Conclusie
1.De feiten
Stcrt.1968, nr. 247) deelneming van de werknemers in het Bedrijfstakpensioenfonds voor het glazenwassers- en schoonmaakbedrijf verplicht is gesteld. Het besluit tot verplichtstelling is gebaseerd op de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (oud) (Wet Bpf), die is vervangen door de met ingang van 1 januari 2001 in werking getreden Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). [2]
stake holdersdie betrekking hebben op de periode vóór de transactiedatum voor rekening en risico van VBG zijn en niet worden overgenomen door Facilicom. In de koopovereenkomst is echter ook bij het bepalen van de koopprijs rekening gehouden met een pensioenachterstand.
“Pensioenachterstand”. Binnen een (1) week na ontvangst van deze opgaaf zal Koper de hoogte van de Pensioenachterstand schriftelijk aan Verkoper meedelen, waarna de omvang ervan overeenkomstig het in Artikel 9 bepaalde Pro als vastgesteld zal komen te gelden. Partijen nemen een wederzijdse inspanningsverplichting op zich om van de pensioenuitvoerder(s) een correcte opgave te verkrijgen en zullen elkaar in dat verband alle assistentie verlenen, analoog aan het in Artikel 19.6 bepaalde.
2.Het procesverloop
1980-1981,16 530 nr. 3) leidt niet tot een ander oordeel en met name niet dat het bij de inning van premies voor het verplichte bedrijfspensioen gaat om een publiekrechtelijke aangelegenheid.
Memorie van Toelichting bij de aanpassing van wetgeving aan de Richtlijn inzake behoud van rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen (oorspronkelijk Richtlijn 77/187/EEG; thans Richtlijn 2001/23/EG):
die werkgever(hof: de overdragende werkgever (cursivering door het hof)) nog gedurende een jaar na de overgang
naast(cursivering door het hof) de verkrijger hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip. Dit volgt ook uit de Memorie van Toelichting bij de aanpassing van de wetgeving aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het behoud van rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, van 14 februari 1977, Kamerstukken II 1979-1980, 15 940, nr. 3, pagina 7, waarin als uitgangspunt is vermeld dat verplichtingen van de oude werkgever overgaan op de nieuwe werkgever, met een extra waarborg en een recht voor de werknemer om de oude werkgever gedurende een jaar na de overgang van de onderneming voor "oude” verplichtingen aan te spreken:
Pensioenen
pagina 37
3.Het cassatiemiddel
(punt 1.4). [11] Een extensieve uitleg is te minder te aanvaarden nu voor de overgang van vorderingen een specifieke rechtsgrond is vereist (punt 1.5);
sub a PW maakt dit niet anders. Die fictie brengt niet mee dat voor de toepassing van art. 7:663 BW Pro een op grond van de Wet Bpf 2000 verplichtgesteld pensioen gelijkgesteld moet worden met een pensioenovereenkomst (punt 1.4).
4.Algemene opmerkingen
Rechtsverhoudingen tussen werkgever, werknemer en pensioenuitvoerder
Een rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer. Deze rechts-betrekking is gebaseerd op de pensioenovereenkomst of – bij verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds – op de daarmee gelijkgestelde rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer inzake pensioen. De pensioenovereenkomst wordt aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde. [21]
Een rechtsbetrekking tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder.Deze rechtsbetrekking is gebaseerd op een uitvoeringsovereenkomst (art. 23 PW Pro) of – bij een verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds – op de wettelijke verplichting voor de werkgever om de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds na te leven (art. 4 Wet Pro Bpf 2000).
