ECLI:NL:PHR:2016:717

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2016
Publicatiedatum
21 juli 2016
Zaaknummer
15/03273
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 359.6 SvArt. 81, eerste lid, RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging in vereniging met lichamelijk letsel

Op 13 mei 2012 heeft verdachte samen met anderen openlijk geweld gepleegd tegen meerdere personen tijdens een ruzie in een café te Nijmegen. Het geweld bestond uit slaan, stompen en schoppen, waarbij de slachtoffers lichamelijk letsel opliepen.

De bewijsvoering berustte op meerdere verklaringen van slachtoffers en getuigen, medische rapporten en het verhoor van verdachte zelf. Uit de verklaringen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk en bewust geweld hebben uitgeoefend. Het hof oordeelde dat verdachte zich bewust was van de gezamenlijke geweldpleging en dat hij op zijn minst voorwaardelijk opzet had op het in vereniging plegen van geweld.

Verdachte werd door het hof veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De Hoge Raad vernietigde het arrest echter voor wat betreft de strafoplegging vanwege onvoldoende motivering van het hof over de keuze voor een vrijheidsbenemende straf en verwees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling. De overige onderdelen van het arrest werden bevestigd.

Uitkomst: Arrest vernietigd voor wat betreft strafoplegging wegens onvoldoende motivering, terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 15/03273
Zitting: 31 mei 2016
mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 1 juli 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat uit de bewijsconstructie niet kan volgen dat de verdachte opzet had op het uitoefenen van geweld in vereniging met anderen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat [1] :
“hij op 13 mei 2012 te Nijmegen, op de openbare weg (de ‘In de Betouwstraat’), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen (te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3]), welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde personen, terwijl het door hem gepleegde feit enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.”
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 12 t/m 17) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]:
Op zaterdag 12 mei 2012 ging ik naar Nijmegen. Ik was samen met [betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 7].
Op zondag 13 mei 2012, omstreeks 01.30 uur verlieten wij het café. We wilden nog een laatste biertje doen en gingen café [A] binnen. Het was inmiddels 02.00 uur. Ik voelde direct dat de stemming omsloeg bij de mensen die zich al in het café bevonden. Ik werd namelijk direct aangesproken door een gast. Hij vroeg wat we kwamen doen. Ook kwam er nog een donkere jongen naar mij toe en vroeg wat we kwamen doen.
Ik liep naar boven in het café. Ik hoorde die twee gasten opnieuw aan mij vragen wat we kwamen doen. Ik vond dat ze een dreigende houding hadden.
Eén van mijn vrienden zei: “We gaan weer.” Volgens mij stonden er al een aantal vrienden van mij buiten. Ik liep achter een vriend aan in de richting van de uitgang van het café. Volgens mij liep ik achter [betrokkene 6] aan. Ik zag weer die twee gasten die mij eerder hadden aangesproken. Er stonden nu meer gasten bij hen.
Om naar buiten te gaan moest ik langs die gasten lopen. Op het moment dat ik naar buiten liep voelde ik een harde trap in mijn rug. De trap was op mijn onderrug. Het voelde door het formaat als een voet die op mijn onderrug geplaatst werd. We stonden inmiddels allemaal buiten. Ik weet niet of er nog meer mensen een trap hebben gehad. Ik was de laatste die naar buiten ging. We stonden voor het café. Ik stelde voor om naar de bus te gaan. Sommige vrienden liepen al vooruit. Een aantal vrienden bleven voor het café staan. Ik weet niet meer wie die vrienden waren, die bleven staan.
