. Het was dus de bedoeling van de wetgever dat schuldeisers – waaronder beslagleggers zijn begrepen – zich op artikel 3:36 BW Pro konden beroepen. Het andersluidende standpunt van FGH is niet af te leiden uit de volgende passage uit PG, boek 3, blz. 133, waar zij aan refereert in de punten 28 en 29 MvG:
e.v. en 42 e.v. F. aan de werkelijke vermogenstoestand van hun schuldenaar gebonden zijn.’
‘Ontvanger/Troost’, NJ 1992, 227, dat:
‘Ontvanger/Troost’-arrest kan weliswaar worden opgemaakt dat artikel 1910 BW Pro (oud) niet door beslagleggers kon worden ingeroepen, doch nu de HR daarin heeft benadrukt alleen
‘het bestaande stelsel’(dat is: het stelsel onder het ‘oude’ BW) op het oog te hebben, kan daaraan geen argument worden ontleend voor de uitleg van het ‘nieuwe’ artikel 3:36 BW Pro. Vertaald naar het huidige recht kan het naar het oordeel van het hof zo worden gezien dat ‘Ontvanger/
Troost’alleen betrekking heeft op de artikel 3:24 BW Pro-uitwerking van artikel 1910 BW Pro (oud) – artikel 3:24 BW Pro beschermt immers alleen verkrijgers van rechten op registergoederen, waaronder beslagleggers niet vallen – maar niet op de artikel 3:36 BW Pro-uitwerking daarvan.
van de werkelijke toestand op de hoogte is gekomen.’
‘Banque de Suez-Bijkerk q.q.’NJ 1988, 748 (PA-I onder 20 en 21 en MvA onder 11-13).
‘Banque de Suez-Bijkerkq.q.’-arrest heeft de HR overwogen:
‘Reuser q.q./Postbank’(NJ 2006, 56), moet er vanuit gegaan worden zij hun gelding hebben behouden, ook onder artikel 505 Rv Pro zoals dit thans luidt.
3.Bespreking van de middelen
niet-ontvankelijkdient te worden verklaard, aangezien zij heeft nagelaten om binnen acht dagen na het instellen van het cassatieberoep de aanwending van dit rechtsmiddel in te schrijven in het register genoemd in art. 433 Rv Pro, welke inschrijving in art. 3:27 lid 2 BW Pro op straffe van niet-ontvankelijkheid bij niet voldoening aan dit vereiste is voorgeschreven.
onder 1is gericht tegen rov. 4.5 en 4.6 van het eindarrest van 17 februari 2015. FGH klaagt ten
eerstedat het Hof daarmee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat aan beslagleggers niet de bescherming van art. 3:36 BW Pro toekomt. Deze klacht wordt door FGH in haar cassatiedagvaarding niet nader uitgewerkt. In haar toelichting op de klacht verwijst zij naar het in de s.t. onder 2 uiteengezette juridisch kader. Dat juridisch kader behelst weinig meer dan een aantal van de door het Hof in de bestreden overwegingen besproken passages uit de parlementaire geschiedenis.
Ontvanger/Troost, [18] waarop door FGH in feitelijke aanleg in dit verband een beroep is gedaan. In dat arrest werd, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
tweedeplaats klaagt FGH dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het Hof - kort gezegd - heeft miskend dat art. 3:36 BW Pro een derde wel bescherming biedt tegen geleden schade of nadeel doordat de schijn waarop die derde heeft vertrouwd niet met de werkelijkheid overeenstemt, maar niet het voordeel waarborgt dat de derde gehad zou hebben indien de schijn werkelijkheid was geweest en dat de derde in het vertrouwen op die schijn meende te hebben verkregen. Volgens FGH kan de beslaglegger als in casu Fraanje zich weliswaar niet op het gewraakte object verhalen, maar is het niet zo dat hij in dat opzicht door het vertrouwen op de schijn in een nadeliger positie is gekomen dan waarin hij zich voorafgaand aan de beslaglegging bevond. Zij stelt dat bescherming van de beslaglegger in een geval als het onderhavige tot een disbalans tussen de belangen van de oudere hypotheekhouder en die van de beslaglegger en zelfs tot ongerechtvaardigde verrijking van de beslaglegger zou leiden. Dat is niet in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid, als niet al moet worden aangenomen dat het een gevolg is dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aldus nog steeds FGH.
