Conclusie
goodwill. Het hof is in dat verband uitgegaan van de berekening van de partij die de bewijslast draagt, nu deze berekening door de wederpartij niet voldoende (tijdig) onderbouwd - onder overlegging van voldoende toegankelijke gegevens uit haar administratie - zou zijn betwist. Tegen dat oordeel komen [eisers] met verschillende klachten op.
1.Feiten en procesverloop
“partner 1”en [verweerder 2] (verweerder in cassatie sub 2) als
“partner 2”. In art. 10 van Pro de overeenkomst is bepaald dat partner 2 eerst zal worden aangesproken tot nakoming van de verplichtingen op grond van de overeenkomst, indien en voor zover partner 1 haar verplichtingen jegens de maatschap niet nakomt. De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, ingaande vanaf 15 augustus 2005 en eindigend op 31 december 2006. Partijen hebben de overeenkomst na 31 december 2006 stilzwijgend voortgezet.
“overeenkomst inzake de bij [eiseres 1] gebruikelijke voorwaarden ten aanzien van de productie, declaratie en inning, af- en bijschrijvingen en vergoeding van de partner”(hierna: bijlage 2). Voorts betreft het een bijlage genaamd
“relatiebeding”(hierna: bijlage 4).
“NAVERGADERING MAATSCHAP D.D. 10 MAART 2007. (....) betreft: mogelijke toetreding van [verweerder 2] (...)” [4] . In de notulen staat onder meer:
“bevoorschotting partnerovereenkomst”. In deze bijlage staat onder meer:
“Cliënten kantoor”,
“Eigen cliënten per 15 augustus 2005”en
“Eigen cliënten verworven na 15 augustus 2005”.
“Concept rekening overzicht 2005 (voorlopig)”. In de begeleidende e-mail staat onder meer:
“Beste [verweerder 2] , conform afspraak bijgaand het voorlopige overzicht. Het overzicht is nog ter nadere beoordeling van de raad van bestuur”. In de bij deze e-mail gevoegde bijlage wordt bij
“Beloning [verweerder 2] (voorlopig)”onder meer een onderscheid gemaakt tussen
“Produktie [verweerder 2] op eigen cliënten”,
“Productie assistenten op cliënten [verweerder 2] ”en
“productie [verweerder 2] op andere cliënten*”. Bij het * onderaan de pagina staat:
“BELONING [verweerder 2] (voorlopig)”een bedrag van € 22.286,- vermeld.
“BELONING [verweerder 2] (voorlopig)”staat in deze bijlage een bedrag van € 99.832,- vermeld.
“W. [verweerder 2] ”. In de brief schrijft [eiser 2] onder meer:
“cliënthandler”was, gehonoreerd (rov. 4.9-4.13). Wat betreft de eventuele verschuldigdheid van een
goodwillvergoeding, heeft de rechtbank [verweerders] tot bewijslevering toegelaten, waarbij zij dienen te bewijzen dat de door hen genoemde klanten
“eigen klanten”zijn in de zin van de partnerovereenkomst. Daarvoor is volgens de rechtbank maatgevend of de klant na 15 augustus 2005 als nieuwe klant van de maatschap is geworven uit het persoonlijke netwerk van [verweerders] en komt belang toe aan de vraag of de betreffende klant juist vanwege de aanwezigheid van [verweerder 2] van de dienstverlening van de maatschap gebruik is gaan maken (rov. 4.15). Ten slotte heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 4.16) en tussentijds hoger beroep van haar vonnis toegestaan (rov. 4.17).
primair, dat het hof dit vonnis vernietigt en de zaak terugverwijst naar de rechtbank Zutphen ter verdere afdoening,
subsidiair, dat het hof dit vonnis vernietigt en de zaak zelf afdoet zoals bij appeldagvaarding is gevorderd, en
meer subsidiair, dat het hof een zodanige uitspraak doet als het hof zal vermenen te behoren.
in conventieniet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen voor zover ingesteld tegen [eiser 2] en
in reconventie[eiser 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn reconventionele vorderingen (rov. 2.3, en dictum onder 3.1 en 3.8). De rechtbank heeft de eisvermeerdering van [verweerders]
in conventie- van hun vordering onder 1) van € 321.232,- tot € 382.218,- - en de eisvermeerdering van de maatschap
in reconventie- met een vordering tot betaling van,
primair, een
goodwillsom van € 15.167,09 en,
subsidiair, een boetebedrag van € 7.000,- - aanvaard (rov. 2.4-2.5 respectievelijk rov. 2.6-2.7).
In conventieheeft de rechtbank de maatschap veroordeeld om ter zake van de aan [verweerders] toekomende beloning voor tijdens het bestaan van de partnerovereenkomst gerealiseerde omzet aan [verweerders] te betalen een bedrag van € 119.463,- vermeerderd met de contractuele rente als gevorderd (rov. 2.17 en dictum onder 3.4) en ter zake van in opdracht van de maatschap na het einde van de partnerovereenkomst verrichte werkzaamheden een bedrag van € 7.682,52 vermeerderd met de wettelijke handelsvertragingsrente met ingang van 21 januari 2009 tot de dag van volledige betaling (rov. 2.18-2.21 en dictum onder 3.4). Ter zake van de
goodwillvordering heeft de rechtbank
in conventieeen bedrag van € 4.000,- toegewezen, vermeerderd met de contractuele rente als gevorderd (rov. 2.40 en dictum onder 3.4).
In reconventieheeft de rechtbank de vorderingen afgewezen (rov. 2.56-2.60 en dictum onder 3.9).
goodwill.
goodwillvergoeding (rov. 4.13-4.32) van dat van de rechtbank afwijkt.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
enerzijdsin rov. 4.5 tot uitgangspunt te nemen dat sprake was van een
gemotiveerdebetwisting, maar
anderzijdsin de rov. 4.29-4.32 te oordelen, kort samengevat, dat [eisers] niet hadden kunnen volstaan met een
niet voldoende onderbouwdebetwisting van de door [verweerders] gemaakte berekeningen.
productie H8) zijn oordeel in de rov. 4.29-4.32 niet naar behoren met redenen heeft omkleed.
niettot uitgangspunt genomen dat sprake was van een voldoende gemotiveerde betwisting. Het hof heeft daarentegen overwogen:
nader, maar nog steeds
onvoldoendehadden gemotiveerd.
