Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair, dat het teeltsysteem als hecht verbonden bestanddeel van het bedrijfsgebouw ex art. 3:4 lid 2 BW Pro onder haar hypotheekrecht viel, en
subsidiair, dat het onder haar pandrecht viel.
primairop haar pandrecht (
grief I) en
subsidiairop haar hypotheekrecht (
voorwaardelijke grief II) heeft beroepen.
voorwaardelijk incidentele griefstrekt tot betoog dat de totstandkoming van een pandrecht reeds is verhinderd door het door Meteor bedongen verpandingsverbod. Rabobank heeft daartegen verweer gevoerd.
3 Het pandrecht van de bank
2.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
toekomstigezaak
bij voorbaatis verpand, zodat het door de volledige voldoening van de kooprijs na datum faillissement onbezwaard in de boedel is gevallen (art. 35 lid 2 Fw Pro). Het valt uiteen in twee subonderdelen (1a en 1b).
voorwaardelijke eigendomvan het teeltsysteem heeft verkregen, op welke voorwaardelijke eigendom Rabobank door voltooiing van de vestigingsformaliteiten op 30 december 2008 terstond een
onvoorwaardelijk pandrechtheeft verkregen.
subonderdeel 1bhet volgende aangevoerd. De door Meteor tot stand gebrachte overdracht onder opschortende voorwaarde bracht mee dat Revadap vanaf het moment dat zij de macht over het teeltsysteem had verkregen, bevoegd was om over dat teeltsysteem te beschikken onder dezelfde voorwaarde als waaronder de overdracht aan haar had plaats gevonden. Toen op 30 december 2008 aan de formaliteiten voor de vestiging van het pandrecht werd voldaan, heeft Rabobank derhalve terstond een
voorwaardelijk pandrechtverkregen
op de eigendomvan het teeltsysteem (d.w.z. een pandrecht onder de opschortende voorwaarde van de betaling van de koopprijs aan Meteor). Toen Rabobank het laatste gedeelte van de koopprijs van het teeltsysteem voldeed, viel de eigendom van het teeltsysteem onvoorwaardelijk in de boedel en werd daarmee tegelijkertijd het pandrecht van Rabobank daarop onvoorwaardelijk. 's Hofs oordeel dat Rabobank geen geldig pandrecht op het teeltsysteem heeft verkregen, is om deze reden rechtens onjuist. Zo nodig had het hof deze rechtsgrond op grond van art. 25 Rv Pro ambtshalve moeten bijbrengen.
vordering tot overdracht van de onvoorwaardelijke eigendomvan het teeltsysteem jegens Meteor, welke vordering Rabobank door voldoening van het resterende deel van de koopprijs heeft geïnd, zodat het pandrecht van rechtswege op het geïnde (het teeltsysteem) is komen te rusten (art. 3:246 lid 5 BW Pro). Anders dan het hof heeft geoordeeld, is niet relevant dat op Meteor geen verbintenis rustte om de eigendom aan de
bankte verschaffen. Onjuist is voorts het oordeel van het hof dat geen sprake was van een vorderingsrecht van Revadap op Meteor op de grond dat Meteor reeds alles zou hebben verricht wat nodig was voor de overdracht. Meteor had wel degelijk verplichtingen jegens Revadap om ervoor te zorgen dat de onvoorwaardelijke eigendom zou worden overgedragen aan Revadap, zoals bijvoorbeeld het in ontvangst nemen van het restant van de koopprijs en het zich onthouden van tussentijdse beschikkingshandelingen ten gunste van derden. Zou Meteor deze verplichtingen schenden, dan kon Revadap geen onvoorwaardelijk eigenaar worden, aldus onderdeel 2.