onder 2.3geformuleerde klacht mist feitelijke grondslag. De overwegingen van het Hof houden niet in dat het eerste hypotheekrecht van FGH tot stand is gekomen na de inschrijving van het proces-verbaal van beslaglegging. Zij houden in dat het eerste hypotheekrecht niet aan Fraanje kan worden tegengeworpen (rov. 4.9) en dat het beslag in zoverre vrij van hypotheek kan worden uitgewonnen (rov. 4.11) en zien - voor zover het art. 505 lid 2 Rv Pro betreft - op het tweede hypotheekrecht dat eerst na de inschrijving van het proces-verbaal van beslaglegging is gevestigd (rov. 4.10, 6.2 en 6.3). [24]
a[art. 3:36 BW Pro] van het gewijzigd ontwerp. Een zodanig beroep zal echter slechts bij uitzondering kunnen slagen. Voor de toepasselijkheid van artikel 3.2.3
azal immers in dit geval dienen te worden bewezen dat de derde daadwerkelijk heeft vertrouwd op een uit de registers af te leiden verklaring of gedraging van zijn wederpartij. Zoals boven in de tweede alinea bij artikel 3.1.2.7 reeds opgemerkt werd, zal het bewijs hiervan, dat zal moeten omvatten het bewijs dat de registers daadwerkelijk zijn ingezien, slechts zelden geleverd kunnen worden. Ook overigens dient voor een beroep op artikel 3.2.3
aaan zwaardere eisen te zijn voldaan. Met name zal door de derde moeten worden aangetoond dat de door hem uit de registers afgeleide verklaring of gedraging van zijn wederpartij door hem is opgevat overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen.”
Onder 1.1klaagt Fraanje dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de uitleg van de vorderingen van FGH. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zoals Fraanje met juistheid stelt, moet de vraag wat is gevorderd niet worden beantwoord door middel van een louter taalkundige uitleg van de bewoordingen van het petitum, maar door middel van een redelijke uitleg van het petitum in het licht van het gehele gedingstuk waarin de eis is vervat en het gehele processuele partijdebat. Daarbij komt het erop aan in welke zin de wederpartij de eis redelijkerwijs heeft moeten opvatten. [39] Hoewel in rov. 12 minder zuiver wordt gesproken van een uitleg aan de hand van alle omstandigheden van het geval, heeft het Hof voornoemde maatstaf blijkens de daaropvolgende overwegingen gehanteerd. In overeenstemming met die maatstaf heeft het Hof achtereenvolgens onder meer betekenis toegekend aan het processuele handelen van FGH (rov. 13), het doel van het exploot van 1 mei 2012 en de daarmee ingeleide procedure (rov. 14) en de beperkte formulering van de gevorderde verklaring voor recht (rov. 15), om vervolgens te concluderen dat de procedure - in weerwil van de eigen kwalificatie van FGH - niet anders kan worden begrepen dan als een procedure tot verkrijging van een verklaring van recht als bedoeld in art. 3:302 BW Pro (rov. 16).
onder 1.2wordt tevergeefs voorgesteld. Ten onrechte neemt Fraanje aan dat de kwalificatie van de eis in het processtuk waarin zij is vervat bepalend is voor de vraag welke procedure eiser heeft willen initiëren. Het komt aan op een uitleg conform de eerder genoemde maatstaf. Anders dan Fraanje veronderstelt, is er in een dergelijk geval niet sprake van dat iets anders wordt toegewezen dan gevorderd.