“totaaloverzicht”van de door [verweerder 2] over de jaren 2006 en 2007 gefactureerde, maar
nietnaar werksoorten en individuele cliënten uitgesplitste omzet, terwijl productie H4 kennelijk betrekking heeft op de totale omzet van [verweerder 2] over de jaren 2006 en 2007, gespecificeerd naar elk van de door hem bediende cliënten.
goodwillvergoeding. De hoogte daarvan wordt bepaald door de omzetten die over de jaren 2006 en 2007 ten behoeve van de bij de berekening van de
goodwillin aanmerking te nemen cliënten zijn gerealiseerd, waarbij volgens de maatschap tevens rekening dient te worden gehouden met afschrijvingen, onbetaalde omzet en omzet die niet tot de
goodwillbehoort, zoals kosten en fiscaal en juridisch advies (rov. 4.29). De producties H1 en H4 bieden in dat alles geen inzicht. Het hof heeft in rov. 4.29 overwogen dat de discussie over de bepaling van de
goodwillvolgens de maatschap nog niet is gevoerd en dat de maatschap in dat kader de producties H8-H10 heeft overgelegd.
“hof plaatst ten onrechte buiten beoordelingproductie H10die tot rechtsstrijd behoorde”.
Hoogte goodwillvergoeding
tijdigvoor het pleidooi in hoger beroep als productie H10 ingediende stukken (rov. 4.31, vierde volzin), op de grond dat het in strijd was met de goede procesorde dat deze stukken kort voor dat pleidooi zijn ingediend, terwijl [eisers] daarover gedurende de gehele procedure de beschikking hadden en geen voldoende verklaring hadden waarom die stukken niet eerder (zelfs niet bij memorie van antwoord in het incidentele appel) waren overgelegd. Deze klacht wordt in de subonderdelen 1.1-1.7 verder uitgewerkt.
baseert”) op productie H10, nu niet “
uit de wet anders voortvloeit” (art. 19, eerste zin slot, Rv) en aan [verweerders] - zoals het hof heeft vastgesteld (rov. 4.31) - voldoende tijd was gegund voor een behoorlijke kennisneming van de door [eisers] bij pleidooi over te leggen stukken en, gelet op de aard en omvang van die stukken, voor een deugdelijke voorbereiding van verweer daartegen, nu die stukken voor hen kort en eenvoudig te doorgronden waren. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. HJS en HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616, NJ 2006/156.
“fair trial”en
“equality of arms”).
[verweerders] heeft (…) getracht de ingediende stukken te beoordelen, maar stuitte (…) op een groot aantal onjuistheden en hiaten, waarvan zij op pagina 2 van haar pleitnota en tijdens het pleidooi een samenvatting en nadere toelichting heeft gegeven en waarbij zij ook verschillen zichtbaar heeft gemaakt in vergelijking met de bij brief van 9 november 2012 aan de rechtbank door de maatschap toegezonden stukken en de thans door de maatschap overgelegde stukken”en waar het in rov. 4.31 heeft besloten
“deze stukken, mede gelet op de aangevoerde onderbouwde bezwaren van [verweerders] , waaruit in voldoende mate blijkt dat de stukken van de maatschap weer zoveel thans nog onbeantwoorde vragen oproepen, (…) buiten beschouwing (te) laten”. Tegen deze overwegingen is in cassatie niet opgekomen.
goodwillvergoeding voor de betreffende klanten (kennelijk en) ten onrechte -
de facto et de iure- bij [eisers] heeft gelegd, terwijl volgens art. 150 Rv Pro de bewijslast voor de door [verweerders] gestelde hoogte en berekening van de
goodwillop [verweerders] rustte, nu zij vergoeding daarvan vorderen.
“haar betwisting onvoldoende (tijdig) heeft onderbouwd,
zodat aan bewijslevering - of nadere instructie door het benoemen van een deskundige - niet wordt toegekomen”, reden waarom het hof zich
“(a)ls uitgangspunt voor de hoogte van de goodwill (…) dan ook (zal) baseren op de door [verweerders] overgelegde berekeningen”. Daartoe heeft het hof in rov. 4.30 overwogen dat de maatschap de door [verweerders] gemaakte berekeningen weliswaar steeds heeft betwist, maar dat zij haar betwistingen niet heeft onderbouwd met andere (uit haar administratie afkomstige) gegevens [19] , dat de door [eisers] in eerste aanleg ten behoeve van het pleidooi op 20 november 2012 overgelegde stukken zonder toelichting niet te doorgronden zijn, terwijl [verweerders] deze stukken in hun pleitnota in eerste aanleg als onbetrouwbaar hebben geduid en gemotiveerd hebben gesteld dat de door de maatschap ingediende stukken nog steeds geen bruikbare cijfers bevatten, en dat weliswaar ook in hoger beroep bij memorie van grieven in principaal appel en memorie van antwoord in incidenteel appel door [eisers] in beperkte mate bescheiden ter onderbouwing van hun verweer zijn overgelegd, maar dat een toegankelijk overzicht waardoor de onderliggende stukken kunnen worden ontsloten nog steeds ontbreekt. Ten slotte heeft het hof de als productie H10 bij pleidooi overgelegde stukken om de bij de bespreking van subonderdeel 1.1 reeds genoemde redenen buiten beschouwing gelaten. Aldus heeft het hof noch
de iure, noch
de factode bewijslast en het bewijsrisico ter zake bij [eisers] gelegd. Het hof heeft de berekeningen van [verweerders] als vaststaand aangenomen, nu [eisers] deze berekeningen onvoldoende hebben betwist. Bij die stand van zaken wordt, zoals het hof aan het slot van rov. 4.31 ook uitdrukkelijk heeft overwogen, aan verdere bewijslevering niet toegekomen, hetgeen overigens onverlet laat dat de bewijslast en het bewijsrisico ter zake op [verweerster 1] rusten.
gemotiveerd, aldus dan ook rechtens onjuist althans ten onrechte, in strijd met (doel en strekking van) het bepaalde in art. 149 lid Pro 1 (en 150) Rv, (impliciet) een
bewijsoordeel heeft gegeven over de wijze waarop en mate waarin [eisers] hun betwisting in de fase van de (appel)procedure ten tijde van ’s hofs beslissing met bewijsstukken hadden
onderbouwd.
