ECLI:NL:HR:2007:BA4943
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Huisvredebreuk vereist feitelijke bewoning ongeacht rechtmatig gebruik
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het wederrechtelijk binnendringen in een woning strafbaar is wanneer de woning feitelijk in gebruik is door een ander, maar dat gebruik onrechtmatig zou zijn. De verdachte werd door het Hof veroordeeld voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en huisvredebreuk. Hij stelde in cassatie dat het binnendringen niet wederrechtelijk was omdat de bewoners de woning onrechtmatig in gebruik hadden.
De Hoge Raad oordeelde dat art. 138 Sr Pro het huisrecht beschermt dat een ander ontleent aan feitelijke bewoning, zonder dat het uitmaakt of die bewoning rechtmatig is. De stelling van de verdediging dat het gebruik onrechtmatig was en daarom geen sprake kon zijn van wederrechtelijk binnendringen, werd verworpen. Het hof had het verweer terecht ongegrond verklaard.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete. Hiermee werd de rechtsontwikkeling verduidelijkt dat huisvredebreuk ook bescherming biedt tegen onrechtmatige gebruikers die feitelijk bewonen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor huisvredebreuk ondanks onrechtmatig gebruik door bewoners.