Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
Feiten
3.Het geding in cassatie
(Toelichting op) wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende is eigenaar en exploitant van een recreatiepark met onder meer recreatiechalets, caravans en voorzieningen, gelegen in een gebied waar permanente bewoning niet is toegestaan. De heffingsambtenaar heeft het park aangemerkt als niet-woning en daarop onroerendezaakbelasting (OZB) geheven tegen het hogere tarief voor niet-woningen. Belanghebbende betwist deze kwalificatie en stelt dat de recreatiewoningen als woningen moeten worden aangemerkt, met toepassing van het lagere tarief en vrijstelling van gebruikersheffing.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat een onroerende zaak slechts als woning kan worden aangemerkt indien deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. Aangezien permanente bewoning op het recreatiepark niet is toegestaan, kwalificeert het park niet als woning. Belanghebbende stelt in cassatie dat deze maatstaf onjuist is en dat de recreatiewoningen, gelet op hun uitrusting en gebruiksmogelijkheden, wel degelijk als woningen moeten worden aangemerkt.
De Advocaat-Generaal concludeert dat het oordeel van de Rechtbank onjuist is, omdat het niet aankomt op het al dan niet duurzaam verblijf van de gebruiker, maar op de fysieke en objectieve geschiktheid van de onroerende zaak als woning. De Hoge Raad volgt deze lijn en bevestigt dat het criterium voor het woningbegrip niet afhankelijk is van gemeentelijke bestemmingen of het verbod op permanente bewoning, maar van de aard en inrichting van de onroerende zaak. Het arrest verduidelijkt de toepassing van het woningbegrip in het kader van de OZB en de tariefdifferentiatie tussen woningen en niet-woningen.
Uitkomst: Het recreatiepark wordt als woning aangemerkt voor de OZB, waardoor het lagere tarief en de vrijstelling van gebruikersheffing van toepassing zijn.