goodwillvergoedingen, legde het hof in (de rov. 4.29-4.32 e.v. van) zijn arrest in kennelijke navolging van de stellingen van [verweerders] ten onrechte een
verzwaarde onderbouwingsplicht (gelijk aan:
bewijslast) bij [eisers] voor hun betwisting van de door [verweerster 1] c.a. gestelde hoogte/omvang van de
goodwillvergoedingen voor (o.m.) haar klanten Merkenwerk, [A] en Dart Design, hoewel volgens de wet (art. 149) een
gemotiveerdebetwisting door [eisers] van de stellingen van [verweerders] volstond. Anders dan het hof kennelijk en ten onrechte van oordeel was, deed zich hier volgens het subonderdeel immers geen (gelijke c.q. vergelijkbare) situatie voor als in de rechtspraak van de Hoge Raad over de, zeer bijzondere, gevallen van medische aansprakelijkheid [20] , aansprakelijkheid van notarissen [21] , en die van andere beroepsbeoefenaars zoals vermogensbeheerders [22] , nu hier niet aan de orde was dat bepaalde feitelijke gegevens geheel onbekend waren voor de eisende partij om haar vordering te kunnen onderbouwen en - zoals [eisers] bij herhaling hebben aangevoerd - [verweerders] ook naar eigen zeggen over de relevante gegevens beschikten om de door hen gevorderde
goodwillvergoedingen te kunnen onderbouwen.
verzwaarde motiveringsplicht van een betwisting(uitsluitend) met zich brengt dat van een betwistende gedaagde kan worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens
stelt- dus: niet aanstonds behoeft te verstrekken - ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de eisende partij, zulks teneinde de eisende partij aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering; ook in deze bijzondere gevallen is en blijft de eiser degene die de vordering behoorlijk dient te onderbouwen en zo nodig te bewijzen, zo stelt het subonderdeel met verwijzing naar HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611, NJ 1997/175 m.nt. CJHB.
gemotiveerdebetwisting (kunnen) kwalificeren in de zin als bedoeld in art. 149 lid 1 Rv Pro, aldus het subonderdeel.
bewijsheeft verlangd dat de door [verweerders] gevorderde
goodwillvergoedingen niet aan [verweerders] toekomen. Uit die rechtsoverweging blijkt slechts dat het volgens het hof niet zonder nadere toelichting mogelijk was uit de door [eisers] met betrekking tot de
goodwillaanspraken van [verweerders] ter onderbouwing van hun stellingen overgelegde bescheiden af te leiden dat de berekeningen van [verweerders] niet klopten. Zo heeft het hof in rov. 4.30 gereleveerd dat [eisers] in eerste aanleg weliswaar stukken hebben overgelegd, maar dat deze stukken
“zonder toelichting niet te doorgronden zijn”; aan het slot van die rechtsoverweging heeft het hof bovendien gesproken van het ontbreken van
“een toegankelijk overzicht”, aan de hand waarvan de in appel overgelegde stukken kunnen worden
“ontsloten”. Het bestreden oordeel is dan ook geen bewijsoordeel, maar een oordeel over de vraag of de betwisting van de berekeningen van [verweerders] door [eisers] al dan niet naar behoren was gemotiveerd. Bewijslevering zou in de gedachtegang van het hof slechts in geval van een voldoende gemotiveerde beslissing aan de orde komen, in welk geval volgens de tweede zin van rov. 4.31 de bewijslast op [verweerders] zou rusten.
“verzwaarde stelplicht”heeft aangenomen. Het hof heeft niet meer verlangd dan dat [eisers] tegenover de berekeningen van [verweerders] een samenhangende voorstelling van zaken hadden gesteld, waaraan de berekeningen van [verweerders] hadden kunnen worden getoetst. Welke eisen aan de motivering van een betwisting kunnen worden gesteld, zal overigens in belangrijke mate afhangen van de mate van detaillering van de stellingen waartegen de betwisting zich richt. Wordt de juistheid van een berekening betwist, dan mag, ook zonder dat van een verzwaarde stelplicht van de betwistende partij sprake is, worden verlangd dat deze partij duidelijk maakt dat, waarom en in welke opzichten de betwiste berekening volgens haar niet klopt. Het hof is naar mijn mening in de bestreden rechtsoverwegingen niet van verdergaande eisen uitgegaan.
goodwillvergoeding voor onder meer Merkenwerk, [A] (per klant € 6.000,-) en Dart Design (in totaal € 180.000,-).
“in de vorm van per cliënt een specificatie van alle aan die cliënt verzonden facturen gedurende de desbetreffende periode, rechtstreeks vanuit het administratieve systeem van [eiser 2] ( […] ).” Aan die, door [verweerders] bedoelde, wijze van reageren hebben [eisers] voldaan, niet alleen met de als productie H10 ingediende stukken maar ook met eerdere producties, zoals de stukken overgelegd als productie H4 en productie H8, waarover onderdeel 2, aldus nog steeds het subonderdeel.
“de (volgens de in 1.1 bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad toegelaten) uitzondering (…) dat de tijdig voor het pleidooi als productie H10 overgelegde stukken door het hof als in strijd met de goede procesorde - c.q. als niet tijdig overgelegd - buiten beschouwing konden worden gelaten”, welke uitzondering het hof volgens het subonderdeel ten onrechte zou hebben aangenomen. Zoals bij de bespreking van subonderdeel 1.1 reeds aan de orde kwam, betreffen de daarin genoemde uitspraken steeds de (on)toelaatbaarheid van producties die korte tijd voor de mondelinge behandeling of pleidooi worden overgelegd. Nog daargelaten dat niet geheel duidelijk is op welke door de Hoge Raad geformuleerde
“uitzondering”het subonderdeel doelt (in de in subonderdeel 1.1 genoemde uitspraken is een dergelijke uitzondering niet geformuleerd, maar mogelijk is gedacht aan het geval dat ondanks de indiening van een productie binnen de bij het toepasselijke procesreglement bepaalde termijn een verantwoorde reactie daarop van de wederpartij bij pleidooi of mondelinge behandeling niet mogelijk is [23] ), berust de bestreden beslissing om productie H10 niet toe te laten kennelijk niet op een voor de wederpartij te korte termijn om verantwoord op de productie te kunnen reageren, maar op een geheel ander geval van strijd met de goede procesorde, te weten dat van een onredelijke vertraging van de procedure. Het subonderdeel werkt niet uit waarom hetgeen het hof heeft overwogen in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad niet voldoende zou zijn voor het oordeel dat de goede procesorde zich tegen toelating van de bedoelde productie verzet [24] .
