Conclusie
Zitting: 25 mei 2016
[verzoeker]wonende te [woonplaats]
- i) een nieuwe schuld bij Stedin ontstaan van € 391,34,
- ii) bestaat de mogelijkheid van een naheffingsaanslag door de Belastingdienst, en
- iii) dient [verzoeker] zijn woning te ontruimen.
Aan te tekenen is, zoals de advocaat van [verzoeker] in zijn appelrekest, onder 7, heeft opgemerkt, dat de schuldsaneringsregeling slechts één week voor het aflopen ervan tussentijds is beëindigd.
door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert’.
Teneinde duidelijk te maken dat dergelijk gedrag[onbehoorlijk gedrag jegens bewindvoerder en een niet coöperatieve opstelling – a-g]
niet getolereerd wordt en ook op zichzelf voldoende grond kan opleveren om de schuldsaneringsregeling te beëindigen, wordt deze grond hier opgenomen”, zo is vermeld in de memorie van toelichting. [2] In het voorlopig verslag is vermeld dat de bepaling ziet op wangedrag van de schuldenaar. [3] In de praktijk wordt ook vaak gesproken over een ‘niet saneringsgezinde houding’ van de schuldenaar.
niet te handhaven’ duiden er naar mijn mening op dat er wel iets serieus aan de hand moet zijn.
het hebben en houden van een hennepkwekerij, alsmede daar (mogelijkerwijs) inkomsten uit te verwerven door middel van verkoop van hennepplanten, al dan niet buiten medeweten van de bewindvoerder (…) geen onverkorte reden [is] om te oordelen dat [verzoeker] blijk heeft gegeven van een niet-saneringsgezinde houding”.
Het bestreden oordeel van het hof is sterk verweven met een waardering van de feiten en is in cassatie daarom beperkt toetsbaar. Het oordeel is niet onbegrijpelijk; het middel licht ook niet toe waarom dat zo zou zijn. Ook als wordt aangenomen dat de door het hof – in rov. 4 – onder (i) genoemde omstandigheid zich niet voordoet omdat de betreffende schuld is afbetaald, blijven over de negatieve gevolgen van de hennepkwekerij die het hof onder (ii) en (iii) heeft benoemd en die hebben bijgedragen aan zijn oordeel dat sprake is van ernstige verwijtbare gedragingen die onverenigbaar zijn met aard en strekking van de schuldsaneringsregeling. Die overwegingen zijn niet onbegrijpelijk en daartegen zijn in cassatie geen klachten gericht.
De rechtspraak overziende is er geen aanleiding om aan te nemen dat beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] rechtsongelijkheid oplevert.