Onder 2.1klaagt Fraanje andermaal dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. De klacht faalt op de hiervoor genoemde gronden. Anders dan Fraanje meent, is de uitleg van de processtukken niet beperkt tot de daarin opgenomen stellingen. Uitleg dient plaats te vinden in het licht van het gehele processuele partijdebat. Dat is meeromvattend dan de inhoud van de processtukken. Dat is nagelaten bepaalde formaliteiten te vervullen, kan in dit verband van belang zijn. Aan de rechtskracht van het vonnis in eerste aanleg heeft het Hof geen zelfstandige betekenis toegekend bij de uitleg van het gevorderde.
onder 2.2mist feitelijke grondslag. De procedure is volgens het Hof niet ‘van kleur verschoten’ maar van aanvang af een procedure als bedoeld in art. 3:302 BW Pro geweest.
onder 2.3treft geen doel. In de literatuur wordt wel aangenomen dat art. 3:27 BW Pro buiten toepassing blijft bij gebreke van een openbare oproeping en dat in een dergelijk geval slechts de rechtsverhouding tussen partijen bij de procedure gemoeid is. [40] ’s Hofs oordeel is daarmee in overeenstemming. Fraanje ziet verder eraan voorbij dat het Hof niet louter op grond van het gegeven dat niet is voldaan aan het vereiste van een openbare oproeping tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een procedure als bedoeld in art. 3:302 BW Pro. Tot slot zegt het Hof in rov. 13 niets over de procedurele bedoeling van FGH.
onderdeel 3slaagt niet. Voor zover Fraanje wederom klaagt over de door het Hof gehanteerde maatstaf, kan worden verwezen naar hetgeen daaromtrent eerder is overwogen. De klacht dat niet is gereageerd op door haar betrokken essentiële stellingen, dan wel dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het gemeend heeft dat deze stellingen niet relevant zijn voor de beoordeling, mist feitelijke grondslag. Op de door Fraanje in cassatie genoemde stellingen is het Hof wel degelijk ingegaan. De door haar op pagina 11 van haar conclusie van antwoord genoemde stellingen
onder a t/m dhebben steeds de strekking dat FGH de procedure zelf heeft gekwalificeerd als een procedure zoals bedoeld in art. 3:27 BW Pro. Daaromtrent heeft het Hof in rov. 12 overwogen dat zulks niet doorslaggevend is, maar dat aan de hand van alle omstandigheden van het geval dient te worden vastgesteld of een verklaring voor recht is gevorderd als bedoeld in art. 3:27 BW Pro of als bedoeld in art. 3:302 BW Pro. De stelling
onder ehoudt in dat FGH ook de rechthebbende Mewivast in de procedure heeft betrokken. Daarop is het Hof in rov. 14 ingegaan: dat het exploot aan Mewivast is betekend was niet zozeer ingegeven door de vereisten van art. 3:27 BW Pro (dat dagvaarding van de rechthebbende voorschrijft), als wel door de omstandigheid dat het exploot tevens te gelden had en ook in de kop ervan was aangemerkt als sommatie. Op de stelling
onder f, dat Fraanje de door FGH ingenomen standpunten en stellingen ook zo heeft begrepen en opgevat dat FGH beoogde een vordering ex art. 3:27 BW Pro in te stellen, heeft rov. 16 betrekking. Op die plaats heeft het Hof overwogen dat de procedure ingeleid bij exploot van 1 mei 2012 onder de gegeven omstandigheden niet anders
kanworden begrepen dan als een procedure strekkende tot verkrijging van een verklaring van recht als bedoeld in art. 3:302 BW Pro.
comparante’. Het gaat in ’s Hofs oordeel veeleer om de vraag of de verklaring van de ‘
comparante’ overeenkomstig de wil van FGH is, zo volgt uit rov. 3.5. Dat op grond van de akte van rectificatie moet worden aangenomen dat zulks het geval is, heeft Fraanje op de door haar in cassatie genoemde vindplaatsen niet gesteld. Ook dit laatste onderdeel faalt derhalve.