wenselijkis dat faillissementsbestendige verpanding van onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken tot de juridische mogelijkheden behoort. Ook in de literatuur hebben verschillende auteurs zich uitgelaten over de maatschappelijk-economische wenselijkheid van de mogelijkheid om de als gevolg van gedeeltelijke betaling verworven (groeiende) vermogenswaarde te gelde te maken of als onderpand te doen strekken voor financiering door derden. [9] De wenselijkheidsvraag is echter te zeer verweven met de tegengestelde belangen van betrokkenen – de boedel, de kredietzoekende en de bank – om daarover een min of meer neutraal standpunt te kunnen innemen. Voor zowel positieve als negatieve beantwoording van die vraag valt in dit verband wat te zeggen. Curatoren klagen niet ten onrechte [10] over het grote aantal lege boedels, en banken stellen zich op het niet onverdedigbare standpunt dat het aan hun kredietverlening te danken is dat de onderneming überhaupt heeft kunnen bestaan. Geen van beide standpunten dringt zich ontegenzeggelijk op als het beste. [11] In hoeverre banken daadwerkelijk bereid en in staat zijn te financieren (mede) op basis van zekerheden op de door hun cliënten onder eigendomsvoorbehoud verkregen zaken – daartoe lijkt het noodzakelijk zowel de (leveringscondities van de) voorraden als de schulden aan de leveranciers nauwlettend te volgen – kan ik voorts niet verifiëren. Dat geldt a fortiori voor de financieel-economische betekenis van deze financieringsvorm. In het onderstaande zal ik mij dan ook beperken tot de juridische merites van de zaak.
voorwaardelijk recht.Gaat het bijvoorbeeld om een overdracht onder ontbindende voorwaarde, dan leidt vervulling van de voorwaarde ertoe dat – zonder terugwerkende kracht (art. 3:38 lid 2 BW Pro) – niet alleen het recht van de verkrijger verdwijnt, maar, gelet op het nemo-plusbeginsel, ook het recht van allen die hun recht van de verkrijger afleiden, aldus de toelichting. [13]
voorwaardelijk eigenaar, doch of hij ook bezitter wordt, kan worden betwijfeld. Hij is immers, zolang de voorwaarde niet is vervuld, ingevolge deze rechtsverhouding verplicht voor de vervreemder te houden, die
eigenaaris gebleven, zij het onder dezelfde, doch hier
ontbindende, voorwaarde. Het nieuwe artikel (3:91) lost deze moeilijkheid op door te bepalen dat levering ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht onder opschortende voorwaarde van de in artikel (3:90) bedoelde goederen geschiedt door aan de verkrijger de macht over het goed te verschaffen. Gelijk in het eerste lid van artikel (3:90) duidt de term “macht” op het ter beschikking hebben van de zaak, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een ander.” [14]
terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaardecorrespondeert en die men in de terminologie van titel 3.5 nog geen bezit kan noemen. Niet kan worden ontkend dat deze constructie ook zonder uitdrukkelijke bepaling voor toepassing in aanmerking zou komen, omdat zij het beste in het stelsel van de wet past en tot redelijke resultaten leidt. Uit het voorgaande moge echter duidelijk zijn dat de wetstoepasser hier gemakkelijk op een dwaalspoor kan raken, makkelijker dan in het huidige recht waar artikel 667 BW Pro geen ‘bezitsverschaffing’ maar ‘enkele overgave’ eist. Daarom is de voorkeur eraan gegeven om de uitdrukkelijke bepaling van artikel (3:91) in te voegen.