“Eerst ter gelegenheid van het pleidooi op 12 januari 2015 in hoger beroep heeft de maatschap de hiervoor genoemde productie H10 overgelegd.”), maar dat [eisers] zulks al veel eerder hadden kunnen (en volgens het hof ook al veel eerder hadden moeten) doen (zie rov. 4.31).
op grond van de wet(reeds en voldoende) bepalend en beslissend is/was dat vaststaat dat de als productie H10 ingediende stukken
tijdigvóór het pleidooi in hoger beroep aan [verweerders] waren toegezonden en bij het hof waren ingediend (om bij akte op pleidooi te worden genomen), en [eisers] die stukken in het geding hebben gebracht ter, nadere, onderbouwing van hun - in art. 149 lid 1 Rv Pro bedoelde - (gemotiveerde) betwisting van de door [verweerders] in de eerste aanleg berekende
goodwillvergoeding voor onder meer de klanten Merkenwerk, [A] (per klant € 6.000,-) en Dart Design (in totaal € 180.000,-), en aan [verweerders] - zoals het hof heeft vastgesteld - voldoende tijd was gegund voor een behoorlijke kennisneming van deze bij pleidooi over te leggen stukken en, gelet op de aard en omvang van die stukken, voor een deugdelijke voorbereiding van een inhoudelijk - niet: louter processueel - verweer daartegen nu deze stukken voor haar kort en eenvoudig te doorgronden waren, en deze stukken [verweerders] (afdoende) aanknopingspunten verschaften om hun
goodwillvorderingen, in de fase van de appelprocedure, te preciseren en (behoorlijk) nader te (kunnen) onderbouwen (zoals de advocaat van [verweerders] bij pleidooi subsidiair ook reeds had gedaan) en in het licht van de (gemotiveerde) betwisting van [eisers] , zo nodig, te bewijzen.
goodwillvergoedingen. Aldus heeft het hof bij zijn laatstgenoemde oordelen niet alleen een onjuiste maatstaf aangelegd, maar is daarmee de in de rov. 4.5 e.v. en 4.29 e.v. gegeven motivering innerlijk tegenstrijdig en (ook) om die reden onbegrijpelijk.
anderekwestie (en andere producties) heeft besproken dan in de rov. 4.29-4.32. Al om die reden is van de beweerde innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake.
“onvoldoende (tijdig) (…) (hebben) onderbouwd”zodat niet meer werd toegekomen aan bewijslevering door [eisers] of nadere instructie door het benoemen van een deskundige (zoals tijdens pleidooi in overweging gegeven ter vaststelling van de gevorderde
goodwill), en dat het hof zich daarom voor toewijzing van de
goodwillvergoeding als vermeld in rov. 4.32 en het daarop voortbouwende dictum van het eindarrest ten onrechte enkel en alleen op de door [verweerders] (als productie 1 bij de akte van 23 mei 2012) overgelegde berekeningen heeft gebaseerd.
“hof betrekt ten onrechte ook niet (kenbaar) productie H8 bij de betwisting van [eiser 2] ”. Ook dit onderdeel bevat een algemeen deel (onder 2) en een uitwerking daarvan in de subonderdelen 2.1-2.5.
"(d)e door [verweerders] gemaakte berekeningen (...) weliswaar door"[eisers]
"steeds betwist"zijn
"maar zij (...) haar betwistingen niet (...) met andere (uit haar administratie afkomstige) gegevens"hadden onderbouwd, dat [eisers] ook bij de memorie van grieven en memorie van antwoord in het incidenteel appel (slechts)
"in beperkte mate haar verweer met bescheiden onderbouwd"hadden maar dat
"een toegankelijk overzicht waardoor de onderliggende stukken kunnen worden ontsloten"ontbrak (rov. 4.30), waarvan het hof (dan ook) ten onrechte en onbegrijpelijk bij zijn verdere beoordeling in hoger beroep is uitgegaan, leidende tot zijn conclusie in rov. 4.31, samengevat, dat [eisers] hun betwisting van de door [verweerders] overgelegde berekeningen niet voldoende (tijdig) hadden onderbouwd zodat niet aan bewijslevering werd toegekomen en dat de gevorderde bedragen aan
goodwillvergoeding konden worden toegewezen met als uitgangspunt voor de hoogte van de
goodwill- c.q. omvang van de
goodwillvergoedingen - de berekeningen van [verweerders] in productie 1 van haar akte van 23 mei 2012. Daarbij heeft het hof in rov. 4.31 ten onrechte, en in het licht van die gedingstukken en het door partijen in eerste aanleg en in hoger beroep gevoerde debat, onbegrijpelijk geoordeeld en als uitgangspunt in de beoordeling betrokken dat volgens de door [verweerders] aangevoerde onderbouwde bezwaren zou blijken dat de (tijdig) als productie H10 ingediende stukken
"weer zoveel thans nog onbeantwoorde vragen"opriepen en (of althans) dat de stellingen van [eisers] met betrekking tot de categorisering van werkzaamheden (ook) eerder op tafel hadden kunnen komen (dan bij pleidooi) zodat [verweerders] (kennelijk eerder in de procedure) de gelegenheid zouden hebben gehad om er ordentelijk op te reageren. Althans zou het bestreden arrest in het licht van de verweren/stellingen van [eisers] niet (toereikend) naar de eisen der wet met redenen zijn omkleed om voldoende begrijpelijk, controleerbaar en aanvaardbaar, te (kunnen) zijn. Deze algemene klachten worden nader in de subonderdelen 2.1-2.5 uitgewerkt.