Ik weet niet meer hoe het kwam maar ik draaide me om naar de deur van het café. Ik zag dat de deur open schoot. Ik hoorde geschreeuw. Ik zag een stuk of vijftien à twintig mannen en vrouwen naar buiten rennen. Ik stond op vijfentwintig à dertig meter afstand van de deur. Voor ik het wist lag ik op de grond. Ik lag met mijn gezicht naar grond. Ik voelde pijn aan mijn gezicht. Volgens mij had ik toen al een bloedneus. Ik kan de pijn niet echt omschrijven. Mijn neus deed pijn. Ik voelde mij niet in staat om op te staan. Ik keek omhoog en ik zag een persoon op mij af komen. Voordat ik het door had kreeg ik een trap in mijn gezicht. Ik voelde dat de trap met kracht gegeven was. Ik voelde direct hevige pijn aan mijn gezicht. Ik weet niet hoe die persoon mij een trap gaf. Ik weet het echt niet meer. Ik weet wel dat de persoon bewust naar mij toe kwam lopen toen ik op de grond lag. Ik zag ook nog dat de persoon bewust in mijn gezicht een trap gaf. Dit omdat hij ter hoogte van mijn hoofd stond. Ik heb het gevoel dat ik toen even weg ben geweest. Een soort van bewusteloos.
Op een gegeven moment zag ik [betrokkene 4] staan. Ik ben toen opgestaan en ik kreeg water aangeboden. Ik voelde pijn aan mijn hoofd. Het was een bonkende pijn. Ik was erg geschrokken want ik had bloed aan mijn kleding en handen. Ik heb niemand aangeraakt dus ik wist dat het mijn eigen bloed moest zijn.
[betrokkene 3], [betrokkene 2], [betrokkene 5], [betrokkene 7] en ik waren gewond geraakt. We zijn met onze eigen bus naar het LUMC te Leiden gegaan. Dit is een ziekenhuis. Ik denk dat we rond 05.00 uur in het LUMC aankwamen. [betrokkene 2] werd direct opgenomen. [betrokkene 2] heeft ook letsel aan het gezicht, hoofd en aan zijn ribben. [betrokkene 3] heeft vocht onder zijn ogen zitten. [betrokkene 5] heeft een dikke lip en [betrokkene 7] is niet in het ziekenhuis geweest.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 24 t/m 26) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2]:
Ik doe aangifte van zware mishandeling dan wel poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft gepoogd mij opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ik verklaar u het volgende:
Op zaterdag 12 mei 2012, omstreeks 13:30 uur ging ik, samen met vrienden naar Nijmegen voor een vrijgezellenfeest. Ik was samen met [betrokkene 4], [betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 1], [betrokkene 6], [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. Er waren nog meer vrienden mee. In totaal waren we met drieëntwintig vrienden.
Op zondag 13 mei 2012, omstreeks 01:45 uur zijn we naar de bus gaan lopen. De bus zou ons weer naar Katwijk brengen. We waren nog wat vroeg. We besloten dat we nog een biertje zouden drinken in een ander café om daar te wachten tot dat het tijd was om te vertrekken. We besloten om een biertje te gaan drinken in een kroeg. Deze kroeg heet [A]. Ik was samen met [betrokkene 1], [betrokkene 6], [betrokkene 3], [betrokkene 5] en nog een andere vriend, waarvan ik niet meer weet wie dat was. De groep van 23 vrienden was uiteen gevallen. Het was inmiddels 02:00 uur. We zijn de kroeg binnen gelopen. Ik zag gelijk dat er mannen waren in de leeftijd van dertig tot zestig jaar. Ik hoorde dat ze gelijk begonnen met schelden. Ik hoorde ze zeggen, “wat komen jullie doen, kankerlijers.”
Ik hoorde dat die gasten bleven schelden. Ik hoorde dat ze nog steeds kankerlijer schreeuwden.
De sfeer sloeg om. We wilden hier niet langer blijven. We liepen de kroeg uit. Ik ging voor het raam staan en gebaarde van wat moeten jullie nou. Ik deed de gebaren met armen. Ik stond met mijn armen omhoog. Ik zag dat er ongeveer twaalf mannen de kroeg uit kwamen lopen. Ik zag dat deze mannen een dreigende houding hadden. Ik zag dat de mannen zich groot maakten. Ik zag dat er een man met een stuk geslagen glas naar buiten kwam lopen. Ik zag ook dat een man een stoelpoot van een kruk in zijn hand had. Ik zag dat hij deze in zijn rechterhand vast hield.
