Conclusie
middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring ten onrechte mede is gebaseerd op een verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd, zonder dat hij bij dat verhoor door een advocaat is bijgestaan.
NJ 2009/349m.nt. Schalken, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, zulks in beginsel een vormverzuim oplevert als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen. Niet in geschil is dat de verdachte in de onderhavige zaak voorafgaand aan het eerste politieverhoor (meermalen) de gelegenheid heeft gekregen zijn raadsvrouwe te consulteren.
NJ2016/52 m.nt. Klip, van belang. Ook in die zaak had het middel de strekking te betogen dat het hof de verklaring die de verdachte ten overstaan van opsporingsambtenaren had afgelegd, zonder dat bij het verhoor een advocaat aanwezig was geweest, niet tot het bewijs had mogen bezigen. Subsidiair was verzocht prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. De Hoge Raad overwoog dat de juistheid van de aan het middel ten grondslag gelegde stelling in het midden kon blijven, omdat de bewezenverklaring ook met weglating van de desbetreffende verklaring van de verdachte uit de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen kon worden afgeleid en dus toereikend was gemotiveerd. Daarin verschilt de bewijsvoering in de onderhavige zaak van die in de zaak die leidde tot het arrest van 22 december 2015. In de onderhavige zaak steunt de bewijsvoering in belangrijke mate op de door de verdachte tijdens het politieverhoor afgelegde verklaringen.
NJ2014/268 m.nt. Schalken, waarin de Hoge Raad overwoog dat uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens niet zonder meer algemene conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de reikwijdte van het recht op verhoorbijstand en de consequenties die aan schending van dat recht moeten worden verbonden. Daaraan voegde de rechtbank in het in zoverre bevestigde vonnis toe dat de enkele omstandigheid dat de verdachte tijdens zijn verhoor door de politie niet feitelijk is bijgestaan door zijn raadsvrouwe dan wel hem niet de mogelijkheid daartoe is geboden, niet reeds betekent dat de verklaring van verdachte niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Tevens is daarbij betrokken dat de verdachte wel tot twee maal toe van zijn consultatierecht gebruik heeft gemaakt. In deze overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat, voor zover van een schending van art. 6 EVRM Pro sprake is, die niet van zodanige ernst is dat de verklaring van de verdachte van het bewijs moet worden uitgesloten. Die bevinding is in lijn met hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2015 heeft overwogen. Ook voor de onderhavige zaak geldt dat de opsporingsambtenaren die de verdachte hebben ondervraagd, gelet op de toenmalige stand van de rechtspraak van de Hoge Raad, redelijkerwijze mochten aannemen dat de verdachte niet de gelegenheid hoefde te worden geboden van verhoorbijstand. Het bestreden oordeel getuigt, aldus gelezen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015, meen ik dat het middel niet tot cassatie kan leiden.