“(d)e door [verweerders] gemaakte berekeningen (...) weliswaar door de maatschap steeds (zijn) betwist, maar zij (...) haar betwistingen niet heeft onderbouwd met andere (uit haar administratie afkomstige) gegevens”, dat de maatschap ook bij de memorie van grieven in het principale appel en de memorie van antwoord in het incidentele appel (slechts)
“in beperkte mate haar verweer met bescheiden (heeft) onderbouwd”, maar dat
“(e)en toegankelijk overzicht waardoor de onderliggende stukken kunnen worden ontsloten (…) nog steeds (ontbreekt)”, (ieder afzonderlijk en mede in onderlinge samenhang bezien) onbegrijpelijk zijn in het licht van, (meer) in het bijzonder, de volgende gedingstukken van [eisers] :
- memorie van grieven onder 6 e.v., in het bijzonder onder 10 e.v., waarbij [eisers] als productie H4 de omzetgegevens 2006-2007 hebben overgelegd ten aanzien waarvan [verweerders] in de memorie van antwoord onder 13 erkenden dat die omzetgegevens de basis vormen voor hun berekeningen op grond van de in het […] van [eisers] ingevoerde weekstaten welke [verweerder 2] uit zijn
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep onder 40 e.v., in het bijzonder onder 44, 54 en 56, waarbij [eisers] als productie H8 naast de spreadsheet met hun omzetberekening voor Dart Design in 2006-2007, als de in rov. 4.30 bedoelde
goodwillberekening en facturen - is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk dat het hof in (rov. 4.30 van) zijn arrest heeft kunnen komen tot zijn hier bestreden oordelen c.q. vaststellingen, samengevat, dat [eisers] de door [verweerders] gemaakte berekeningen steeds hadden betwist maar hun betwistingen niet hebben onderbouwd met andere (uit hun administratie afkomstige gegevens en dat [eisers] ook bij hun memorie van grieven in het principale appel en hun memorie van antwoord in het incidentele appel hun verweer slechts in beperkte mate met bescheiden hebben onderbouwd. Vorenbedoelde (passages in de) memories en de als productie H4 en H8 overgelegde stukken/gegevens wettigen géén andere lezing en conclusie dan dat [eisers] daarmee hun betwistingen, in zoverre, wél met (andere) uit hun administratie afkomstige stukken (bescheiden en andere gegevens) onderbouwden.
“in de vorm van per cliënt een specificatie van alle aan die cliënt verzonden facturen gedurende de desbetreffende periode, rechtstreeks vanuit het administratieve systeem van [eiser 2] ( […] ).”Aan die, door [verweerders] voorgestelde, wijze van reageren hebben [eisers] voldaan, niet alleen met de als productie H10 ingediende stukken, maar met
eerdere producties, zoals de bij productie H4 en productie H8 behorende stukken. Ook in het licht van de eigen stellingname van [verweerders] zijn ’s hofs bestreden oordelen in rov. 4.30-4.31 - samengevat: dat [eisers] [verweerders] in hoger beroep niet tijdig en niet voldoende hadden voorzien van de relevante stukken (c.q. bescheiden en andere gegevens uit haar […] -administratie) - onbegrijpelijk, nu [eiser 2] met deze producties (H4 en H8) reeds bij eerste conclusiewisseling in hoger beroep had voldaan aan het eigen (bewijs)verzoek van [verweerders] uit de eerste aanleg, aldus het subonderdeel.
“andere (uit haar administratie afkomstige) gegevens”hebben onderbouwd, een en ander zoals bedoeld in rov. 4.30, eerste alinea, en voor zover het subonderdeel zich te dien aanzien beroept op de bij memorie van grieven en memorie van antwoord in incidenteel appel overgelegde producties (waaronder productie H8), wijs ik erop dat de eerste alinea van rov. 4.30 en het daarin vervatte oordeel dat [eisers] hun betwistingen niet met
“andere (uit haar administratie afkomstige) gegevens”hebben onderbouwd, slechts betrekking hebben op de door [eisers] in eerste aanleg overgelegde stukken.
goodwillvergoeding. De hoogte daarvan is niet afhankelijk van de totale door [verweerder 2] over 2006 en 2007 gefactureerde omzet, maar van de omzetten die over 2006 en 2007 met betrekking tot de bij de berekening van de
goodwillin aanmerking te nemen cliënten zijn gerealiseerd, waarbij volgens de maatschap tevens rekening dient te worden gehouden met afschrijvingen, onbetaalde omzet en omzet die niet tot de
goodwillbehoort, zoals kosten en fiscaal en juridisch advies (rov. 4.29). Het hof heeft in rov. 4.29 overwogen dat de discussie daarover volgens de maatschap nog niet is gevoerd en dat de maatschap in dat kader de producties H8-H10 heeft overgelegd. Overigens wijs ik erop dat het hof productie H4 in rov. 4.5 heeft aangemerkt als een
onvoldoendemotivering van de betwisting (met betrekking tot de omzetcijfers over 2006 en 2007) tot onderbouwing waarvan zij strekte.
“in beperkte mate”, is zoveel zeker dat het hof ook die producties als een
onvoldoendeonderbouwing van de betwisting door [eisers] van de berekeningen van [verweerders] heeft beschouwd, omdat een toegankelijk overzicht waardoor de onderliggende stukken kunnen worden ontsloten, ontbreekt en de bij de genoemde memories in het geding gebrachte stukken in elk geval in dat opzicht tekortschoten. In het licht van het oordeel over het onvoldoende toegankelijk zijn van de bedoelde stukken (dat, naar ik begrijp, door subonderdeel 2.3 ten aanzien van productie H8 afzonderlijk wordt bestreden), is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eisers] hun betreffende betwisting bij haar beide memories in hoger beroep (slechts) in beperkte mate hebben onderbouwd.