Ik kreeg van een man gelijk een klap voor mijn hoofd. Ik voelde toen erg veel pijn. Ik voelde een bonkende pijn. Ik viel hierdoor op de grond. Ik viel met mijn hoofd op de stoeptegels. Ik zag en voelde toen dat ik een trap in mijn maag kreeg. Ik voelde toen veel pijn in mijn ribben. Ik kreeg ook nog twee trappen op mijn hoofd. Ik heb toen mijn bewustzijn verloren. Ik kwam weer een beetje overeind en toen zag ik in een flits weer een voet komen en toen gaf een andere man mij een trap op mijn hoofd. Ik kwam toen met mijn achterhoofd vol op de stoeptegels terecht. Ik verloor toen weer mijn bewustzijn. Ik weet dat ik diverse trappen op mijn hoofd en in mijn maag heb gekregen. Vrienden hebben nog geprobeerd om er tussen te komen, maar dit lukte niet. Mijn vrienden werden zelf ook in elkaar geslagen. Mijn vrienden hebben hier ook aangifte van gedaan.
[betrokkene 3], [betrokkene 1], [betrokkene 5], [betrokkene 7] en ik waren gewond geraakt. We zijn met onze eigen bus naar het LUMC te Leiden gereden. Ik ben tijdens de terugreis met de bus, nog twee keer mijn bewustzijn verloren. Ik werd gelijk in het LUMC opgenomen. Ik heb een hersenscan gehad. Ik heb van zondag 13 mei 2012, omstreeks 05:30 uur tot maandagmiddag 16:00 uur in het ziekenhuis gelegen. Inmiddels zijn we zeventien (17) dagen verder en heb ik nog erg veel last van mijn nek en heb ik erg veel last van hoofdpijn en voel ik nog een drukkende pijn in mijn zij, bij mijn ribben.
3. De geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene 2], opgemaakt door de arts dr. J.A.J. Lodder op 6 juni 2012, voor zover inhoudende:
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 13/14 mei 2012
Uitwendig waargenomen letsel:
- bloeduitstorting links op het achterhoofd
- schaafwond linkerflank
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja.
Overige van belang zijnde informatie:
- ribkneuzing links
- hersenschudding.
Geschatte duur van genezing: 1-2 weken.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 31 t/m 33) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3]:
Ik doe aangifte van mishandeling. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte pijn en/of letsel. Ik verklaar u daarover het volgende:
Op zaterdag 12 mei 2012 had ik een vrijgezellenfeest van mijn broertje. We zijn vanuit Katwijk vertrokken naar Nijmegen. We waren met een groep van 23 mannen. We hebben daar een gezellige dag gehad met zijn allen. Aan het eind van de avond zijn wij met zijn allen de kroeg in gegaan. Omdat we met een grote groep waren was de groep in tweeën verdeeld en waren we naar verschillende kroegen gegaan. We zouden om 03:00 uur met de bus terug naar Katwijk gaan.
Op zondag 13 mei 2012 omstreeks 02:30 uur liepen we de kroeg uit om op weg te gaan naar de bus. Er moest nog een man komen. Ik zag deze iets verderop nog aan het discussiëren was met een andere jongen. Hij heet [betrokkene 2]. Ik zag dat de gemoederen daar steeds hoger opliepen, dit zag ik omdat er ook gebaren naar elkaar gemaakt werden.