voorwaardelijke aard van het recht van de verkrijgeropgesloten. (…)
voorwaardelijk eigendomsrechtontstaan. (…) [15]
eigendom onder ontbindende voorwaarde.” [16]
te verbinden tot overdracht van de zaak onder opschortende voorwaarde van voldoening van de tegenprestatie. Aldus geconstrueerd behelst het eigendomsvoorbehoud een geval als verondersteld in art. 3:91: het Pro bestaan van een verbintenis tot overdracht onder opschortende voorwaarde. Partijen kunnen het eigendomsvoorbehoud echter op een andere wijze construeren. [17]
toekomstigezaak, ten aanzien waarvan hij niet beschikkingsbevoegd is. In deze visie kan de koper over door de verkoper in eigendom voorbehouden zaak slechts
bij voorbaatbeschikken (art. 3:97 en Pro 3:98 BW). De vermogensovergang of vestiging wordt geblokkeerd indien de koper op het tijdstip waarop de voorwaarde in vervulling gaat, in staat van faillissement verkeert (art. 23 en Pro art. 35 lid 2 Fw Pro). [20]
verwachting(‘Anwartschaft’) en niet, anders dan het door hen als ongelukkig geformuleerd aangemerkte art. 3:84 lid 4 BW Pro suggereert, van een subjectief
recht(‘Anwartschaftsrecht’). De term ‘voorwaarde’ in het begrip ‘opschortende voorwaarde’ bij het eigendomsvoorbehoud betekent niets meer dan dat de koper nu (nog) geen eigendomsrecht heeft, maar dat hij
mogelijkop een later tijdstip gerechtigde wordt. Het is in het geheel niet zeker dat het ooit tot een volwaardig en onvoorwaardelijk eigendomsrecht komt. [21] Overdracht en verpanding van een dergelijke loutere verwachting worden in strijd geacht met het wettelijk systeem. Daarom is het gebruik van de term ‘voorwaardelijk eigendomsrecht’, hoeveel beeldende kracht deze ook heeft, in wezen nietszeggend. [22] Volgens Wibier en Smid berust de omschrijving ‘voorwaardelijke eigendom’ op een fictie, een didactisch hulpmiddel dat weliswaar nuttig kan zijn om de rechtsverhouding tussen de leverancier en de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud te beschrijven, maar waaraan overigens een beperkte juridische betekenis toekomt. Degene die een recht onder opschortende voorwaarde heeft, is nu eenmaal geen eigenaar en/of rechthebbende zolang die voorwaarde niet in vervulling is gegaan; zijn ‘voorwaardelijke eigendom’ betreft toekomstige zaken waarover hij slechts bij voorbaat kan beschikken. Weliswaar heeft de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud een sterk recht – in dier voege dat bij faillissement van de vervreemder het fixatiebeginsel niet verhindert dat de voorwaarde in vervulling gaat en de eigendom overgaat –, maar deze sterke positie heeft uitsluitend betrekking op de rechtsverhouding tussen de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud en diens leverancier en zegt niets over de gevolgen van een faillissement van de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud wanneer deze op zijn beurt gaat bezwaren of vervreemden. Het gaat volgens hen om verschillende kwesties die afzonderlijk moeten worden beoordeeld. De verkrijger onder eigendomsvoorbehoud wordt door betaling tijdens zijn eigen faillissement eerst op dat moment onvoorwaardelijk eigenaar en tot die tijd gaat het om toekomstige goederen, die daarmee gewoon onder de werking van art. 35 lid 2 Fw Pro vallen. Subsidiair betogen Wibier en Smid dat, zelfs als het technisch-juridisch mogelijk zou zijn om de voorwaardelijke eigendom te verpanden, de Hoge Raad ter bescherming van het belang van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement het fixatiebeginsel zou kunnen – en moeten – toepassen, zulks teneinde te bewerkstelligen dat er geen pandrecht tot stand komt wanneer de koopprijs van het onder eigendomsvoorbehoud geleverde goed pas tijdens faillissement wordt voldaan. Ten slotte betogen zij dat het uiteindelijk aan de wetgever is om de verschillende belangen af te wegen en het ‘voorwaardelijk eigendomsrecht’ tot een overdraagbaar vermogensrecht te promoveren. [23]
vorderingsrecht tot voltooiing van de overdracht(onder voorwaarde van voldoening) jegens de verkoper heeft. Overdracht van de positie van de koper kan dan geschieden door middel van overdracht van dit vorderingsrecht, waarbij levering plaatsvindt door middel van cessie (art. 3:94 BW Pro). [28] In dit alternatief wordt het overeengekomene aldus uitgelegd dat de verkoper zich heeft verplicht tot verschaffing van de onvoorwaardelijke eigendom (art. 7:9 lid 1 BW Pro), aan welke verplichting hij nog niet heeft voldaan. Hij heeft weliswaar alle activiteiten verricht die van zijn zijde nodig waren, maar is daardoor nog niet bevrijd van zijn resterende ‘passieve’ verplichting. [29]