“in de vorm van per cliënt een specificatie van alle aan die cliënt verzonden facturen gedurende de desbetreffende periode, rechtstreeks vanuit het administratieve systeem van [eiser 2] ( […] ).”Nog daargelaten dat [verweerders] op de aangegeven plaats slechts hebben aangegeven dat [eisers] de relevante omzetgegevens in het geding dienden te brengen en niet dat met het in geding brengen van gegevens uit hun administratie (welke dan ook) de omzetberekeningen van [verweerders] op voorhand zouden zijn weerlegd, impliceerde het bedoelde standpunt niet dat [eisers] ter adstructie van hun betwisting van de berekeningen van [verweerders] met enkele productie van gegevens uit de eigen administratie zouden kunnen volstaan,
zondereen toereikende toelichting waarmee (in de woorden van het hof) die gegevens zouden kunnen worden ontsloten.
tijdighadden onderbouwd zodat niet aan bewijslevering werd toegekomen en de door [verweerders] gevorderde bedragen aan
goodwillvergoeding konden worden toegewezen met als uitgangspunt voor de hoogte van de
goodwill- c.q. de omvang van de daarop gebaseerde vergoeding(en) - de door [verweerders] gestelde (bedragen in hun) berekeningen (zoals vermeld in productie 1 van hun akte van 23 mei 2012), nu [eisers] - zoals reeds in subonderdeel 2.1 toegelicht - daaraan volgens de zogenoemde
“twee-conclusie-regel”als bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad reeds hadden voldaan bij eerste conclusiewisseling in hoger beroep in hun memorie van grieven en memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel (indachtig en, of althans,) voor het geval na gegrondbevinding van de grieven de hoogte van de door [verweerders] gestelde en door [eisers] betwiste berekening van de hoogte van de
goodwill(vergoeding) voor door [verweerders] aangebrachte klanten waaronder Merkenwerk, [A] en Darts Design, door de devolutieve werking van het appel alsnog zou (moeten) worden beoordeeld/bepaald. Aangezien in eerste aanleg de rechtbank daaraan niet meer was toegekomen, konden (en behoefden) [eisers] in de procedure in hoger beroep niet eerder en/of anders dan, reeds en eerst, bij hun memorie van grieven en memorie van antwoord in incidenteel appel de bij productie H4 en H8 overgelegde stukken c.q. bescheiden en andere gegevens (als [verweerders] bij akte van 23 mei 2012 voor ogen stond) in het geding te brengen.
“in de vorm van per cliënt een specificatie van alle aan die cliënt verzonden facturen gedurende de desbetreffende periode, rechtstreeks vanuit het administratieve systeem van [eiser 2] ( […] ).”Aan die, door [verweerders] voorgestelde, wijze van reageren hebben [eisers] volgens het subonderdeel voldaan, niet alleen met de als productie H10 ingediende stukken (bescheiden/gegevens), maar ook met
eerdere productieszoals de stukken bij productie H4 en productie H8.
goodwillvergoeding, in elk geval: wat betreft deze klant, te preciseren c.q. specificeren en zo nodig bewijzen, alsmede hun (inhoudelijk) verweer te kunnen voorbereiden ten behoeve van het pleidooi in hoger beroep, alwaar (de advocaat van) [verweerders] vervolgens (de juistheid van) deze facturen voor klant Dart Design uit 2006-2007 en de in de memorie van antwoord in incidenteel appel daarop gegronde betwisting van [eisers] niet (meer), als zodanig, heeft bestreden (pleitnota mr. Dekker p. 2 vijfde gedachtestreepje, waar mr. Dekker enkel nog verschillen opmerkte tussen productie 6, en enkele cijfers in de berekeningen van [eisers] in hun akte bij productie H10).
goodwillvergoeding, voor zover deze met de cliënt Dart Design verband hield (zie rov. 4.29). Van de door het hof aan [verweerders] toegekende
goodwillvergoeding vormde de vergoeding voor Dart Design het leeuwendeel: de toegewezen vergoeding bedroeg voor de cliënten Merkenwerk en [A] per cliënt € 6.000,- en voor de cliënt Dart Design € 180.000,- (rov. 4.32). Daarbij is het hof volgens de slotzin van rov. 4.31 uitgegaan van de door [verweerders] overgelegde berekeningen (die overigens eerder schattingen dan berekeningen waren), waarvoor het hof (in rov. 4.30) heeft verwezen naar productie 1 bij de akte van 23 mei 2012.
“gemiddelde omzet op jaarbasis (raming)”is vermeld. Op diezelfde pagina is de volgens [verweerders] per cliënt aan hen toekomende
goodwillvergoeding vervolgens berekend als 1,5 maal het totaal van de (geraamde) gemiddelde jaaromzet. De akte zelf bevat onder 39 de in het subonderdeel (en ook elders in het cassatiemiddel veelvuldig) aangehaalde passage waarin [verweerders] hebben aangegeven hoe [eisers] op hun ramingen zouden moeten reageren:
goodwillvergoeding verschuldigd, welk oordeel [verweerders] in incidenteel appel hebben bestreden) hebben [eisers] (voor het geval dat het hof, anders dan de rechtbank, zou oordelen dat [verweerders] wél een
goodwillvergoeding voor Dart Design toekomt) onder 56 het volgende vermeld:
Toelichting op omzet
productie H8). Uit voornoemde facturen blijkt helder wat niet tot de kerncompetentie “accountancy” behoort, zijnde de omzet van “niet-accountancy” medewerkers zoals juristen, fiscalisten en salarisadministratie. De gemiddelde omzet per jaar is derhalve € 36.723,15. Op grond van deze cijfers dient een goodwill vastgesteld te worden op € 55.084, 73 incl BTW.”
“Accountancy”; andere groepen werksoortnummers die in de specificaties voorkomen zijn onder meer
“Management Consultancy”(20-groep),
“Advisering Arbeid en Recht”(25-groep),
“Fiscaal”(30-groep) en
“Personeels Advies Diensten”(40-groep). De facturen en factuuromschrijvingen gaan vergezeld van een (op één A4’tje gesteld) overzicht waarop de met beide declaraties in rekening gebrachte werkzaamheden, behorende tot de 10-groep
“Accountancy”(óók voor zover verricht door andere medewerkers dan [verweerder 2] ) zijn bijeengebracht. Dat leidt tot een totaalbedrag (inclusief BTW) van € 73.446,30, derhalve gemiddeld per jaar € 36.723,15, hetgeen resulteert (zo wordt in het overzicht voorgerekend) in een
goodwillvan (1,5 x € 36.723,15 =) € 55.084,73.
goodwillvergoeding voor Dart Design zijn ingegaan. Bij pleidooi hebben [verweerders] zich echter op het standpunt gesteld dat, als productie H10 buiten beschouwing zou worden gelaten, voor hun reactie daarop en voor de daarin vervatte berekening, óók van de
goodwillvergoeding voor Dart Design, hetzelfde zou gelden (zie pleitnota in hoger beroep, p. 3, alsmede rov. 4.29:
“(…) [verweerders] heeft tijdens het pleidooi het hof verzocht de ten behoeve van het pleidooi ingediende stukken van de maatschap buiten beschouwing te laten (...) (zodat ook haar eigen voorafgaand aan het pleidooi ingediende reactie op deze stukken buiten beschouwing kan worden gelaten.”). Tegen die achtergrond impliceert de weigering van productie H10 naar mijn mening dat niet alleen productie H10 en de reactie van daarop van [verweerders] , maar ook hetgeen partijen bij pleidooi nog over die stukken hebben gesteld, bij de beoordeling van de klachten van het subonderdeel geen rol kunnen spelen.