Ik zag toen dat er uit de kroeg, waar [betrokkene 2] aan het discussiëren was, een groep jongens komen. Ik zag dat [betrokkene 2] zich hierop omdraaide en wegrende. Hij rende in onze richting. Ik zag dat die groep jongens achter [betrokkene 2] aan ging. Ik denk dat er ongeveer een groep van zes man achter hem aan gingen. Ik zag dat een van die jongens, [betrokkene 2] een klap gaf. Ik zag dat [betrokkene 2] op de grond viel. Ik zag dat [betrokkene 2] in de val nog wel zijn handen over zijn hoofd heen deed om zichzelf te beschermen. Ik zag dat [betrokkene 2] op de grond bleef liggen en zich niet meer bewoog. Ik denk dat [betrokkene 2] even buiten bewustzijn is geweest.
Wij zijn toen naar [betrokkene 2] toegerend. Voor mij, liep [betrokkene 1]. Hij kreeg ook een klap van één van de jongens. Ik zag dat hij ook naar de grond viel, Toen hij hierna op probeerde te staan zag ik dat hij een trap in zijn gezicht kreeg. Ik zag dat de dader een harde trap gaf, hiermee bedoel ik dat de dader zijn been naar achteren haalde en deze hard naar voren bracht. Ik zag dat [betrokkene 1] met deze trap geraakt werd aan de rechterzijde van zijn gezicht. Toen ik dit zag gebeuren liep ik in een lichte looppas naar [betrokkene 2] en [betrokkene 1] toe. Ik kreeg toen opeens een klap vanaf de zijkant. Deze klap kwam op mijn linkeroogkas terecht. Ik voelde op dat moment een behoorlijke pijn in mijn gezicht. Ik voelde dat ik geslagen werd met een hard voorwerp, ik denk dat dit met de achterkant van een glas moet zijn geweest. Ik deed mijn hand voor mijn ogen en voelde het warm worden rond mijn ogen. Later zag ik dat het bloedde. Voor mijn linkeroog werd het zwart.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (pagina 44 t/m 46) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5]:
Op 12 mei 2012 is er voor mij een vrijgezellenfeest georganiseerd omdat ik binnenkort ga trouwen. Ik ben met een aantal vrienden en familieleden naar Nijmegen gegaan. De mensen die allemaal mee waren zijn: [betrokkene 11], [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 12], [betrokkene 13], [betrokkene 14], [betrokkene 15], [betrokkene 9], [betrokkene 16], [betrokkene 3], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 17], [betrokkene 18], [betrokkene 8] en [betrokkene 19].
Rond 01:15 uur en 01:30 uur besloot ik met een aantal terug naar de bus te gaan. Degene die met mij mee gingen waren: [betrokkene 11], [betrokkene 2], [betrokkene 1], mijn broer [betrokkene 3] en [betrokkene 6]. We liepen naar de bus toe, maar we waren daar te vroeg voor. Ik ben toen met de groep, welke hierboven vermeld staan, een kroeg genaamd [A] binnen gegaan.
We kwamen binnen en mensen die al in het café zaten keken ons scheef aan alsof ze wilden zeggen wie zijn jullie! Binnen heb ik wel wat gedronken. Ik denk dat we hooguit 15 minuten binnen zijn geweest.
Ik liep naar buiten toe. Het enige wat ik nog kan herinneren is dat ik [betrokkene 2] aan de overkant van het café op straat lag. Het was mij al snel duidelijk dat [betrokkene 2] door iemand geslagen was en dusdanig hard dat hij knock-out op straat lag. Ik zag dat twee manspersonen nogal opgefokt uit de richting van [betrokkene 2] gelopen kwamen. Beide mannen liepen terug naar het café. De mannen die ik zag waren een blanke kale man met een roze shirt en een negroïde man welke donker was gekleed. Beide mannen schat ik tussen de 30 en 35 jaar oud. Beide mannen waren gespierd. Ik ken beide mannen niet en heb ze nog nooit eerder gezien.
