Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof naar aanleiding van het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van verdachte van 16 maart 2012 in het bestreden arrest enerzijds in het midden heeft gelaten of er sprake is van een vormverzuim en daarnaast niet heeft gereageerd op het verweer omtrent bewijsuitsluiting, maar anderzijds de verklaring van verdachte wel tot het bewijs heeft gebezigd.
tweede middelklaagt dat niet is voldaan aan de eisen voor medeplichtigheid aan - kort gezegd - de overvalpoging omdat het daarvoor benodigde opzet bij verdachte ontbrak. Als verdachte al opzet had op enigerlei bijdrage bestrijkt dat opzet niet het feit dat er nog een andere persoon bij het delict betrokken zou worden en dat deze gebruik zou maken van een steekwapen. Dat de broer van verdachte de beschikking had over een vuurwapen levert dat opzet nog niet op.
derde middelklaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie. Op 23 juli 2015 is het beroep in cassatie ingesteld en de stukken zijn eerst op 16 juni 2017 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. De stellers van het middel wijzen erop dat het nog te vaak voorkomt dat de Hoge Raad moet concluderen tot een schending van de redelijke termijn en dat deze praktijk zich zal voortzetten als het gebrek aan rechterlijke capaciteit druk op de rechterlijke macht blijft zetten.