Een rechtsbetrekking tussen de pensioenuitvoerder en de deelnemer.Deze rechtsbetrekking ligt in de regel besloten in de rechten die de werknemer als derde kan ontlenen aan de uitvoeringsovereenkomst. [22] Bij verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds is de rechtsbetrekking gegrond op de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds en de wettelijke verplichting voor de deelnemer om deze na te leven (art. 4 Wet Pro Bpf 2000). Uw Raad oordeelde dat een deelnemer in beginsel rechtstreeks aanspraken kan ontlenen aan het reglement van een verplichtgesteld pensioen. Een formele toekenning van aanspraken is daarvoor niet vereist. [23]
De gevolgen van overgang van onderneming voor deze rechtsverhoudingen
TGSS-arrest (ook wel aangeduid als het arrest Gimnasio Deportivo) dat de bijdragen die de vervreemder verschuldigd is aan de algemene socialezekerheidskas op grond van de Richtlijn in beginsel ook overgaan op de verkrijger. Het HvJ EU overwoog daartoe als volgt: [31]
Opvattingen aangaande overgang betalingsverplichting pensioenpremies
tegeneen eigen recht: [60]
verkrijgerkomt de verplichting tot betaling van de premieachterstand te rusten. De verkrijger heeft hiervoor echter een voorziening in de koopovereenkomst (bijvoorbeeld een lagere koopprijs) kunnen bedingen. De
vervreemderis na voldoening van de premieachterstand in de verhouding met het pensioenfonds bevrijd, maar daar staat tegenover dat hij een lagere koopsom zal hebben ontvangen. Het
pensioenfondskan de verkrijger aanspreken voor de premieachterstand en zo de premie incasseren waarop het fonds recht heeft. [68] Dit evenwichtige resultaat wordt niet bereikt als uitsluitend de werknemers de verkrijger van de onderneming kunnen aanspreken tot betaling van de premieachterstand. De werknemers hebben immers geen prikkel om de verkrijger van de onderneming aan te spreken tot betaling van de pensioenachterstand. Het effectueren van dit vorderingsrecht kan dus het beste ‘collectief’ door het pensioenfonds geschieden. Zonder een zelfstandig vorderingsrecht zou het pensioenfonds hiervoor zijn aangewezen op een cessie of lastgeving door de werknemers. Het lijkt tegen deze achtergrond redelijk en wenselijk om aan te nemen dat het pensioenfonds een zelfstandig vorderingsrecht toekomt.
– het geval dat de werknemer zowel voor als na de overgang van onderneming verplicht deelneemt in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds – wel een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger toekomt voor premieachterstanden uit de periode voor de overgang. [69] Er valt ook wel het een en ander af te dingen op de in de literatuur genoemde argumenten
tegenhet aannemen van het eigen vorderingsrecht. Ik loop de argumenten langs:
Wettelijke grondslag.Vooropgesteld zij dat verbintenissen slechts kunnen ontstaan indien dit uit de wet voortvloeit (art. 6:1 BW Pro). Het is daarbij als bekend niet nodig dat elke verbintenis rechtstreeks op enig wetsartikel steunt. In gevallen die niet uitdrukkelijk in de wet zijn geregeld moet de oplossing worden gekozen die in het stelsel van de wet past en aansluit bij de wel uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen. [70] Het onderhavige geval is niet uitdrukkelijk in de wet geregeld. In het systeem van de WOO en de Pensioenwet ligt volgens mij besloten dat het pensioenfonds in de gegeven context – het geval dat de werknemer zowel voor als na de overgang van onderneming verplicht deelneemt in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds – een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger kan uitoefenen. Daarvoor is het volgende van belang:
Oogmerk van werknemersbescherming.Het lijkt mij verder in overeenstemming met de beschermingsgedachte van de regels voor overgang van onderneming om het pensioenfonds een eigen vorderingsrecht jegens de verkrijger toe te kennen. Een premieachterstand kan, zoals aangegeven, (indirect) de belangen van de werknemers/ deelnemers gezamenlijk raken. De reden is dat de pensioenopbouw van de werknemer bij een pensioenfonds niet afhankelijk is van de vraag of de werkgever de premie heeft betaald. Een premieachterstand moet door het pensioenfonds uit eigen middelen worden aangevuld en gaat dus ten koste van het eigen vermogen van het pensioenfonds. Bij een structureel te lage dekkingsgraad kunnen de pensioenen worden gekort (hiervoor 4.5). Door een korting worden de werknemers/deelnemers gezamenlijk in hun belangen geschaad. Het pensioenfonds handelt zo bezien bij het innen van de premies (wel degelijk) in het belang van de werknemers gezamenlijk. Wanneer het pensioenfonds een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger kan uitoefenen, zal de kans vermoedelijk groter zijn dat achterstallige premies alsnog worden geïncasseerd. Het is dus (indirect) in het belang van de werknemers/deelnemers dat het pensioenfonds een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger van de onderneming toekomt voor premie-achterstanden uit de periode voor de overgang.