goederenrechtelijke positieheeft verworven met betrekking tot de in eigendom voorbehouden zaak, over welke positie hij ook dient te kunnen beschikken. Die eigen goederenrechtelijke positie wordt afgeleid uit het feit dat de eigendomsverwachting van de koper ‘ijzersterk’ gewaarborgd is in die zin dat (i) de koper bij vervulling van de voorwaarde van rechtswege eigenaar wordt van de zaak, (ii) tussentijdse wilswijziging van de verkoper dat niet kan voorkomen, (iii) de koper vanaf het moment van levering conform art. 3:91 BW Pro bescherming geniet tegen beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper, (iv) latere beschikkingen door de verkoper hem (behoudens derdenbescherming) niet kunnen worden tegengeworpen en (v) ook een faillissement of beslag ten laste van de verkoper hem niet kan worden tegengeworpen. [34]
sui generis’, enigszins vergelijkbaar met het Duitse Anwartschaftsrecht. [36] Deze aanspraak zou kunnen worden overgedragen en bezwaard, waarbij een faillissement van de koper voordat de voorwaarde in vervulling is gegaan, de verkrijging door de derde niet kan frustreren. [37] Bij deze figuur is als kanttekening gemaakt dat een nieuwe figuur in het Nederlandse recht zou worden geïntroduceerd, terwijl voorts vragen kunnen worden gesteld bij de verenigbaarheid van een dergelijke overdraagbare aanspraak met de strekking van art. 3:84 lid 3 BW Pro en het gesloten stelsel [38] en bij haar overdraagbaarheid (art. 3:83 BW Pro). Verder wordt de wijze van levering problematisch geacht. Ten slotte roept ook deze visie de vraag op wat er met het pandrecht op het recht sui generis gebeurt zodra de koopprijs volledig wordt voldaan en de koper door vervulling van de opschortende voorwaarde de eigendom verwerft. Het object van verpanding gaat dan teniet en het pandrecht komt te vervallen. Zonder wettelijke grondslag valt niet goed in te zien op welke wijze het pandrecht op de zaak zou komen te rusten. [39]
wilsrecht, op grond waarvan de koper door eenzijdige wilsuiting – betaling – zelfstandig bewerkstelligt dat hij de eigendom verkrijgt. Als sluitstuk van de redenering geldt hier dat uitoefening van het pandrecht door de pandhouder analoog aan art. 3:246 lid 5 BW Pro tot gevolg heeft dat uiteindelijk een pandrecht op de zaak zelf komt te rusten. [40]
beperkt recht. Daartoe wordt aangevoerd dat het rechtsgevolg van een overdracht onder opschortende voorwaarde is dat de koper een bevoegdheid verkrijgt ten aanzien van de zaak, die door betaling automatisch uitgroeit tot eigendom. De kwalificatie van het eigendomsverwachtingsrecht als beperkt recht biedt bovendien het voordeel dat het recht eenvoudig in het systeem kan worden ingepast voor wat betreft kwesties als de wijze van overdracht (art. 3:98), derdenbescherming, etc. Bovendien kan het worden verpand; door de vervulling van de voorwaarde zou een pandrecht ontstaan op de zaak zelf. [41] Tegen deze zienswijze kan onder meer worden ingebracht dat geen sprake is van een inhoudelijke beperking van het eigendomsrecht van de verkoper. Hangende de voorwaarde behoudt hij als volledig, zij het voorwaardelijk rechthebbende alle eigenaarsbevoegdheden. [42]
bevoegdheidwordt verleend om over de
zaak zelfte
beschikken onder dezelfde voorwaardeals waaronder de overdracht aan hem heeft plaatsgevonden. Voor deze ‘machtigingstheorie’ [43] wordt aansluiting gezocht bij het arrest van Uw Raad van 14 januari 2011 [44] . Bij overdracht door de koper onder genoemde voorwaarde bestaat de titel uit de op de koper rustende verbintenis tot overdracht onder opschortende voorwaarde van de vervulling van de prestatie waartoe hij zich tegenover de verkoper heeft verplicht. Daarom volstaat voor levering machtsverschaffing als bedoeld in art. 3:91 BW Pro. Door betaling van het (restant) verschuldigde kan de derde de eigendom rechtstreeks naar zich toe trekken, dus ook in geval van faillissement van de koper. Evenals de koper bevoegd is tot ‘overdracht onder opschortende voorwaarde’, is hij ook bevoegd tot ‘verpanding onder opschortende voorwaarde’. Betaling zou, ook na faillietverklaring van de koper, niet alleen van rechtswege de eigendom op de koper doen overgaan, maar tegelijkertijd ook van rechtswege een stil pandrecht doen ontstaan ten behoeve van de derde. Daarbij maakt het niet uit of het de curator dan wel de derde is die betaalt. [45]
voorwaardelijk eigendomsrecht,dat bovendien vatbaar is voor (onvoorwaardelijke) vervreemding en bezwaring. Ik sluit mij bij deze visie aan, zulks op grond van het volgende.
