Conclusie
3.Het eerste middel
(1) de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, over de tenaamstelling van een telefoonnummer;
(2) t/m (7) een aantal transcripties van telefoongesprekken;
(8) en (9) twee processen-verbaal van opsporingsambtenaren met betrekking tot het aantreffen en de inbeslagneming van een heroïnezending in een tweetal tassen op Schiphol;
(11 t/m 15) nog enkele transcripties van telefoongesprekken alsmede de tekst van enkele onderschepte tekstberichten en als bewijsmiddel (16):
4.Het tweede middel
(…)
b) Het bewijs in de voorliggende zaak rust, zoals ook het vonnis laat zien, met name op tapgesprekken, welke inzet van opsporingsmethoden het gevolg is van het gebruik van datagegevens die door opsporingsdiensten en providers gedurende lange tijd zijn bewaard. Daarnaast zijn ook historische gegevens opgevraagd en gebruikt die onder de Telecommunicatiewet vallen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 4 april 2014 arrest gewezen in de twee gevoegde zaken met zaaknummers C-293/12 en C-594/12 (Digital Rights lreland en Seitlinger) en is tot het oordeel gekomen dat de Richtlijn inzake Dataretentie (2006/24/EG) ongeldig is wegens strijd met onder andere artikel 8 EVRM Pro. Deze Richtlijn is met ingang van 1 september 2009 geïmplementeerd. Gelet op het feit dat de Richtlijn ongeldig is verklaard, is de implementatiewet in Nederland eveneens onrechtmatig c.q. ongeldig, hetgeen betekent dat zonder geldige wettelijke grondslag gegevens zijn opgeslagen en vervolgens in het opsporingsonderzoek zijn gebruikt. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, waarbij de onrechtmatigheid van dusdanige aard is dat bewijsuitsluiting dient te volgen.
Vooropgesteld wordt dat artikel 359a Sv uitsluitend ziet op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek - dat wil zeggen het (opsporings)onderzoek voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting - in de zaak tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde. Dat brengt met zich mee dat - wat er ook zij van het verweer van de raadsman - dit onderdeel van het verweer niet kan slagen nu vaststaat dat het opslaan van gegevens niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte in de onderhavige strafzaak. In zoverre wordt het verweer reeds op die grond verworpen.
2.3.3. Buiten het kader van art. 359a Sv is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats voor bewijsuitsluiting op grond van vormverzuimen. Aan het in dit geval gestelde vormverzuim — zou dit zich hebben voorgedaan — kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat daardoor in de onderhavige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanig aanzienlijke mate is geschonden dat de uitkomst van het DNA-vergelijkingsonderzoek van het bewijs zou moeten worden uitgesloten.”