Ook andere derden zouden op grond van de gevolgde redenering een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger verwerven.Dit argument verdient eveneens nuancering. Mijns inziens moet het zelfstandige vorderingsrecht van het pensioenfonds jegens de verkrijger worden gebaseerd op het stelsel van de WOO en de Pensioenwet. Andere derden dan pensioenuitvoerders (zoals een zorgverzekeraar of een leasemaatschappij) verwerven dus bij overgang van onderneming niet op basis van dezelfde rechtsgrond een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger. Daar komt bij dat de werking van art. 7:663 BW Pro in ieder geval beperkt is tot rechten en verplichtingen die op het moment van de overgang van onderneming voor de werkgever voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen hem en zijn werknemer. Het lijkt (mij) dus niet aannemelijk dat andere derden spoedig een eigen vorderingsrecht jegens de verkrijger van de onderneming zullen kunnen uitoefenen voor schulden die in de periode voor de overgang van onderneming zijn ontstaan.
De premie kan met een dwangbevel bij de vervreemder worden geïnd (art. 21 Wet Pro Bpf 2000).Blijkens de wetsgeschiedenis is de bedoeling van art. 21 Wet Pro Bpf 2000 dat een bedrijfstakpensioenfonds op eenvoudige en weinig kostbare wijze achterstallige premies kan invorderen. [74] Daarmee is echter niet gezegd dat de bevoegdheid om de premie bij dwangbevel te innen voor het pensioenfonds altijd uitkomst biedt. De onderhavige zaak toont aan dat een dwangbevel geen oplossing biedt in het geval van insolventie van de vervreemder van de onderneming. Het ligt tegen die achtergrond niet voor de hand aan te nemen dat de mogelijkheid van inning bij dwangbevel een eigen vorderingsrecht van het pensioenfonds jegens de verkrijger van de onderneming overbodig zou maken. Noch de tekst noch de toelichting van art. 21 Wet Pro Bpf 2000 bieden aanknopingspunten voor een dergelijke lezing. Ook het argument dat het bedrijfstakpensioenfonds op die manier zonder (rechts-)grond een extra verhaalsmogelijkheid verkrijgt, overtuigt mij niet. Dit argument is eerder in een enigszins vergelijkbare zaak door de Hoge Raad gewogen en naar mijn mening terecht te licht bevonden. Die zaak betrof een vennoot die tot het bedrijf was toegetreden, nadat de premieschuld was ontstaan. De vennoot voerde aan dat er geen grond was om het pensioenfonds een extra verhaalsmogelijkheid (jegens hem) te bieden. De Hoge Raad verwierp deze klacht en overwoog daartoe dat de toetreding van de vennoot voldoende grond oplevert voor het ontstaan van deze extra verhaalsmogelijkheid. [75] Ook een overgang van onderneming kan mijns inziens een voldoende (rechts-)grond opleveren voor het ontstaan van een vorderingsrecht van een pensioenfonds jegens de verkrijger voor premieachterstanden uit de periode voor de overgang van onderneming.
due dilligence-onderzoek) kunnen bedingen dat een opgave van de pensioenuitvoerder over het bestaan en de omvang van een (eventuele) premieachterstand wordt verstrekt. De pensioenuitvoerder zal op verzoek van de aspirant-vervreemder gehouden zijn om een dergelijke opgave op te stellen. De (aspirant-) verkrijger zal vervolgens in beginsel op die opgave mogen afgaan (vgl. art. 3:36 BW Pro). Hij kan hiermee bij de onderhandelingen met de vervreemder over de overeenkomst rekening houden.
5.Terug naar de cassatieklachten
onderdeel I onder 2is mijns inziens daarom ongegrond.
onderdeel IIis ingesteld. Het betoogt in essentie dat een op de Wet Bpf 2000 gebaseerd pensioen niet tot de rechten en verplichtingen behoort die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:663 BW Pro. Dit onderdeel faalt op de gronden die zijn genoemd onder 5.2 en 5.5 van deze conclusie. Kort gezegd ziet het onderdeel eraan voorbij dat een verplicht pensioen ingevolge de Wet Bpf 2000 een arbeidsvoorwaarde is die berust op consensus tussen de sociale partners (hiervoor onder 4.22).