“Accountancy”) volgen, maar zich op het standpunt stellen dat méér facturen in aanmerking hadden moeten worden genomen; [eisers] hebben bij pleidooi meer in het algemeen (niet specifiek met betrekking tot Dart Design) aangevoerd, dat, voor zover [verweerders] zich hebben beroepen op facturen die niet zouden zijn overgelegd, het gaat om facturen die géén betrekking hebben op de peiljaren of op accountancy-werkzaamheden.
“Accountancy”) en de bijbehorende omzetten zijn samengebracht en waarop is voorgerekend tot welke
goodwillvergoeding die gecumuleerde gegevens voor de cliënt Dart Design leiden, het
“toegankelijke overzicht”dat het hof kennelijk (ook) voor het ontsluiten van de tot productie H8 behorende declaraties en declaratiespecificaties onontbeerlijk achtte. Het vermeende gebrek aan toegankelijkheid van de desbetreffende stukken kan daarom niet als toereikende motivering dienen voor het negeren van de relevante, door [eisers] concreet en onderbouwd gestelde omzetgegevens en voor de beslissing om niet díe gegevens, maar de nota bene ook door [verweerders] zelf slechts als
ramingenaangeduide cijfers als onvoldoende weersproken uitgangspunt te hanteren.
“onderbouwde bezwaren”zou blijken dat de (tijdig) als productie H10 ingediende stukken
“weer (...) onbeantwoorde vragen”opriepen, en de stellingen van [eisers] met betrekking tot categorisering van werkzaamheden eerder dan bij pleidooi op tafel hadden kunnen komen, zodat [verweerders] eerder in de procedure de gelegenheid zouden hebben gehad om er ordentelijk op te reageren.
goodwillvolgens de in art. 7 lid 7 van Pro bijlage 4 bij de partnerovereenkomst bedoelde kerncompetentie
“accountancy werkzaamheden”ter betwisting van de door [verweerders] gestelde omvang van de
goodwillal bij antwoordakte van 18 juli 2012
in eerste aanleghadden aangevoerd, welk verweer door (de advocaat van) [verweerders] bij pleidooi van 20 november 2012 is bestreden (pleitnota mr. Dekker, p. 3) en zij aldus toen reeds de gelegenheid hebben gehad om ordentelijk op deze stellingen te reageren. Nu de zogenoemde categorisering van werkzaamheden aldus reeds in eerste aanleg op tafel is gekomen en deel uitmaakte van het aldaar gevoerde partijdebat, konden en moesten [verweerders] erop bedacht zijn c.q. erop anticiperen dat [eisers]
in hoger beroepvoor de berekening van de
goodwillvergoedingen hun stellingen over de op basis van de kerncompetenties te bepalen omzet en
goodwillzouden (kunnen) herhalen, (op de wijze) zoals [eisers] bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep (onder 42 e.v., in het bijzonder onder 44, 54 en 56) onder overlegging van productie H8 aan de hand van de twee voor de klant Dart Design relevante facturen uit 2006-2007 hebben gedaan.
“accountancy werkzaamheden”zich niet pas voor het eerst in appel ontwikkeld, en konden [verweerders] aan de hand van de reeds (tijdig) bij memorie van antwoord in incidenteel appel als productie H8 gevoegde berekening(en) en facturen behoorlijk hun inhoudelijk verweer daartegen voor het pleidooi voorbereiden.
“categorisering van werkzaamheden”(zie de op twee na laatste zin van rov. 4.31; eerder in diezelfde rechtsoverweging wordt gesproken van
“de wijze waarop de werkzaamheden werden geadministreerd in het systeem van de maatschap (….) (waarbij) een categorisering plaatsvond in accountancywerkzaamheden dan wel fiscale of juridische werkzaamheden”) klaarblijkelijk niet heeft gedoeld op het gegeven dat voor de
goodwillberekening slechts de tot de kerncompetentie
“accountancy”behorende werkzaamheden over het relevante tijdvak in aanmerking dienden te worden genomen. Voor zover het subonderdeel van een andere opvatting uitgaat, mist het feitelijke grondslag. Zoals het subonderdeel overigens terecht aanvoert, was het bedoelde gegeven van een tot de kerncompetentie
“accountancy”beperkte
goodwillal in de rechtsstrijd in eerste aanleg betrokken (zie de antwoordakte van [eisers] van 18 juli 2012 p. 14/15 en de reactie daarop in de pleitnota van de zijde van [verweerders] van 20 november 2012, p. 3).
“categorisering van werkzaamheden”heeft het hof onmiskenbaar gedoeld op de verdeling van de over de relevante periode gedeclareerde werkzaamheden in al dan niet tot de kerncompetentie
“accountancy”behorende werkzaamheden aan de hand van de in de administratie van [eisers] gehanteerde werksoorten. Ook in dat verband heeft het hof kennelijk eraan voorbijgezien dat [eisers] met de als productie H8 overgelegde declaraties en declaratiespecificaties (en met het tot die productie behorende samenvattende overzicht) althans met betrekking tot de berekening van de
goodwillvergoeding voor de cliënt Dart Design de volgens hen voor die cliënt aan de hand van de gehanteerde
“categorisering van werkzaamheden”geldende verdeling tussen wel en niet tot de kerncompetentie
“accountancy”behorende werkzaamheden gemotiveerd en met bescheiden cijfermatig hebben onderbouwd. Daar staat echter tegenover dat het hof in rov. 4.31
nietheeft geoordeeld over de (on)tijdigheid van productie H8, maar over de (on)tijdigheid van productie H10. In de omstandigheid dat de advocaat van [eisers] eerst bij het opstellen van de memorie van antwoord in incidenteel appel inzicht kreeg in de wijze waarop de werkzaamheden werden geadministreerd in het systeem van de maatschap en dat daarbij een categorisering plaatsvond in accountancywerkzaamheden dan wel fiscale of juridische werkzaamheden, heeft het hof een onvoldoende verklaring gezien voor het feit dat
“de als productie H10 overgelegde stukken eerst bij het pleidooi in het (tweede) hoger beroep zijn overgelegd”. Dat oordeel houdt stand, óók nu moet worden aangenomen dat [eisers] bij productie H8 hun verweer gedeeltelijk, met betrekking tot de cliënt Dart Design, al wel voldoende aan de hand van de in de administratie van [eisers] gehanteerde werksoorten hebben geadstrueerd.