Ik liep snel naar [betrokkene 2] toe en zag dat hij echt knock-out op de grond lag. Hij reageerde bijna niet of matig op aanspreken. Ik raakte een soort van in paniek en vroeg aan de uitsmijter van een kroeg naast de plek waar [betrokkene 2] lag of hij een ambulance wilde bellen. Ik denk dat de uitsmijter dat uit eindelijk ook heeft gedaan maar het duurde voor mijn gevoel te lang.
Ik draaide me op een gegeven moment om en zag mijn broer [betrokkene 3] met zijn hand zijn linkeroog bedekken. Ik heb in eerste instantie niet gezien of [betrokkene 3] een bebloed oog had. Hij stond op een meter of 10 van mij vandaan. Achter [betrokkene 3] zag ik [betrokkene 1] op de grond liggen. Ook nu was het mij al snel duidelijk dat zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 1] geslagen waren. Later hoorde ik dat [betrokkene 3] een glas in zijn oog had gekregen en dat [betrokkene 1] door die blanke kale man in het roze shirt geslagen was. Toen ik zag dat [betrokkene 1] op de grond lag ben ik meteen naar hem toegelopen. Onderweg zag ik dat [betrokkene 11] mij voorbij gerend kwam en dat vlak achter hem die blanke kale man met dat roze shirt achter [betrokkene 11] aan rende. Ik schreeuwde nog naar die man: WAAR BEN JIJ NU MEE BEZIG of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de man mij passeerde. Ik zag en voelde dat de man in het passeren mij een klap in mijn gezicht gaf. Ik voelde meteen pijn. Door de klap viel ik achteruit op de grond. De volgende dag zag ik dat mijn lippen blauw en dik waren. Ik heb niet gezien hoe de man mij heeft geslagen. Ik voelde wel dat hij mij sloeg. Hij was namelijk de enige die op het moment van de klap voorbij mij rende.
De politie kwam ter plaatse gekomen en heeft de blanke kale man met het roze shirt aangehouden.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 70 t/m 71) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte [verdachte]:
Ik ben gisteravond, zaterdag 12 mei 2012, omstreeks 23.30 uur naar de stad gegaan. Eenmaal in de stad zijn we gelijk naar café [A] aan de In de Betouwstraat gegaan. Op een gegeven moment kwam er een groep jongens van een man of 5 à 6 binnen. Op een gegeven moment kwamen ze voorbij ons lopen, terwijl ze de kroeg uitliepen. Eén jongen irriteerde mij. Op een gegeven moment zijn wij met zijn vieren naar buiten gelopen. Ik was die gasten helemaal zat, ik was er klaar mee. Die jongen en de rest van die groep stond nog steeds voor de deur. Ik ben gelijk op die bewuste jongen afgerend en heb hem pootje gehaakt, waardoor hij op de grond viel. Op het moment dat hij op de grond lag, heb ik hem blindelings een trap gegeven. Ik weet niet waar ik hem geraakt heb.
Ik droeg een roze T-shirt.”
6. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs voorts nog het volgende overwogen:
“Door de raadsman is aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat dat verdachte zich bewust is geweest van openlijke geweldpleging. Verdachte is naar buiten gelopen en heeft zich alleen op één jongen gefocust. Hij heeft niet gezien wat zijn broer en anderen hebben gedaan.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de vele verklaringen van verschillende getuigen waaruit de gezamenlijkheid van de groep blijkt, het ook door anderen gepleegde geweld verdachte niet kan zijn ontgaan. Temeer nu volgens de zich in het dossier bevindende stukken verdachte samen met een groep uit het café is komen rennen en er direct door verdachte en verschillende andere leden van de groep geweld is uitgeoefend.
Het hof acht het gelet op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet aannemelijk dat verdachte zich er niet bewust van zou zijn geweest dat er openlijk en met vereende krachten geweld werd uitgeoefend.”