zelfstandig subjectief vermogensrecht(art. 3:6 BW Pro) valt te ontlenen aan de tekst van art. 3:84 lid 4 BW Pro, die gewag maakt van een aan een voorwaarde onderworpen “recht”. De in die bepaling gebruikte formulering (levering ter uitvoering van een “voorwaardelijke verbintenis”) moge nog ongelukkig zijn [50] , met name uit de later (eerst bij Memorie van Antwoord) voorgestelde artikelen 3:91 en 3:92 BW en de daarbij behorende toelichting blijkt dat de wetgever in geval van overdracht onder eigendomsvoorbehoud een “overdracht onder opschortende voorwaarde” voor ogen heeft gestaan, als gevolg waarvan een “zakenrechtelijke positie” [51] respectievelijk een “terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde” c.q. “voorwaardelijk eigendomsrecht” [52] wordt verworven door de koper, die zich “voorwaardelijk eigenaar” [53] mag noemen. Zie de hiervoor onder 2.10 opgenomen citaten. [54] [55]
geleverd, wordt verschillend gedacht.
verkoper onder eigendomsvoorbehoud zijn voorbehouden eigendom kan overdragen aan een derde [63] , waarbij levering volgens de wetgever plaatsvindt overeenkomstig art. 3:90 lid 1 BW Pro. [64] Uitgaande van de gedachte dat het voor de hand ligt om aan te nemen dat ten aanzien van zowel het eigendomsrecht van de vervreemder (onder ontbindende voorwaarde) als dat van de verkrijger (onder opschortende voorwaarde) dezelfde leveringsvoorschriften gelden, wordt betoogd dat ook de levering door de koper dient te geschieden op de wijze als in art. 3:90 lid 1 BW Pro bepaald. De verkrijger onder eigendomsvoorbehoud heeft de zaak in zijn macht – hij is immers houder [65] – en kan aan een derde het bezit van de zaak verschaffen op analoge wijze als voor de overdracht van bezit is bepaald. [66]
pandrecht. De pandhouder verwerft daardoor terstond een onvoorwaardelijk pandrecht op het voorwaardelijke eigendomsrecht van de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud. [75] Daarbij wordt het vestigingsvereiste niet als problematisch ervaren: algemeen wordt aangenomen dat vestiging kan plaatsvinden door machtsverschaffing (art. 3:236 lid 1 BW Pro) of door middel van een onderhandse, geregistreerde akte of een authentieke akte (art. 3:237 lid 1 BW Pro). [76]
subonderdeel 1adient te slagen.
subonderdeel 1b(aansluitend bij de door Reehuis vanaf 2013 bepleite ‘machtigings’constructie [80] , waarover hiervoor onder 2.23) en
onderdeel 2(aansluitend bij de voorheen door Kortmann bepleite ‘cessie’constructie [81] , waarover hiervoor onder 2.19) geen afzonderlijke bespreking behoeven.
onderdeel 3.
3.Beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Voordat de eigendom van de producten op wederpartij is overgegaan, is wederpartij niet gerechtigd de producten (…) aan derden te verpanden (…)”. [82]
“Dat sluit niet uit dat zij op het teeltsysteem een pandrecht vestigde (…)”in rov. 3.7, het beroep van [verweerder] op het verpandingsverbod heeft verworpen en klaagt dat dit onjuist is, nu het verpandingsverbod goederenrechtelijke werking heeft en er derhalve geen geldig pandrecht kon worden gevestigd.
4.Conclusie
- in het principaal beroep tot vernietiging, en
- in het voorwaardelijk incidenteel beroep tot verwerping.