“de stellingen van de maatschap met betrekking tot de categorisering van werkzaamheden ook eerder op tafel hebben kunnen komen en (…) [verweerders] de gelegenheid (had) gehad er ordentelijk op te reageren”, is zij tevergeefs voorgesteld. Ook die (op zichzelf overigens juiste) constatering, die verband houdt met de vaststelling van het hof dat de procedure al meer dan vijf jaar duurt, houdt naar mijn mening geen oordeel in over de (on)tijdigheid van productie H8, maar ligt slechts ten grondslag aan de weigering van de eerst bij pleidooi overgelegde productie H10, voor zover [eisers] daarin hun verweer nader aan de hand van de bedoelde categorisering van werkzaamheden hebben geadstrueerd (
“Het hof zal deze stukken (…) dan ook buiten beschouwing laten. Hierbij speelt mede een rol dat onderhavige procedure (…) al meer dan vijf jaar duurt, en (…) van het begin af aan duidelijk is geweest dat een ordentelijk debat over omzet en facturatie louter gevoerd kan worden indien partijen hun stellingen met de noodzakelijke stukken cijfermatig onderbouwen. Dan zouden de stellingen van de maatschap met betrekking tot de categorisering van werkzaamheden ook eerder op tafel hebben kunnen komen (…)”).
subonderdeel 2.5heeft het hof in de rov. 4.29 e.v., in het bijzonder de rov. 4.31 en 4.32, bovendien, of althans, wat betreft de door [verweerders] gevorderde
goodwillvergoeding voor klant Dart Design met inachtneming van de devolutieve werking van het hoger beroep ten onrechte niet, dan wel op een uit de gegeven motivering niet (voldoende) kenbare wijze, betrokken het door [eisers] in eerste aanleg bij antwoordakte van 18 juli 2012 (p. 7, laatste alinea) aangevoerde, in appel niet prijsgegeven (essentiële) verweer dat, indien Dart Design zou worden aangemerkt als klant van [verweerders] , laatstgenoemden aan [eisers] een bedrag zouden zijn verschuldigd, gelijk aan de door [eisers] op grond van de met [C] gesloten samenwerkingsovereenkomst (productie 10 bij akte na comparitie van partijen van 15 september 2010) aan deze voor de werving en selectie van klanten jaarlijks betaalde
fee. Door dit verweer van [eisers]
nietbij de (hernieuwde) beoordeling van de toewijzing van de
goodwillvordering van [verweerders] in zijn oordeel te betrekken, heeft het hof volgens het subonderdeel in strijd met het bepaalde in art. 24 Rv Pro geoordeeld. Aldus heeft het hof immers niet in zijn oordeel betrokken al hetgeen [eisers] als hun verweer in eerste aanleg en/of in hoger beroep ten gronde hadden aangevoerd. Voor zover het hof dit een en ander niet heeft miskend en vorenbedoeld verweer van [eisers] in zijn oordeel en beslissing heeft betrokken, heeft het zijn arrest volgens het subonderdeel niet toereikend gemotiveerd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is op grond van de in de rov. 4.29 e.v. gegeven motivering immers onduidelijk of, dat en waarom het hof van oordeel was dat dit verweer van [eisers] ongegrond was c.q. in het kader van de
goodwillvoor Dart Design [verweerders] niet aan [eisers] verschuldigd zou zijn (c.q. zou kunnen zijn) een bedrag gelijk aan de
feevan [C] (die [eisers] op grond van de samenwerkingsovereenkomst jaarlijks hebben betaald).
feebetaalden. Deze laatste omstandigheid was echter wel relevant voor het antwoord op de vraag of en, zo ja, in hoeverre [eisers] voor Dart Design (als)nog aan [verweerders] een
goodwillvergoeding waren verschuldigd, zodat het hof naar aanleiding van het bedoelde verweer van [eisers] had moeten beoordelen en onderzoeken of de jaarlijks door hen aan [C] betaalde
feein mindering moe(s)t worden gebracht op de door [verweerders] voor Dart Design berekende
goodwillvergoeding.
“hof betrekt ten onrechte ook niet (kenbaar) productie H8 bij de betwisting van [eiser 2] ”. Dat is echter geen reden die klacht buiten behandeling te laten.
feehebben overgelegd, althans niet in de door het subonderdeel genoemde passage in de antwoordakte van 18 juli 2012 en evenmin in de in appel overgelegde productie H8. Productie 2a bij de genoemde akte heeft wel betrekking op de door [eisers] aan [C] betaalde
“fee”, maar bevat een opgave daarvan over januari en februari 2012, enkele jaren nadat de samenwerking tussen [verweerders] en [eisers] reeds was geëindigd, en zegt derhalve niets over het (eventueel) op de
goodwillvergoeding in mindering te brengen bedrag.
goodwillvergoeding te hebben betrokken.
feemede bepalend is voor de omzet aan de hand waarvan de
goodwilldient te worden berekend, dan geldt daarvoor hetgeen het hof in de rov. 4.29-4.32 heeft geoordeeld, te weten dat de betwisting door [eisers] van de door [verweerders] berekende
goodwillonvoldoende is onderbouwd. Dat oordeel zou ook in zoverre niet onbegrijpelijk zijn, gelet op hetgeen hiervóór (onder 2.47) reeds werd opgemerkt.