7. Tot de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 2000,
Stb. 173 op 12 mei 2000 sprak art. 141 Sr Pro over het ‘met verenigde krachten’ plegen van geweld; thans is strafbaar het ‘in vereniging’ plegen van geweld. Aangezien deze wetswijziging was gericht op verruiming van het bereik van art. 141, geldt bij de uitleg van het begrip ‘in vereniging’ nog steeds wat vroeger voor de uitdrukking ‘met verenigde krachten’ gold. Evenals bij ‘verenigde personen’ is voor ‘verenigde krachten’ nodig dat de daders weten dat anderen aan het feit - het geweld derhalve - deelnemen. [2] In andere woorden, de pleger van openlijk geweld moet zich ervan bewust zijn dat hij niet in zijn eentje opereert. [3]
Voorts is vaste rechtspraak dat van het in ‘vereniging’ plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. [4]
8. Tegen de achtergrond van het bovenstaande en in het licht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen getuigt het oordeel van het hof dat het - vrij vertaald - niet anders kan dan dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de omstandigheid dat anderen eveneens aan het openlijke geweld deelnamen en derhalve op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de gezamenlijkheid van dat openbare geweld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het geenszins onbegrijpelijk. Met name in het licht van verdachtes eigen verklaring (bewijsmiddel 6) waarin hij uitdrukkelijk aangeeft deel te hebben uitgemaakt van een groep die het café uitging en het er in elk geval verdachte zelf om te doen was de confrontatie te zoeken, beschouwd in samenhang met de andere bewijsmiddelen die getuigen van meerdere mannen, waaronder verdachte, die (gewapend) het café uitkwamen en onmiddellijk daarop geweld uitoefenden tegen verschillende slachtoffers, behoefde het oordeel van het hof geen - ook niet in de licht van het gevoerde verweer - nadere motivering.
9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
10. Het
tweede middelklaagt dat het hof niet de redenen heeft opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf.
11. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
12. Het bestreden arrest houdt als motivering van de straf het volgende in:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich op 13 mei 2012 te Nijmegen samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen meerdere personen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de lichamelijke integriteit van de slachtoffers aangetast. Dergelijk openlijk gewelddadig optreden is in het algemeen en in groepsverband in het bijzonder zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 20 mei 2015 waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof bij de oplegging van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden.
Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Verdachte heeft op 17 mei 2013 hoger beroep ingesteld en op 1 juli 2015 wijst het hof arrest in deze zaak. Gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn laat het hof het bij de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en zal het aan die overschrijding geen rechtsgevolgen verbinden.
Alles overwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.”
13. De raadsman heeft bij pleidooi het volgende strafmaatverweer gevoerd:
“Zonder dat dit aan de verdediging te wijten is, is de redelijke termijn van de behandeling in hoger beroep overschreden nu er meer dan twee jaar is verstreken sinds de veroordeling van de politierechter op 7 mei 2013. De overschrijding van de redelijke termijn dient wat de verdediging betreft tot strafvermindering te leiden, te meer nu eveneens feitelijk vast is komen te staan dat cliënt sinds het feit in 2012 niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Cliënt is namelijk ook erg geschrokken van het hele gebeuren en heeft zijn leven aantoonbaar gebeterd. Als cliënt vier maanden de gevangenis in moet, raakt hij zijn inkomen kwijt en dus zijn woning omdat hij de huur niet meer kan betalen, zulks terwijl hij na een nare vechtscheiding het een en ander ook financieel weer op de rit heeft. Het is een feit van algemene bekendheid dat huisvesting en inkomen bij uitstek recidivebeperkingen factoren kunnen zijn, in het geval van cliënt is dat aantoonbaar zo. Nu cliënt al meer dan drie jaar niet met de politie in aanraking is gekomen - daar waar dat in het verleden schering en inslag was - gaat van het in stand laten van de situatie van cliënt qua inkomen en huisvesting drie jaar na dato een betere generale en preventieve werking uit dan cliënt simpelweg opsluiten. Cliënt is in staat een werkstraf te verrichten.”
14. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de bepaling van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. [5] Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv dient de rechter het opleggen van de vrijheidsstraf in het bijzonder te motiveren. In cassatie kan deze motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. [6]
15. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof het aangevoerde alleen opgevat als een algemeen verzoek tot matiging van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden. [7] Tegen deze achtergrond ligt dan de vraag voor of de motivering van het hof de toets in cassatie kan doorstaan, waarbij ik in het bijzonder in ogenschouw neem dat (1) het hof niet slechts gebruik heeft gemaakt van de standaardoverweging [8] , maar uitvoerig is ingegaan op de ernst van het feit en de impact op slachtoffers en samenleving, het hof (2) daarbij laat meewegen dat verdachte over een aanzienlijk strafblad beschikt, waaruit blijkt dat hij meerdere malen voor diverse vormen van geweldpleging veroordeeld is en dienaangaande reeds eerder taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd heeft gekregen [9] en voorts (3) verwijst naar de LOVS richtlijnen [10] . Je zou kunnen betogen dat hierin besloten ligt dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een werkstraf, maar een gevangenisstraf passend en geboden is. En het hof aldus zou hebben voldaan aan de eis in de strafmotivering in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van de vrijheidsbenemende straf hebben geleid. Zoals ik al eens eerder heb uiteengezet [11] is mijn indruk evenwel dat in de latere rechtspraak van Uw Raad deze wat soepele benadering is verlaten en dat thans geldt dat uit het arrest expliciet moet blijken dat het hof aandacht heeft gehad voor de bijzondere eisen voor de vrijheidsbenemende straf en het hof uitdrukkelijk een signaal moet geven art. 359, zesde lid, Sv voor ogen te hebben gehad. Dat is hier niet gebeurd en in die lijn treft het middel derhalve doel. [12]
16. Het middel slaagt.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de door het hof gehanteerde bewijsconstructie zijn de tikfouten verwijderd.
2.(Letterlijk) in Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 4 op art. 141 Sr Pro (bijgewerkt tot 14 oktober 2014).
3.Zie de (uitgebreide) conclusie van Knigge van 14 mei 2013 voor HR 2 juli 2013: ECLI:NL:PHR:2013:89.
4.Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132,
5.A.J.A. van Dorst,
6.Vgl. de conclusie van Machielse van 17 juni 2008 voor HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4870,
7.En in het aangevoerde dus geen uos gezien. Derhalve is hier alleen de motiveringseis van art 359, zesde lid, Sv van toepassing (aan welke eis in het algemeen genomen sneller zal zijn voldaan), zie
8.Dat is namelijk, ook in combinatie met het aanhalen van de rechter van een strafblad met eerdere veroordelingen voor gelijksoortige feiten, niet voldoende om de oplegging van een vrijheidsbenemende straf te motiveren: HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6411.
9.Onder meer voor mishandelingen en bedreiging met geweld, vgl. het uittreksel Justitiële Documentatie van 20 mei 2015. De ernst van het feit en de maatschappelijke impact in samenhang met het strafblad van de dader geven hier de doorslag, zo begrijp ik het hof. Dit in tegenstelling tot de twee zaken die hebben geleid tot de in het middel aangehaalde arresten (HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3061 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3702) waar het verdachten betrof die niet eerder ter zake van soortgelijke feiten waren veroordeeld, dan wel in het geheel geen strafblad hadden. In die zaken was de motivering van het hof, die voornamelijk zag op de ernst van het feit en de maatschappelijke gevolgen, niet voldoende om de vrijheidsstraf te motiveren.
10.Raadpleging van de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken wijst uit dat gebruikelijk is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op te leggen bij ‘openlijke geweldpleging, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend’. De geraadpleegde versie dateert van februari 2011, de versie die gold ten tijde van de pleegdatum.
11.Vgl. mijn conclusie van 30 juni 2015, voor HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580,
12.Zie voor de eisen bij strafmaatverweren de serie arresten die Uw Raad op 17 maart 2015 heeft gewezen: HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:635, 637 en 642,